Inbreng verslag Wijziging van de Wet op de dier­proeven


18 september 2013

Inbreng verslag Partij voor de Dieren over de Wijziging van de Wet op de dierproeven in verband met implementatie van richtlijn 2010/63/EU

Inleiding

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het voorstel tot wijziging van de Wet op de dierproeven (Wod) in verband met de implementatie van de gewijzigde Europese Dierproevenrichtlijn (2010/63/ EU). Deze leden merken op dat Nederland de afgesproken uiterste implementatiedatum niet heeft gehaald. Kan de regering toelichten hoe dat zo gekomen is? De leden van de Partij voor de Dieren hebben de regering, bij monde van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, tot voor kort verantwoordelijk voor dierproeven in Nederland, eerder gevraagd naar de bemensing op deze portefeuille. Deze leden vroegen de regering of er voldoende menskracht en (continuïteit in) expertise op het ministerie aanwezig was, niet alleen om de wetswijziging voor te bereiden maar ook om de ontwikkelingen op dit gebied bij te kunnen benen. De minister antwoordde dat de Kamer zich geen zorgen hoefde te maken. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat er wel degelijk vertraging is ontstaan, die mogelijk te maken had met een gebrek aan menskracht en/of continuïteit. Wat kan de regering daarover zeggen en kan zij toelichten hoe zij de expertise op het gebied van dierproeven en proefdieren borgt op haar ministerie?

In dit verband willen de leden van de Partij voor de Dieren-fractie een opmerking maken over de keuze die de regering heeft gemaakt om de bestaande Wet op de dierproeven te wijzigen, in plaats van integraal te vervangen door een nieuwe wet. De regering schrijft hierover in de Memorie van Toelichting dat de huidige wet diverse nationale bepalingen kent waarvan het wenselijk is dat die gehandhaafd blijven. Daar zijn de leden van de Partij voor de Dieren-fractie het zeer mee eens, maar deze bepalingen hadden ook een plaats kunnen krijgen in een nieuwe wet. De regering schrijft bovendien dat ze bij haar keuze de omstandigheid mee heeft laten wegen dat de richtlijn eind 2012 geïmplementeerd had moeten zijn en dat het vaststellen van een geheel nieuwe wet voor extra vertraging in het implementatieproces had kunnen leiden. Dat kan waar zijn, maar als tijdig gestart zou zijn met de implementatie had een geheel nieuwe wet toch tot de reële opties behoord? De leden van de fractie van de PvdD betreuren het dat dit niet is gebeurd. Het wetsvoorstel omvat nu een ingrijpende wijziging van de bestaande Wet op de dierproeven, waardoor deze slecht leesbaar is geworden. Erkent de regering dit en hoe beoordeelt zij de gevolgen daarvan voor de toepassing van de wet in de praktijk?

Verder wijzen de leden van de fractie van de PvdD op de evaluatie van de Wet op de dierproeven die in 2005 is uitgevoerd –de eerste evaluatie van de wet sinds haar totstandkoming in 1977. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hechten veel waarde aan het werk van de evaluatieonderzoekers. Deelt de regering die waardering? De Partij voor de Dieren vraagt zich af waarom de uitkomsten van de evaluatie niet samen met de implicaties van de gewijzigde richtlijn in samenhang zijn bekeken. Daarover valt althans niets te lezen in het voorliggende wetsvoorstel. Kan de regering toelichten of, en zo ja, op welke wijze, de lessen en aanbevelingen van de evaluatie zijn betrokken bij het voorstel tot herziening van de Wod?

Voorstel van Wet

De projectvergunning

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren willen graag nadere vragen stellen over de vergunningverlening. De regering schrijft dat de Centrale Commissie Dierproeven (CCD) wordt belast met de vergunningverlening. De CCD wordt met dit wetsvoorstel onder de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen geplaatst. De regering maakt echter een uitzondering voor artikel van deze wet, op basis waarvan besluiten van de CCD vernietigd zouden kunnen worden door de Minister van Economische Zaken. De argumenten die de regering hiervoor aanvoert, overtuigen de leden van de PvdD-fractie niet. Deze leden vragen zich af wat de regering bedoelt met de stelling dat het vernietigingsrecht zich niet verhoudt met de aard van de werkzaamheden die de CCD moet verrichten, graag een reactie. De regering schrijft dat de beoordelingscriteria aan de hand waarvan projectvoorstellen worden beoordeeld, een niet beoogd karakter kunnen krijgen. Dat wekt verbazing. De criteria dienen juist eenduidig te worden vastgesteld, kan de regering dat beamen? Niet de (wettelijke) bepaling, maar de toepassing van de criteria wordt de taak van het CCD. In de evaluatie van de Wod hebben we al kunnen lezen dat met name de wettelijk verplichte ethische toetsing niet goed uit de verf kwam bij de dierexperimentencommissie die daarvoor waren aangesteld. Opvattingen over de omgang met dieren en de weging van belangen veranderen in de samenleving en die veranderingen zouden hun weerslag moeten hebben in de toepassing van de criteria en de ethische toetsing van proefdieronderzoek. Kan de regering dat onderschrijven? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe wordt dat geborgd binnen de CCD en waarom zou de Minister niet de mogelijkheid mogen hebben om in uiterste gevallen een besluit te vernietigen?

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren zijn blij dat de Wod met het voorliggende wetsvoorstel beter aansluit bij de normen voor openbaarheid van bestuur. Uit de evaluatie in 2005 bleek immers al dat er geen rechtvaardiging aan te voeren was voor de uitzonderingspositie voor de Wod, waardoor er geen of nauwelijks openbaarheid hoefde te worden betracht ten aanzien van besluiten over dierproeven. Zoals toen ook al bleek, bevat de Wet openbaarheid van bestuur voldoende waarborgen om de privacy van betrokken onderzoekers alsmede bedrijfsgevoelige informatie te beschermen, dus deze stap had de regering al veel eerder kunnen maken. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren onderschrijven het belang van privacy en nemen afstand van de telkens terugkerende suggestie dat meer openbaarheid over dierproeven de privacy van personen zou aantasten. Bovendien maken deze leden bezwaar tegen de stelling van de regering dat personen die betrokken zijn bij het verrichten van dierproeven een maatschappelijke taak uitoefenen en het risico lopen slachtoffer te worden van activisme. Activisme vormt onderdeel van fundamentele burgerrechten in een democratische samenleving en maakt geen slachtoffers. Als de regering doelt op gewelddadig activisme moet ze die term ook gebruiken. Daar komt bij dat het verrichten van dierproeven niet per definitie als een maatschappelijke taak kan worden gezien. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen de regering deze zinsnede dan ook te schrappen uit de Memorie van Toelichting.

Projectbeoordeling

De leden van de PvdD-fractie constateren dat de regering schrijft dat in de projectbeoordeling ethische aspecten een voorname rol spelen en dat om die reden in artikel 18 is opgenomen dat bij de beoordeling van projectvoorstellen ‘ook rekening moet worden gehouden met expertise op het gebied van ethiek’. Kan de regering toelichten wat zij daarmee bedoelt? De ethische toetsing van dierproeven is en blijft toch een wettelijke verplichting die verder gaat dan ‘rekening houden met’? Graag een reactie.

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren maken zich zorgen over de mogelijkheid om een projectvergunning onder voorwaarden te verlenen. De regering schrijft dat dat mogelijk is wanneer één of meerdere dierproeven die onderdeel zijn van een project niet of onvoldoende gedetailleerd zijn beschreven. Je kunt dus een vergunning krijgen voor een project waarin dierproeven worden uitgevoerd, zonder dat vooraf duidelijk is wat precies het belang is van de betreffende proeven en of het leed dat de dieren wordt toegebracht wel opweegt tegen dat vermeende belang. Kan de regering die uitleg bevestigen? En kan de regering uiteenzetten hoe het traject verloopt als de betreffende dierproeven in een later stadium alsnog beschreven worden? Hoeveel ruimte zullen DEC en CCD voelen om een dierproef af te wijzen als het project waarbinnen het wordt uitgevoerd al gevorderd is, een probleem waar de huidige DEC’s juist mee zeggen te worstelen? Hoe garandeert de regering dat de toetsing van deze dierproeven niet wordt belast met de druk van een reeds gestart project, waarvoor al investeringen zijn gedaan en waarbij een negatief besluit op de aanvraag voor een dierproef het project ernstig zou kunnen schaden?

De regering schrijft dat voordat dierproeven worden uitgevoerd binnen een project waarvoor een vergunning is verleend zonder voorwaarden, de uitvoering daarvan eerst moet worden afgestemd met de instantie voor dierenwelzijn (artikel 10a3). De leden van de PvdD-fractie willen graag weten wat er precies wordt bedoeld met ‘afstemming’? Heeft de instantie voor dierenwelzijn de bevoegdheid om, als de voorgestelde uitvoering van de dierproef naar haar oordeel niet in orde is, de proef tegen te houden? Kan de regering schetsen welke scenario’s de nu voorgestelde wet mogelijk maakt voor een meningsverschil tussen de aanvragers/onderzoekers en de instantie voor dierenwelzijn over de uitvoering van de proef? En wat zijn de mogelijke scenario’s die volgen op de melding die bij het CCD moet worden gedaan als de uitvoering van een dierproef is gewijzigd? Kan het CCD van mening zijn dat in het geval van de gewijzigde proef de adviserende DEC opnieuw om haar oordeel moet worden gevraagd? Kan de CCD besluiten om de verleende vergunning in te trekken als de situatie is gewijzigd? Graag een toelichting.

Opmerkelijk is dat de regering erkent dat er tussen het verlenen van de projectvergunning en het starten van de dierproeven technische en wetenschappelijke ontwikkelingen kunnen plaatsvinden die een reden kunnen zijn om een dierproef op een andere wijze uit te voeren. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren zijn dat met de regering eens. Maar deze leden willen ook nadrukkelijk wijzen op de mogelijkheid dat na het verlenen van de projectvergunning zich ontwikkelingen kunnen voordoen die de hele dierproef overbodig maken. Is de regering het met de leden van de PvdD-fractie eens dat een keuze voor proefdiervrij onderzoek te allen tijde gemaakt moet kunnen worden, en naar de bedoeling van de wet zelfs verplicht is aangezien het verboden is een dierproef te verrichten als daar een alternatief voor bestaat? Hoe voorzien de bepalingen in de wet dat dit in de praktijk ook daadwerkelijk wordt nageleefd?

Nationaal Comité

Artikel 19 van de gewijzigde wet regelt dat er een Nationaal Comité wordt ingesteld voor de bescherming van dieren die worden gebruikt voor wetenschappelijke doeleinden, op grond van artikel 49 van de richtlijn. De leden van de fractie van de PvdD hebben enkele vragen over het comité. Kan de regering aangeven welke selectiecriteria ze zal hanteren voor de benoeming van leden van het comité? Wat wordt de verhouding tussen het Nationaal Comité en het Nationaal Kenniscentrum Alternatieven voor Dierproeven? Hoe moet de in lid 2, sub b beschreven ‘verspreiding van beste praktijken’ worden begrepen? Wordt onder ‘beste praktijken’ ook kennis over proefdiervrije technieken verstaan? Zo nee, waarom niet?
Graag willen de leden van de PvdD-fractie weten hoe de formulering van artikel 19, lid 1 zich verhoudt tot de bepalingen in artikel 1b? Artikel 19 regelt immers dat het Nationaal Comité wordt ingesteld voor de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt, waar artikel 1b bepaalt dat de voorliggende wet van toepassing is op dieren die voor wetenschappelijke of onderwijskundige doeleinden worden gebruikt, of worden gebruikt of bestemd zijn om te worden gebruikt in dierproeven of speciaal worden gefokt zodat hun organen of weefsels voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie menen dat het de bedoeling van de regering is om de taken van het Nationaal Comité betrekking te laten hebben op alle dierproeven zoals die worden verstaan onder de wet. Kan de regering dat bevestigen en kan zij nader toelichten hoe de formulering in artikel 19 begrepen moet worden in relatie tot de bepalingen in artikel 1b, lid 1? En hoe verhoudt de oprichting van een nationaal comité zich tot de bepalingen in artikel 1b, lid 7? De leden van de Partij voor de Dieren-fractie begrijpen uit de richtlijn dat de taken van het nationale comité betrekking moeten hebben op alle praktijken waarin sprake is van diergebruik voor wetenschappelijke doeleinden. Wordt met de nu voorgestelde bepalingen in artikel 1b, lid 7 het door de richtlijn voorgeschreven mandaat van het nationaal comité niet ingeperkt? Dat is in de ogen van de leden van de Partij voor de Dieren-fractie onwenselijk.

Instantie voor dierenwelzijn

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vragen de regering duidelijkheid te verschaffen over de positie van de Instantie voor Dierenwelzijn (IvD), die iedere fokker, leverancier of gebruiker van proefdieren moet instellen. Zijn de personen die zitting krijgen in de IvD in dienst van de betreffende inrichting of het bedrijf waar deze IvD wordt ingesteld? Welk mandaat krijgen de Instanties voor Dierenwelzijn, kan de regering schetsen wat de handelingsperspectieven van de IvD zijn op het moment dat zij oordeelt dat een bepaalde proef teveel schade toebrengt aan het welzijn van de dieren? Hoe zou het proces kunnen verlopen op het moment dat de IvD een misstand constateert, krijgt de instantie dat eerst zelf te horen voordat melding wordt gedaan bij de CCD en/of NVWA? Moet de IvD aan het bestuur van de instantie waar zij is ingesteld laten weten dat zij melding heeft gedaan bij CCD en/of NVWA? Is de regering het met de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren eens dat intern toezicht zoals dat wordt belegd bij de IvD de waarborg moet hebben dat meldingen van misstanden in vrijheid moeten kunnen plaatsvinden, zowel intern als extern? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom is dat niet geborgd in de wet?

De regering schrijft dat de richtlijn de mogelijkheid biedt om toe te staan dat kleine fokkers, leveranciers en gebruikers geen IvD instellen. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren zijn geen voorstander van deze uitzonderingsmogelijkheid. Kan de regering zeggen of zij van plan is uitzonderingen te maken voor deze groep proefdierfokkers, -gebruikers en –leveranciers? Gaat IvD ook toezien op de registratie van het aantal dieren dat jaarlijks in of vanuit de instelling wordt gefokt, verhandeld, gebruikt of gedood? Zo nee, waarom niet?

Artikelsgewijze toelichting

De leden van de PvdD-fractie vragen de regering om toe te lichten wat in artikel 1b, lid 7 wordt bedoeld met ‘niet-experimentele landbouwpraktijken’(sub a) en ‘praktijken ten behoeve van de reguliere dierhouderij’ (sub d)? Waarom wordt in artikel 1b, lid 7 sub c, bepaald dat ‘experimenten in de klinische diergeneeskunde die nodig zijn voor een vergunning voor het in de handel brengen van een diergeneesmiddel’ niet onder de werking van de Wod vallen? De regering kan toch niet bedoelen dat proefdieren wettelijke bescherming van de Wod genieten als er op hen wordt geëxperimenteerd ten behoeve van middelen voor de mens, maar deze bescherming moeten ontberen als er proeven op hen worden verricht ten behoeve van middelen die bestemd zijn voor dieren?

In artikel 1c wordt gesproken over dierproeven die slechts in verband met ‘fundamenteel onderzoek’ worden verricht. Kan de regering toelichten wat het verschil is met ‘wetenschappelijke doeleinden’ en in zijn algemeenheid meer helderheid verschaffen over de precieze doeleinden van experimenten waarop de wet van toepassing is? De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren merken op dat mogelijke inconsistentie in de beschrijving van de doeleinden niet bevorderlijk is voor een juiste toepassing van de wet en zien graag dat de regering voor heldere formuleringen kiest die geen beperking van de werkingssfeer van de wet met zich meebrengen ten opzichte van de huidige Wod. Graag een reactie.

Overig

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vragen zich af waar de mogelijkheid uit de huidige Wet op de dierproeven is gebleven om ongewervelden onder de WOD te brengen bij of krachtens Amvb. Kan de regering toelichten of die mogelijkheid in het nieuwe wetsvoorstel gehandhaafd blijft, en waar dit dan wordt bepaald?

De nieuwe Wod biedt de mogelijkheid om proefdieren na de experimenten die op hen zijn verricht te laten adopteren door particulieren. Kan de regering uiteenzetten hoe en wanneer zij dit verder gaat uitwerken?