Schrif­te­lijke inbreng over de Wet publieke gezondheid in verband met een slui­tings­be­voegdheid ten aanzien van publieke en besloten plaatsen wegens een uitbraak


19 mei 2021

Inbreng Wijziging van de Wet publieke gezondheid in verband met een sluitingsbevoegdheid ten aanzien van publieke en besloten plaatsen wegens een uitbraak

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel ‘Wijziging van de Wet publieke gezondheid in verband met een sluitingsbevoegdheid ten aanzien van publieke en besloten plaatsen wegens een uitbraak’. De leden vinden het belangrijk dat clusteruitbraken van het coronavirus SARS-CoV-2 zo snel mogelijk worden opgespoord en ingedamd in het belang van de volksgezondheid. De leden onderschrijven dat de burgemeester deze bevoegdheid terughoudend dient in te zetten in het licht van potentiële inbreuken op grondrechten zoals vrijheid van ondernemerschap, vrijheid van het belijden van godsdienst of levensovertuiging, en het eigendomsrecht.

1. Aanleiding

De leden hebben sinds het begin van de coronacrisis herhaaldelijk gewezen op de risico’s rondom uitbraken van het coronavirus SARS-CoV-2 in slachthuizen. Waar de leden van de Partij voor de Dieren-fractie onderschrijven dat clusteruitbraken op elke locatie kunnen voorkomen, hebben zij geconstateerd dat slachthuizen niet alleen in Nederland, maar ook in een groot aantal andere landen, gedurende het afgelopen jaar aantoonbare brandhaarden zijn gebleken. Al in maart 2020 hebben zij de regering gewezen op de risico’s van de coronapandemie voor de vee- en vleesketen en de gevolgen daarvan voor dieren in de veehouderij.[1] Begin mei 2020 sloegen vakbonden ook al alarm omdat maatregelen niet goed werden nageleefd in slachthuizen. Toch bleef actie nog enige tijd uit. In mei 2020 bleken bij slachthuis Vion in Groenlo 147 van de 657 werknemers te zijn besmet met corona, ruim 22% van de medewerkers. Dit kwam pas aan het licht na een verzoek vanuit Duitsland, waarna een steekproef werd gedaan door de GGD. Daarna volgden grote clusteruitbraken bij onder andere Van Rooij Meat in Helmond en Vion Boxtel. Dit speelt tot op de dag van vandaag. De minister schreef vorige week nog, naar aanleiding van vragen van de Partij voor de Dieren over nieuwe besmettingen in de vleessector, dat het totale aantal besmettingen bij Vion Boxtel in de periode tussen maart en half mei 2021 is opgelopen tot 134 en bij Vion Tilburg tot 47, wat neerkomt op 19% van het personeel.[2]

Waarom heeft de regering pas in januari 2021 besloten om de wettelijke grondslag te creëren voor het sluiten van bedrijfspanden zoals slachthuizen bij een clusteruitbraak? Had dit niet veel eerder gemoeten? De leden wijzen hierbij op het feit dat de regering in antwoord op de vele vragen van de Partij voor de Dierenfractie telkens heeft gesteld dat slachthuizen konden en zouden worden stilgelegd wanneer de NVWA zou constateren dat de richtlijnen van het RIVM niet adequaat werden opgevolgd.[3]

In de praktijk is desondanks sinds mei 2020 zelden overgegaan tot het daadwerkelijk stilleggen van een slachthuis. Niet door de NVWA en niet door de Veiligheidsregio’s. De leden hebben bij herhaling gewezen op de verschillen die zichtbaar waren tussen de Veiligheidsregio’s. Waar in de ene Veiligheidsregio een slachthuis werd stilgelegd bij een clusteruitbraak waarbij 17% van de medewerkers besmet bleek[4], werd er in een andere Veiligheidsregio gesteld dat maatregelen ‘proportioneel’ moeten zijn en dat ook de economische belangen moeten worden meegewogen, terwijl het slachthuis in die regio eveneens kampte met een uitbraak onder 17% van het personeel.[5] Hoe verhoudt de nieuwe wettelijke bevoegdheid zich tot de huidige mogelijkheden? Hoe zal het voorliggende wetsvoorstel een einde maken aan deze willekeur, vragen de leden.

De regering beweert in de memorie van toelichting dat met dit wetsvoorstel de strekking van de motie van het lid Ouwehand over een meldplicht voor bedrijven met covid-19 clusters onder de medewerkers wordt uitgevoerd, omdat er met dit wetsvoorstel effectief kan worden opgetreden bij een uitbraak van het virus op bedrijfslocaties. [6] De regering gaat er in het voorliggende wetsvoorstel vanuit dat clusteruitbraken aan het licht zullen komen door middel van bron- en contactonderzoek. De regering stelt daarom geen meldplicht in. De leden van de PvdD-fractie wijzen erop dat de motie expliciet verzocht om een meldplicht, omdat de GGD’en en het RIVM voor het zicht op clusteruitbraken onder risicogroepen zoals arbeidsmigranten afhankelijk zijn van meldingen vanuit de bedrijven waar deze arbeidsmigranten werken. Het OMT adviseerde een meldplicht voor bedrijven met COVID-19-clusters onder medewerkers om hier zicht op te kunnen houden en onderrapportage mogelijk is. De leden van de Partij voor de Dierenfractie hebben het afgelopen jaar regelmatig signalen gekregen van clusteruitbraken waarvan geen melding werd gedaan. Ook werd via de media bekend dat de GGD Hart voor Brabant op 25 mei 2020 nog geen besmettingen had doorgekregen van Vion Boxtel[7], terwijl er op dat moment al verschillende medewerkers besmet waren en er ruim een maand daarvoor al een minuut stilte was gehouden voor de eerste medewerker die overleed aan het virus.[8] Erkent de regering dat het optuigen van de maatregelen om op te treden bij coronauitbraken geen zin heeft als deze uitbraken niet aan het licht komen?

De Partij voor de Dieren-fractie vraagt de regering de aangenomen motie Ouwehand daadwerkelijk uit te voeren en een meldplicht in te stellen voor bedrijven met covid-19 clusters onder de medewerkers.

2. Hoofdlijnen van het voorstel

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren lezen in de memorie van toelichting dat dit wetsvoorstel een bredere werking beoogt dan waar de motie Klaver/Ouwehand om vroeg.[9] De motie riep op om te komen met een wettelijke grondslag om bij het niet-naleven van coronamaatregelen, waardoor een bronbesmetting ontstaat, te kunnen reageren met een tijdelijke sluiting van het bedrijfspand. Volgens het voorliggende wetsvoorstel hoeft er echter geen causaal verband te worden aangetoond tussen het niet-naleven van maatregelen en het ontstaan van de uitbraak. De feitelijke uitbraak en het gevaar voor de volksgezondheid van een uitbraak staat centraal. Hierbij is niet relevant op welke wijze de uitbraak tot stand is gekomen. De niet-naleving van de coronamaatregelen is geen voorwaarde om de sluiting te kunnen bevelen.

De leden vragen om een nadere onderbouwing van deze keuze. In antwoord op verschillende vragen die de Partij voor de Dieren heeft gesteld over corona uitbraken in de vleessector, antwoordde de minister namelijk bij herhaling dat de oorzaak van de besmettingen van slachthuismedewerkers ook in de thuissituatie of in het vervoer van arbeidsmigranten kon liggen. Hiermee werd de suggestie gewekt dat dit reden zou zijn om niet in grijpen, zelfs bij zeer grote clusteruitbraken van veertig tot wel honderd besmettingen per slachthuis. In de praktijk van de afgelopen maanden volstond in deze gevallen een telefoontje of een bezoek van de inspectie SZW om te controleren of de maatregelen worden nageleefd als er een inspecteur naast staat. Nu lezen de leden in de memorie van toelichting dat het kabinet sluiting noodzakelijk kan achten met het oog op het indammen van een uitbraak, ongeacht hoe het tot een uitbraak heeft kunnen komen. Dit lijkt in groot contrast te staan met de huidige praktijk. Graag een reactie van de minister.

Deze leden vragen de regering tevens welke sanctie er staat op het niet-naleven van de coronamaatregelen en wat er gebeurt indien een beheerder van een locatie zich meermaals schuldig maakt aan het niet-naleven van de coronamaatregelen en het daartoe veroorzaken van een clusteruitbraak.

De leden van de PvdD-fractie lezen dat de sluiting geldt voor een periode van ten hoogste tien dagen. Hiermee wordt aangesloten op de incubatietijd en de duur van de quarantaine. Waarom heeft de regering ertoe besloten de sluitingstijd te maximeren op tien dagen? Immers wanneer er geen adequate maatregelen zijn genomen om een nieuwe clusteruitbraak te voorkomen, kan het nodig zijn de sluitingstijd te verlengen. Ook de GGD GHOR en de Raad van State vinden het maximeren van de sluiting op tien dagen onwenselijk. De Raad van State vindt de toelichting van de regering onvoldoende overtuigend. De leden maken uit het nader rapport op dat de regering de suggestie van de Afdeling advisering om het wetsvoorstel op dit punt aan te passen niet overneemt. De regering gaat ervan uit dat bij een nieuwe uitbraak de locatie opnieuw kan worden gesloten. Op welke manier verwacht de regering dat de GGD kan aantonen dat het gaat om een nieuwe uitbraak? De leden van de PvdD-fractie vragen de regering dit besluit nader toe te lichten.

Tot slot willen de leden benadrukken dat het bovenal van belang is om in te zetten op de preventie van clusteruitbraken. Het afgelopen jaar heeft geleerd dat op dit punt nog veel kan worden verbeterd.


[1] 2020Z05519. Vragen van het lid Ouwehand (PvdD) aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over de gevolgen van de maatregelen tegen het coronavirus voor dieren in de veehouderij (ingezonden 24 maart 2020)

[2] Kamerstuk 25 295, nr. 1179

[3] Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, Aanhangsel van de Handelingen nr. 2239, Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, Aanhangsel van de Handelingen nr. 2857, Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, Aanhangsel van de Handelingen nr. 3023 6

[4] Van Rooij Meat in Helmond

[5] Vion in Boxtel

[6] Kamerstukken II 2020/21, 25 295, nr. 701.

[7] https://www.omroepbrabant.nl/nieuws/3208554/personeel-van-slachthuis-in-helmond-getest-nadat-nvwacontroleurs-besmet-blijken-met-corona

[8] FD, 19 mei 2020, ‘Nederlandse abattoirs blijft meeste ellende bespaard’

[9] Kamerstukken II 2020/21, 25 295, nr. 924