Inbreng Verslag Wijziging van de Natuur­be­scher­mingswet 1998 (program­ma­tische aanpak stikstof)


5 september 2013

Inbreng Verslag Wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 (programmatische aanpak stikstof)

Algemeen

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben met stijgende verbazing kennis genomen van het wetsvoorstel Wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 (programmatische aanpak stikstof). Zij hebben kritische vragen over het voorstel, dat niet de bescherming van natuur centraal stelt, maar de ontwikkeling van veefabrieken. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie wijzen de regering op de waarde van natuur en de plicht haar te beschermen en vinden het van groot belang dat de stikstofdeken die de Nederlandse natuur verstikt wordt opgelost. De leden menen dat de regering het tegenovergestelde bereikt met de Wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 (programmatische aanpak stikstof) omdat een theoretische daling van de stikstofdepositie wordt opgevuld met werkelijke stikstofdepositie zonder borging dat de depositie daadwerkelijk zal dalen. Daarmee wordt niet alleen de natuurbeschermingswet uitgehold, maar maakt de regering ook juridisch drijfhout van de wet. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie stellen voor om de programmatische aanpak stikstof in te trekken, echte duidelijkheid te scheppen voor natuur en ondernemers die te maken hebben met vergunningen in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998. Indien de regering deze suggestie verwerpt zouden de leden van de Partij voor de Dieren-fractie graag de toezegging krijgen dat de regering zich volledig verantwoordelijk weet voor het falen van het voorgestelde beleid, de onnodige verdere achteruitgang van de natuur, de onzekerheid waarin ondernemers terecht zullen komen en de juridische problemen rond de vergunningverlening die met deze aanpak zullen blijven voortbestaan. Is de regering bereid om het eerlijke verhaal te vertellen aan de veesector, namelijk dat de nu voorgestelde aanpak opnieuw een onhoudbaar geval van pappen en nathouden betreft, en dat de onzekerheden en de problemen met de vergunningverlening niet zullen en niet kunnen worden opgelost als de veestapel (met name in de probleemgebieden) niet krimpt, opdat iedereen waar hij aan toe is? Zo neen, waarom kiest de regering ervoor om de om de problemen in stand te houden?


1. Inleiding

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie onderschrijven het belang van het verbeteren van de water- en milieucondities. De doel van een natuurbeschermingswet zou zich moeten beperken tot het beschermen van de natuur en niet het afbreken daarvan. Door economische ontwikkeling als doel te nemen voor de natuurbeschermingswet wordt achteruitgang van de natuur in sommige gevallen juist bevordert door de natuurbeschermingswet. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vinden achteruitgang van de natuur een aantasting van het algemeen belang, maar dat dit door de natuurbeschermingswet wordt afgedwongen maakt dit extra schrijnend.

Het doel van de Natuurbeschermingswet zou moeten zijn dat de doelen die in 1979 en 1990 zijn overeengekomen in internationaal verband om een minimale vorm van natuurbescherming in elk land af te dwingen te realiseren. Met dit voorstel wordt het realiseren van de doelen juist verder uitgesteld of afgesteld omdat de door autonome ontwikkelingen eventueel lagere stikstofdepositie meteen wordt verdeeld onder vervuilende activiteiten, waardoor de natuur trager herstelt en in sommige gevallen zelfs verder achteruit blijft gaan. De noodzakelijke zekerheid dat met de PAS op termijn de instandhoudingsdoelen worden gehaald wordt niet gegeven. In 2030 wordt nergens – buiten de Waddeneilanden – de kritische depositiewaarde noodzakelijk voor langdurig behoud van depositiegevoelige vegetatietypen gehaald en op sommige plekken is de depositie zo groot dat onwaarschijnlijk is dat dit met plaatselijke beheer- en herstelmaatregelen in natuurterreinen kan worden ondervangen. Maximale inzet op natuurherstel is noodzakelijk. Ontwikkelingsruimte aan activiteiten die stikstofdepositie met zich brengen kan dus niet worden gegeven. Waar baseert de regering op dat er ontwikkelingsruimte te verdelen valt, in juridische of in werkelijke zin?

De leden merken daarbij op dat het terugbrengen van de stikstofdepositie een verbetering is van de milieucondities met betrekking tot stikstof, maar dat het verbeteren van de watercondities niet zozeer bijdraagt aan het verminderen van de stikstofdepositie, maar het effect van deze depositie vermindert. Onderschrijft de regering dit onderscheid? Zo ja, waarom is het herstellen van de watercondities dan een doelstelling van de problematische aanpak stikstof? Zo nee, waarom niet?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat de regering vasthoudt aan het mogelijk maken van economische ontwikkelingen en op termijn realiseren van de doelstellingen voor Natura-2000 gebieden. Economische ontwikkelingen zijn klaarblijkelijk belangrijker dan het realiseren van de natuurdoelen en het tegengaan van het verlies van biodiversiteit. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat economische ontwikkelingen weer onderschikt worden gemaakt aan het prestigeproject van de regering om 130 km/u te mogen rijden op stukjes snelweg. Op basis van welke criteria is de regering tot deze keuze gekomen? Op welke termijn zal de regering de natura 2000 doelstellingen hebben gehaald? Kan de regering aangeven welke economische ontwikkelingen in elk geval via de reservering worden opgenomen als economische ontwikkelingen en welk effect het toestaan van deze ontwikkelingen heeft op de berekende termijn van het halen van de doelstellingen voor de natura 2000 gebieden?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat de doelstelling van het wetsvoorstel economische ontwikkeling behelst. Tevens wordt een reservering opgenomen om op snelwegen maximum snelheid te verhogen naar 130 km/u. Deze verhoging zou dus gezien moeten worden als economische ontwikkeling. Kan de regering kwantificeren van de bijdrage aan de economische ontwikkeling is van het verhogen van de maximumsnelheid? Zelfs als de algemene maatregelen daadwerkelijke stikstofdepositie zullen verlagen, hetgeen de leden van de Partij voor de Dieren-fractie zeer betwijfelen, dan nog zal de ontwikkelingsruimte beperkt zijn. Diverse economische ontwikkelingen zullen daarom niet vergunbaar zijn, omdat de ontwikkelingsruimte opgesoupeerd is door de verhoging van de maximumsnelheid. Kan de regering inzichtelijk maken wat het netto effect op de economie is van de reservering voor de verhoging van de maximumsnelheid en welke economische ontwikkelingen vermoedelijk het slachtoffer worden van de racementaliteit van de regering?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie missen een toets van het voorstel van de regering aan de Kaderrichtlijn Water (KRW). Het voorstel van de regering zoekt de grenzen op van de habitatrichtlijn en gaat er naar de mening van de leden overheen. Eenmaal vergunde ruimte kan niet zonder meer herroepen worden en de daarmee gepaarde vervuiling kan ook effect hebben op de waterkwaliteit en de doelen van de KRW. Hoe sluit de regering uit dat met onder de PAS vergunde vervuilingsruimte de doelen van de KRW onmogelijk maakt?


2. Voorgestelde wijzigingen

2.1 Opname van gebieden bij de vaststelling van het programma

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie nemen kennis van het besluit van de regering om af te zien van gefaseerde besluitvorming. De regering stelt dat het gros van Natura 2000 gebieden waarbij stikstofbelasting een probleem is in het programma zal zijn opgenomen. Deze formulering laat ruimte over of dit voor alle gebieden geldt. Is het juist dat er gebieden uitgezonderd gaan worden en zo ja, op welke gronden wordt bepaald of dit voor een gebied niet geldt?

2.2 Ontwikkelingsruimte

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat de regering het gebruik van het ICT-instrument AERIUS voorschrijven om te beoordelen of projecten een significant effect hebben. De leden vragen zich terzijde af hoeveel van de werknemers in het AERIUS project zijn ecoloog? De leden menen dat juistheid van de stikstofdepositieberekeningen vooral afhankelijk zijn van het correct inschatten van de stikstofemissie die een project met zich meebrengt. Deze inschatting blijkt in de praktijk zeer moeizaam. Hoewel gemiddelde emissie redelijk valt in te schatten is het op lokaal niveau nog niet met zekerheid in te schatten. Hoe houdt de regering rekening met deze grote onzekerheden van de stikstofemissie tegen de achtergrond van het zich verzekeren van het op termijn halen van de instandhoudingsdoelen en het voorkomen van elke vorm van verslechtering?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie lezen graag op welke wijze de minister van Economische Zaken en de minister van Infrastructuur en Milieu de regels voor het bepalen van de omvang van de ontwikkelingsruimte gaan invullen. Hoe denkt de regering ontwikkelingsruimte te kunnen bepalen terwijl de stikstofdepositie al jaren niet meer daalt en de depositie hoger ligt dan de instandhoudingdoelen kunnen verdragen? Waar komt die depositieruimte vandaan? Welk nieuw beleid dat wel effectief zal zijn denkt de regering te ontwikkelen bovenop het staande beleid dat niet in staat is gebleken de stikstofdepositie te doen dalen? Hoe ziet de regering in dit licht het loslaten van de melkquota waardoor de verwachte ontwikkelingen eerder een groei van stikstofdepositie met zich meebrengen dan een autonome daling?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat de regering het toedelen van ontwikkelingsruimte ziet als een onderdeel van het toestemmingsbesluit en niet als een afzonderlijk besluit. Hoe ver kan de rechterlijke toetsing gaan op het toestemmingsbesluit? Kan daarbij de robuustheid van AERIUS, de gunstige staat van de instandhoudingsdoelen en uiteindelijk de Vogel en habitatrichtlijn betrokken worden?

De leden constateren voorts dat de regering ervan uitgaan dat de provincies en het Rijk afstemmen over het toedelen van de ontwikkelingsruimte. De leden menen dat dit onvoldoende garandeert dat er niet teveel ontwikkelingsruimte wordt verdeeld. Hoe waarborgt de regering dat de verschillende besturen niet parallel dezelfde ontwikkelingsruimte verdelen?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn verbijsterd dat de regering van plan is ontwikkelingsruimte toe te bedelen voorafgaand aan het treffen van maatregelen. Dit maakt het mogelijk dat de depositie toeneemt en er verslechtering van de natuur optreedt. De effectiviteit van de maatregelen moet zich in de praktijk bewijzen. Hoe garandeert de regering de effectiviteit van de maatregelen terwijl de onzekerheid over stikstofemissie lokaal 70% is, voordat de maatregelen uitgevoerd zijn? De leden menen met de adviescommissie voor de MER dat gelet op de slechte toestand van de natuur in Nederland

het voor de hand zou liggen dat het met het behalen van de instandhoudingsdoelstelling samenhangende natuurherstel eerst wordt aangetoond voordat economische ontwikkelingen met negatieve effecten op natuur worden toegestaan. Waarom wijkt de regering af van het voorzorgsprincipe? Hoe verhoudt zich het toestaan van activiteiten die een negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelen met het verslechteringverbod in de Habitatrichtlijn? De leden zijn niet gerustgesteld door de opmerking van de regering dat het mogelijk is, wanneer maatregelen onvoldoende effect hebben, om de ontwikkelingsruimte te verminderen. Wat gaat de regering doen wanneer blijkt dat de ontwikkelingsruimte op gegeven moment al op blijkt en de maatregelen onvoldoende zijn?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen zich af of de benaming prioritaire projecten juist gekozen is. De prioritaire projecten zijn vaak grote infrastructurele projecten, waarvan de stikstofemissie zal plaatsvinden op het moment dat de infrastructuur gebruikt wordt. Hiervoor moet dan gebruik gemaakt worden van de ontwikkelingsruimte. Deze ontwikkelingsruimte wordt toebedeeld met het toestemmingsbesluit. Als echter vele kleinere projecten tussen het toestemmingsbesluit en ingebruikname worden gerealiseerd. En deze vele kleine projecten eveneens gebruik maken van de ontwikkelingsruimte en de maatregelen vallen tegen, dan zal de ontwikkelingsruimte worden verkleind, kn in dat stadium het prioritaire project alsnog stil komen te liggen? Zo nee, hoe kunnen dan de instandhoudingsdoelen nog worden gehaald als meer dan de ontwikkelingsruimte wordt verdeeld? Zo ja, waarom spreekt de regering dan van prioritaire projecten? De mogelijkheid om reservering in te bouwen ondervangt slechts een deel van het risico, maar niet volledig omdat er in de praktijk nog moet blijken of er überhaupt ontwikkelingsruimte te verdelen valt. De regering wil immers de reservering voor projecten die niet zullen worden uitgevoerd in de planperiode laten vervalen en verdelen over projecten in die planperiode.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn met de regering van mening dat het cruciaal is dat de registratie zorgvuldig is en reservering in acht worden genomen. De leden zijn daarom verbaasd dat de regering niet meer doet dan een zorgplicht instellen voor provincie en gemeentebesturen. De regering geeft aan dat dit voldoende borging is verwijzend naar de mogelijkheden van de Wet Interbestuurlijk Toezicht. De leden menen dat dit volstrekt onvoldoende is om een goede registratie te borgen. Het betreft hier namelijk het actief verstrekken van informatie. Als besturen in gebreke blijven is dus informatie niet bekend bij het ministerie. Het ministerie kan dus niet weten dat zij gebruik moet maken van de instrumenten van de Wet Interbestuurlijk Toezicht. Hoe denkt de regering dat het ministerie aan de informatie komt om handelend op te kunnen treden bij slechte registratie van de toebedeelde ontwikkelingsruimte? Is de regering van mening dat minimaal steekproefsgewijs controle moet worden uitgeoefend op de juistheid van de registratie? Zo nee, waarom niet?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie begrijpen uit de Memorie van Toelichting dat de depositieruimte ruimte is die ontstaat door daling van de stikstofdepositie. In ruim 60% van alle gebieden is de depositie nu al ver boven de kritische depositieruimte. Waarom definieert de regering de depositieruimte niet als de ruimte tussen de werkelijke depositie waarde tot de kritische depositiewaarde, maar niet hoger dan de kritische depositiewaarde? Welke wetenschappelijke onderbouwing heeft zij hiervoor? Wat is de relatie tussen de depositieruimte en de ontwikkelingsruimte? Hoeveel depositieruimte wordt gereserveerd voor herstel van natuur?

2.3 Wijziging maatregelen

De leden van de Partij voor de Dieren fractie constateren dat bij een tussentijdse wijziging van de opgenomen maatregelen met negatieve effecten op de ontwikkelingsruimte in een Natura 2000 gebied de bevoegde gezagen betrokken worden. Hoe wil de regering dit betrekken vormgeven? Hebben de bevoegd gezagen meer dan de mogelijkheid om hun bedenkingen te uiten? Indien zij een vetorecht hebben, hoe voorkomt de Regering een bestuurlijke impasse?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vrezen willekeur door de minister van Economische Zaken en de minister van Infrastructuur en Milieu de mogelijkheid te geven te kiezen voor ofwel een openbare voorbereidingsprocedure ofwel een snelle reguliere besluitvormingsprocedure bij het tussentijds wijzigen van de opgenomen maatregelen met negatieve effecten op de ontwikkelingsruimte in een Natura 2000 gebied op basis van de criteria ingewikkeldheid en aanwezigheid van tegengestelde belangen. De aanwezigheid van tegengestelde belangen is voortdurend aanwezig omdat ontwikkelingsruimte feitelijk vervuilingruimte is die ten koste gaat van de natuur. De leden veronderstellen dat de regering dus bedoelt dat er veel tegengestelde belangen zijn. De ministers mogen dus twee volstrekt kwalitatieve beoordelingen maken van vage begrippen als ingewikkeldheid en veel aanwezigheid van tegengestelde belangen. Waarom kiest de regering niet standaard voor een openbare voorbereidingsprocedure?

2.4 Verhouding tussen programma en beheerplan

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat de regering van plan is de vaststelling van het programma door de ministers van Economische Zaken en van Infrastructuur en Milieu, in overeenstemming met de bestuursorganen die voor de in het programma opgenomen Natura 2000-gebieden het beheerplan vaststellen of daarbij moeten worden betrokken, te laten plaatsvinden. Daarmee zou voldoende zijn gewaarborgd dat het programma zal doorwerken bij de vaststelling van het beheerplan voor een Natura 2000-gebied. Op welke wijze wil de regering de bevoegde gezagen betrekken bij de besluitvorming?

2.5 Grenswaarde

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie menen dat de regering zichzelf tegenspreekt in de onderbouwing de grenswaarde. Terecht constateert de regering dat er zoveel overbelaste natuurgebieden zijn in Nederland dat elke toename van de stikstofdepositie een passende beoordeling noodzakelijk maakt. Dat is geen overdreven maatregel, want de biodiversiteit holt hard achteruit en Nederland herbergt nog maar 15% van de oorspronkelijke biodiversiteit. Door de hoge stikstofdepositie is er geen mogelijkheid tot herstel en is achteruitgang nog steeds aan de orde. De regering wil de passende beoordeling niet maken vanwege de kosten, maar wel de vervuilende activiteiten toelaten. Enerzijds constateert de regering dat een passende beoordeling nodig is, anderzijds kondigt zij aan dat er eigenlijk geen echte passende beoordeling wordt gemaakt. Immers wordt vooraf de grenswaarde aan een passende beoordeling onderworpen. Is het waar dat een specifiek project waarvoor alleen stikstofdepositie een probleem is, maar onder de grenswaarde valt dan geen individuele passende beoordeling gericht op het specifieke project hoeft te maken? Hoe valt dit te verenigen met het de Habitatrichtlijn?

De leden constateren voorts dat de regering meent dat voor projecten die geen andere effecten op de instandhoudingdoelen hebben dan stikstofdepositie en onder de grenswaarden vallen niet vergunningplichtig zijn, gelet op de eisen van de Habitatrichtlijn. Hoe is het mogelijk dat voor alle andere effecten de habitatrichtlijn geen ruimte biedt om vergunningvrij te zijn, maar dat voor stikstofdepositie, in veel gevallen het grootste probleem voor de instandhoudingsdoelen, dat wel kan?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn benieuwd hoe de registratie van depositie onder de grenswaarde plaatsvindt. Omdat er geen bevoegd gezag is voor het verlenen van de vergunning, welke instantie heeft de zorgplicht om de depositie onder de grenswaarde op te nemen in AERIUS? De kleine projecten nemen geen ontwikkelingsruimte op, maar depositieruimte die vrijkomt op basis van de verwachte daling van de stikstofdepositie. Mocht de depositie juist stijgen in plaats van dalen of gelijk blijven. Wat betekent dit voor de kleine projecten?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn bezorgd over de intentie om de grenswaarde op 1 mol per hectare per jaar te stellen. De kritische depositiewaarde van zeer gevoelige gebieden kan onder een totaal van 500 mol per hectare per jaar liggen. Nederland ligt al jaren onder een dikke stikstofdeken en voor deze zeer gevoelige gebieden is 1 mol per jaar, zeker als er in die regio meerdere ‘kleine’ projecten gerealiseerd worden. Hoe wil de regering borgen dat vele kleine projecten niet het effect van een groot project krijgen en de instandhoudingsdoelen in gevaar brengen? De regering stelt dat monitoring zal worden ingesteld, maar op welke wijze? Hoe is geborgd dat de regering niet te laat de grenswaarde verlaagd?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie maken zich zorgen over de rechtspositie van de ondernemers die vergunningsvrij worden verklaard op basis van depositieruimte die er niet blijkt te zijn. Hoe sluit de regering uit dat als de depositieruimte tegen valt een rechter oordeelt dat ondernemers alsnog een vergunning moeten krijgen? Deze vergunning zal dan uit de ontwikkelingsruimte moeten komen, maar kan al vergeven zijn omdat de aanvraag om ontwikkelingsruimte later zal worden ingediend. Waarom zet de regering de kleine ondernemers op achterstand?


3. De effecten van het wetsvoorstel

3.1 Lasten voor burgers en bedrijven

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat de lastenverlichting die de regering ondernemers voorspiegelt volledig afhangt van de hoogte van de grenswaarde. Is in geval van tegenvallende effecten van de depositieontwikkeling ‘alles voor niets geweest’?

3.2 Bestuurlijke lasten

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat hier de verlaging van de kosten afhangt van de hoogte van de grenswaarde en daarmee de depositieruimte. Tegenvallende depositieruimte zou in dit geval niet slechts leiden tot de conclusie dat het voor niets is geweest, maar dat het alleen maar geld en energie heeft gekost. Graag een reactie.

3.3 Gevolgen voor het aantal rechtszaken

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie herhalen hun constatering dat ook voor de daling van het aantal rechtszaken afhankelijk is van de grenswaarde en daarmee de depositieruimte.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn verbaasd dat de regering geen juichverhaal over de enorme economische ontwikkeling dankzij de ontwikkelings- en depositieruimte heeft geschreven. Het wetsvoorstel heeft als doel economische ontwikkeling, maar wordt daardoor nauwelijks gemotiveerd. De sociaal economische analyse van de PAS gaat hier slechts summier op in. Hieruit blijkt wel dat de intensieve veehouderij grootschaliger zal worden. Vindt de regering dat een wenselijke ontwikkeling? Kan de regering aangeven welke economische ontwikkelingen mogelijk zullen zijn me de PAS, wat dit oplevert en welke ontwikkelingen ook met de PAS niet mogelijk zullen blijven omdat zoveel ontwikkelingsruimte naar de intensieve veehouderij gaat?


4. Artikelsgewijze toelichting

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat er veel herstelbeheer moet plaatsvinden om ontwikkelingsruimte mogelijk te maken. De ontwikkelingsruimte vloeit deels naar particuliere initiatieven. Om de ontwikkelingsruimte mogelijk te maken zijn activiteiten nodig zoals verbetering van de hydrologische situatie en het beheer, die

worden genomen door rijk, provincies, gemeenten en waterschappen. Deze maatregelen kosten geld. Hoe wordt de ontwikkelingruimte gefinancierd? Wie dragen daaraan bij? Als de maatregelen onvoldoende blijken, wie financiert eventuele benodigde extra maatregelen? Is de regering van mening dat er sprake is van een verpakte subsidie, omdat de afvalverwerking zonder bijdrage van de vervuilers wordt gerealiseerd? Is de regering bereid om een staatssteuntoets te doen voor de PAS? Wat is de bijdrage van vervuilende sectoren aan de herstelmaatregelen of mitigerende maatregelen?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie uitten hun zorgen over de opmerking van de regering dat wanneer in een toestemmingsbesluit ontwikkelingsruimte wordt toegedeeld, terwijl die ruimte niet beschikbaar is, kan de rechter het toestemmingsbesluit vernietigen. In dat geval moet er wel iemand naar de rechter stappen. De regering heeft de afgelopen jaren bijkans onmogelijk gemaakt om te procederen tegen de aantasting van natuurwaarden. De kans dat een besluit daadwerkelijk zal worden aangevochten is beperkt. Hoe voorkomt de regering dat stelselmatig ontwikkelingsruimte zal worden weggegeven die er niet is?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie menen dat het opzeggen van een reservering voor een prioritair project als in artikel 19kn lid 2 Wet Natuurbescherming 1998 niet per mededeling van de minister zou moeten kunnen. Welke zekerheid is er dat een minister daarna niet alsnog gebruik maakt van de gereserveerde ruimte die per mededeling is weggegeven?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie achtten een buffer van 10% voor tegenvallende resultaten van veel te krap. Waar baseert de regering op dat 10% een realistische buffer is?


5. Overige

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zien de pogingen van de provincie Overijssel (en Noord-Brabant) om PAS-achtige oplossingen om ontwikkelingsruimte toe te bedelen die er niet is. Waarop baseert de regering de verwachting dat de PAS niet eenzelfde lot zal ondergaan?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie menen dat de Natura 2000 instandhoudingsdoelen minimale doelstellingen zijn voor het goed functioneren van de natuur en het tegengaan van het verlies van biodiversiteit. De leden menen dat de bescherming van de natuurlijke leefomgeving een van de belangrijkste taken is van de overheid en met verve zou moeten worden uitgevoerd. De uitvoering van Natura 2000 door de PAS getuigt van een minimalistische opvatting die daardoor ineffectief zal blijken. De regering snijdt zo scherp aan op het minimum van de doestellingen dat elke tegenvaller onmiddellijk gevolgen heeft en economische en ecologische ontwikkelingen remt en bovendien prijzig kan worden. De Europese Commissie volgt Nederland kritisch en met de moedwillige vertragingstactieken van de regering bij de bescherming van de biodiversiteit in de Westerschelde zal de regering niet veel krediet meer hebben. Hoe denkt de regering als de uitvoering tegen valt nog uit te leggen dat boetes niet gerechtvaardigd zijn?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie lezen in het advies van de Raad van State andermaal de bevestiging dat de rechtszekerheid van ondernemers ernstig is aangetast door niet tijdige en onvolledige implementatie van de vogel- en habitatrichtlijn. De discussie over bestaand gebruik komt niet terug in de Memorie van Toelichting. Hoe wil de regering omgaan met de depositie van bestaand gebruik en de onvolledige implementatie? Van welke datum gaat de regering uit? Welke wijzigingen in het huidige voorstel maken volgens de regering dat er nu wel sprake is van volledige implementatie van de artikel 6 van de habitatrichtlijn?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie menen dat de wijze van uitvoering zich slecht verhoudt tot het karakter van natuur. Hoewel er veel definities van natuur zijn is duidelijk dat natuur een zelfredzaam, een spontaan, ofwel een eigen element heeft. De mitigerende maatregelen of herstelmaatregelen zijn wezensvreemd aan deze opvatting van natuur. De natuur past zich aan aan de omstandigheden, in dit geval een stikstofrijke omgeving. Dit leidt tot dominantie van algemene soorten waardoor de natuurdoelen niet worden gehaald. Om in deze omgeving toch de doelen te halen wordt continue ingegrepen in natuurlijke processen en de natuur verstoord. Het beheersplan Eilandspolder dat door de provincie Noord-Holland wordt voorbereid lijkt een extreem voorbeeld, maar zou wel de realiteit kunnen worden met de PAS. De Eilandspolder-Oost is een 799 hectare groot natuurgebied dat aangewezen is vanwege het stikstofgevoelige veenmosrietland. Het instandhoudingsdoel voor de Eilandspolder is 0.21 ha veenmosrietland. De kritische depositiewaarde wordt ver overschreden en daardoor kan veenmosrietland zich niet ontwikkelen. Bestaand veenmosrietland verdwijnt langzaam door natuurlijke ontwikkelingen. Door de stikstofdepositie en de slechte milieuomstandigheden ontwikkelt zich geen nieuwe veenmosrietland en wordt het verdwijnen van bestaand veenmosrietland versneld. In plaats van de stikstofdepositie te reduceren tot onder de kritische depositiewaarde, wordt veenmosrietland op enkele percelen van in totaal 0.21 hectare gekweekt. In natuurlijke omstandigheden ontwikkelt veenmosrietland zich vanuit open water, maar hier zal veensmosrietland zich laten ontwikkelen op land. Ziet de regering een dergelijke benadering als model voor natuurbeleid of als landbouw met andere doelen?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn met de adviescommissie van de MER van mening dat de noodzakelijke zekerheid dat op termijn de instandhoudingsdoelen worden gehaald niet wordt gegeven. Uit de DPAS en de gebiedsuitwerkingen blijkt immers dat in 2030 nergens – buiten de Waddeneilanden – de kritische depositiewaarde noodzakelijk voor langdurig behoud van depositiegevoelige vegetatietypen wordt gehaald en dat op sommige plekken de depositie zo groot blijft dat onwaarschijnlijk is dat dit met plaatselijke beheer- en herstelmaatregelen in natuurterreinen kan worden ondervangen. Daarmee lijkt maximale inzet op natuurherstel noodzakelijk. Het is dan ook de vraag of op korte termijn daadwerkelijk ontwikkelingsruimte kan worden geboden aan activiteiten die stikstofdepositie met zich brengen. Wanneer verwacht de regering dat de kritische depositiewaarde wordt gehaald? Waarop baseert de Regering de verwachting dat wel ontwikkelingsruimte kan worden geboden op basis van de wijzigingen die sinds de DPAS zijn doorgevoerd?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn met de commissie MER van mening dat de ontwikkelingsruimte en de uitgifte in de DPAS gebaseerd lijken op een verwacht natuurherstel en niet op een gegarandeerd natuurherstel. Dit biedt volgens de Commissie te weinig zekerheid dat ontwikkelingsruimte kan worden uitgegeven zonder dat dit het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengt.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie menen dat de gevolgen van de PAS zijn niet integraal in beeld gebracht. Gevolgen van de PAS zijn bijvoorbeeld te verwachten voor gezondheid (lucht, geluid, geur) door verplaatsing van activiteiten naar dorpen en steden, voor andere natuur dan stikstofgevoelige Natura 2000, voor landschappelijke kwaliteit als gevolg van verplaatsing van activiteiten en voor energieverbruik. Is de regering alsnog bereid om deze gevolgen integraal in beeld te brengen? Zo nee waarom niet?

De lede van de Partij voor de Dieren-fractie zien met afgrijzen dat de grote natuurvervuiler, intensieve veehouderij, volstrekt ongemoeid en eerder gefaciliteerd wordt met dit voorstel. De landbouw is verantwoordelijk voor meer dan 40% van de stikstofdepositie en een deel van de buitenlandse depositie komt van de buitenlandse landbouw. Hier staat tegenover dat de intensieve veehouderij slechts 0,3% bijdraagt aan het BNP en amper werkgelegenheid biedt. Waarom kiest de regering niet voor een sanering van deze zeer vervuilende sector om meer economische ontwikkeling mogelijk te maken? De schaarse ruimte om te vervuilen wordt nu opgevuld door een nauwelijks productieve sector. Waarom stelt de regering geen prioriteiten op basis van het algemeen belang in plaats van de bestaande economische structuren? Het herstelbeheer en veel mitigerende maatregelen zijn helemaal niet nodig, of niet nodig in die mate, als de stikstofdepositie lager zou zijn geweest. Om ontwikkelingsruimte mogelijk te maken moet er dus veel geld gespendeerd worden aan onnatuurlijk natuurbeheer. Is de regering bereid tot het uitvoeren van een kosten-batenanalyse van de intensieve veehouderij om in elk geval in beeld te brengen wat deze vervuilende sector de schatkist kost in termen van herstelbeheer, mitigerende maatregelen, verlies aan economische activiteit die wel significant iets toevoegt aan de welvaart vanwege het opsouperen van de ontwikkelingsruimte etc? Zo nee, kan de regering uitleggen waarom zij een dergelijke studie niet aandurft?