Schrif­te­lijke inbreng over de regels omtrent de instelling van het Caribisch orgaan voor hervorming en ontwik­keling (Rijkswet Caribisch orgaan voor hervorming en ontwik­keling)


20 mei 2022

I. Algemeen

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben kennis genomen van de stukken en hebben hierover nog enkele vragen. Is de regering het met de leden van de Partij voor de Dieren-fractie eens dat het Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden uitgaat van een samenwerking tussen vier landen die gelijkwaardig en autonoom zijn voor zover in dat Statuut die autonomie niet juridisch beperkt is? Zo nee, waarom niet? Daarnaast merken de leden op dat aan de landen gevraagd is welke bezwaren er bestaan tegen de regeling die in de Rijkswet COHO (Caribisch orgaan voor hervorming en ontwikkeling) is opgenomen. Onlangs hebben in het kader van de IPKO bezoeken aan de eilanden plaatsgevonden. Ook heeft de staatssecretaris de landen bezocht voor overleg. Kan de regering aangeven (a) welke bezwaren door de landen voor voren zijn gebracht, (b) of en zo ja hoe aan die bezwaren is tegemoetgekomen en (c) of de regering naar aanleiding van de laatste ontwikkelingen nog voornemens is om het wetsontwerp aan te passen?

1. Inleiding

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben kennis genomen van de stukken en hebben hierover nog enkele vragen. Is de regering het met de leden van de Partij voor de Dieren-fractie eens dat het Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden uitgaat van een samenwerking tussen vier landen die gelijkwaardig en autonoom zijn voor zover in dat Statuut die autonomie niet juridisch beperkt is? Zo nee, waarom niet? Daarnaast merken de leden op dat aan de landen gevraagd is welke bezwaren er bestaan tegen de regeling die in de Rijkswet COHO (Caribisch orgaan voor hervorming en ontwikkeling) is opgenomen. Onlangs hebben in het kader van de IPKO bezoeken aan de eilanden plaatsgevonden. Ook heeft de staatssecretaris de landen bezocht voor overleg. Kan de regering aangeven (a) welke bezwaren door de landen voor voren zijn gebracht, (b) of en zo ja hoe aan die bezwaren is tegemoetgekomen en (c) of de regering naar aanleiding van de laatste ontwikkelingen nog voornemens is om het wetsontwerp aan te passen?

1.1 Algemene strekking en doel

1.2 Achtergrond en context

2. Kenmerken van het COHO

2.1 Staatkundige context

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat bij wet het COHO in het leven wordt geroepen. Anders dan in eerdere voorstellen aan de orde was, wordt aan het COHO geen rechtspersoonlijkheid toebedeeld. Van welke rechtspersoon is het COHO een orgaan?

2.2 Grondslag

2.3 Rechtsvorm

2.4 Samenstelling en benoeming

3. Werkwijze

3.1 Landspakket, uitvoeringsagenda en plannen van aanpak

3.2 Hervormen en investeren, de thema’s uit de landspakketten

3.3 Taken en bevoegdheden

3.3.1 Ondersteuning hervormingen door het COHO

3.3.2 Toezicht

3.4 Financiële gevolgen

3.5 Effectiviteit

4. Rechtsbescherming

5. Gegevensbescherming

II. Artikelsgewijs deel

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

Hoofdstuk 2. Het Caribisch orgaan voor hervorming en ontwikkeling

Artikel 2

Artikel 3

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 6

Kern van het voorstel betreft de totstandkoming en uitvoering van landspakketten. Een landspakket wordt overeengekomen tussen het COHO en elk van de landen.

In artikel 6, eerste lid is de verplichting opgenomen om periodiek een uitvoeringsagenda vast te stellen. Blijkens het vierde lid kan de Minister van Binnenlandse

Zaken en Koninkrijksrelaties aan het COHO een aanwijzing geven met betrekking tot de eisen die het COHO moet stellen aan de uitvoeringsagenda.

Acht de regering het in overeenstemming met de beginselen van gelijkwaardigheid en autonomie die in het Statuut als uitgangspunt worden genomen, dat de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op die wijze kan afdwingen dat een land met vanuit Nederland gestelde eisen akkoord zal moeten gaan wil het tot een uitvoering van het landspakket kunnen komen?

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 9

Uit artikel 9, vierde lid blijkt dat de meerderheid van de leden van het COHO bestaat uit personen die gekozen konden worden uit door “onze Minister’ van Binnenlandse

Zaken en Koninkrijksrelaties opgestelde ‘benoembare kandidaten’. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van Nederland heeft dus een bepalende invloed op wie tot het COHO als leden kunnen toetreden. Acht de regering dit in overeenstemming met het uitgangspunt dat aan Nederland en de landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten binnen het Statuut een gelijkwaardige positie toekomt, te meer nu uit artikel 12 volgt dat bij meerderheid van stemmen wordt besloten, wat betekent dat de door de minister voorgedragen twee bestuursleden niet overruled kunnen worden door het lid dat door de landen is voorgedragen? Zo nee, waarom niet?

Artikel 10

Artikel 11

Artikel 12

Artikel 13

Artikel 14

Artikel 15

In artikel 15 is aan de Minister van Binnenlandse

Zaken en Koninkrijksrelaties de exclusieve bevoegdheid gegeven om beleidsregels te stellen. Daarop kunnen de regeringen van de landen geen invloed uitoefenen. Acht de regering dit in overeenstemming met het uitgangspunt dat aan Nederland en de landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten binnen het Statuut een gelijkwaardige positie toekomt?

Artikel 16

Artikel 17

Artikel 18

Artikel 19

Artikel 20

Artikel 21

Hoofdstuk 3. Middelen en steun

Artikel 22

Artikel 23

Hoofdstuk 4. Bevoegdheden

Artikel 24

Artikel 25

Artikel 26

Artikel 27

In artikel 27, eerste lid is een sanctiebevoegdheid aan het COHO toegekend. Deze bevoegdheid mag worden aangewend indien “naar het oordeel van het COHO” de in die bepaling omschreven gevallen zich voordoen. Door het gebruik van de term “naar het oordeel van” wordt aan het COHO een grote mate van vrijheid gegeven, die ertoe leidt dat de rechtsbescherming tegen het gebruik van die vrijheid geminimaliseerd wordt.

Waarom acht de regering dit nodig? Is het uit een oogpunt van rechtszekerheid en in het licht van de beginselen van gelijkwaardigheid en autonomie die in het Statuut als uitgangspunt gelden niet juister om de term “naar het oordeel van” te schrappen?

Artikel 28

In de toepasselijke voorschriften van de Wet financieel toezicht wordt aan de Kroon, dus een bestuursorgaan van Nederland, de mogelijkheid gelaten om in de daar aangegeven gevallen af te wijken van het oordeel van de Raad van State. Is de regering het met de leden van Partij voor de Dieren-fractie eens dat hieruit kan worden afgeleid dat bij een geschil tussen Nederland en één van andere landen binnen het Koninkrijk, uiteindelijk Nederland een beslissende stem zal kunnen hebben? Zo nee, waarom niet? Verdraagt zich dit met de beginselen van gelijkwaardigheid en autonomie die in het Statuut als uitgangspunt worden genomen?

In artikel 28 is wat betreft de rechtsbescherming Kroon-beroep geopend met toepasselijkheid van de regeling in de artikelen 26 en 27 van de Rijkswet financieel toezicht.

a. Waarom is in artikel 28 niet gekozen voor een beroep de rechter?

b. Waarom is niet gekozen voor mediation?

c. Waarom is niet overwogen om – gelet op de beginselen van gelijkwaardigheid en autonomie – de beslechting van een geschil in handen te leggen van arbiters die door de partijen worden benoemd in plaats van beslechting door de Kroon, dus een bestuursorgaan van één van de partijen bij het geschil?

Artikel 29

Artikel 30

Artikel 31

Artikel 32

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Artikel 33

Artikel 34

Artikel 35

III. Nota van wijziging

IV. Tweede nota van wijziging