Inbreng Verslag Wijziging van de Natuur­be­scher­mingswet 1998


14 juni 2007

Wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 in verband met regulering bestaand gebruik en enkele andere zaken

1. Inleiding
De Partij voor de Dieren heeft met verbazing en ongenoegen kennis genomen van het voorstel tot wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998. De wet in haar huidige vorm is nog geen twee jaar van kracht en nu al worden verregaande wijzigingen voorgesteld die sterk ingrijpen op de mate waarin natuur en landschap worden beschermd. De minister stelt in haar toelichting dat de regering er veel aan gelegen is om een werkwijze te ontwikkelen die niet verder gaat dan strikt noodzakelijk om te voldoen aan Europeesrechtelijke verplichtingen. Dit getuigt van weinig ambitie en het geeft de indruk dat de minister de noodzaak van de huidige natuurbeschermingswet ter discussie stelt. Kan de minister aangeven wat zij bedoelt met ‘strikt noodzakelijk’ en of zij een adequate bescherming van de natuur, waarbij het voorzorgsprincipe leidend dient te zijn als uitgangspunt van haar beleid hanteert?

2. Wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998

2.1 Inleiding
Verder vragen de leden van de Partij voor de Dieren zich af waarom deze wetswijziging nu moet worden ingevoerd terwijl een evaluatie gaande is en in november wordt afgerond. Een verregaande wetswijziging kan volgens de Partij voor de Dieren beter plaatsvinden als de evaluatie is afgerond en de resultaten bekend zijn. Graag een reactie van de minister hierop.

De wijziging van de wet betreft niet alleen regulering van bestaand gebruik, maar ook enkele andere zaken. Door deze zaken mee te nemen in de wijziging impliceert de minister dat deze veranderingen geen grote effecten zullen hebben op de uitvoering en het doel van de wet. De Partij voor de Dieren is van mening dat voorgestelde wijzigingen echter wel grote gevolgen kunnen hebben voor het behalen van de natuurdoelstellingen en de bescherming van de natuur. Kan de minister aangeven waarom zij deze zaken ook wil meenemen in de voorgestelde wetswijziging en waarom zij de evaluatieresultaten niet wil afwachten?

2.2 Regulering van bestaand gebruik
Het voorzorgsprincipe; uitgangspunt van het natuurbeleid, wordt met deze voorstellen met voeten getreden. Immers het wetsvoorstel dient als regulering van bestaand gebruik maar kan leiden tot hoge publieke kosten voor noodzakelijke herstelwerkzaamheden als bestaand gebruik nu wordt gereguleerd, maar achteraf toch verstorend blijkt te zijn. Kan de minister aangeven hoe zij hiermee om zal gaan en of dit risico op herstel achteraf aanwezig is en hoe groot zij dat risico inschat?

De Natuurbeschermingswet heeft tot doel alle habitattypen en diersoorten te herstellen of te behouden. Een wijziging van de wet zal daarom moeten leiden tot een betere bescherming en in ieder geval geen afbreuk mogen doen aan het huidige beschermingsniveau. Kan de minister aangeven op welke wijze zij garandeert dat de bescherming van de natuur (habitattypen en diersoorten) op zijn minst behouden blijft of wordt verbeterd na invoering van deze wetswijziging?

Het doel van wetswijziging om daarmee bestaand gebruik te reguleren is een administratieve lastenverlichting te bewerkstelligen en niet meer te doen dan wat Europeesrechtelijk is verplicht. Dit kan ertoe leiden dat effectieve toets- en afwegingsmomenten waarmee natuurbescherming nu wordt gewaarborgd zullen komen te vervallen. Hierdoor kan verslechtering van de natuurbescherming optreden en kan de instandhouding van habitattypen en diersoorten in gevaar komen. Kan de minister aangeven op waarom zij deze toets- en afwegingsmomenten wil laten vervallen en op welke wijze zij kan garanderen dat door het wegvallen van de vergunningplicht voor bestaand gebruik kwetsbare natuur niet in gevaar komt?


2.3 Het toetsen van plannen
De Raad van State geeft aan dat de habitatrichtlijn geen onderscheid maakt in het beoordelen van plannen en projecten. Doel is een adequate bescherming van de natuurlijke waarden (habitats en diersoorten). Een passende beoordeling dient te worden uitgevoerd en het bevoegd gezag dient toestemming te geven voor het plan of project. De minister is van mening dat toestemming door een hoger gezag niet vereist is. De Partij voor de Dieren is van mening dat dit niet volgens de richtlijnen is en dat hiermee het voorzorgsprincipe in gevaar kan komen. Immers de kans bestaat dat gemeenten zelf bepalen wat ze doen (bestemmingsplan), hoe ze het doen en welke effecten hun activiteiten hebben gehad, zonder controle van een hoger gezag. Dit is niet overeenkomstig de habitatrichtlijn waarin wordt gesteld dat in het geval van een gemeente die initiatiefnemer is Gedeputeerde Staten moet beoordelen welke potentiele negatieve effecten de plannen hebben op de natuurbescherming. De Partij voor de Dieren keurt de voorgestelde gang van zaken in de wetswijziging ten zeerste af. Kan de minister aangeven op welke wijze zij met deze kritiek van de Raad van State om zal gaan en of zij voornemens is verandering aan te brengen in haar voorstel voor wijziging en op te nemen conform de eisen die de habitatrichtlijn stelt? Kan zij haar voornemen toelichten?

2.4 Verbeterde aansluiting op de habitatrichtlijn
Door de wijziging van de wet zal het woord ‘significant’ worden toegevoegd aan artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998. Voor niet-significante verstoringen komt de vergunningplicht te vervallen. Dit betekent dat de initiatiefnemer zelf moet beoordelen welke gevolgen zijn activiteiten zullen hebben op de bescherming van de natuur en of deze gevolgen al dan niet significant zijn. De Raad van State stelt terecht dat in Nederland het voorzorgsbeginsel geldt bij de uitwerking van een beschermingsverplichting. De Raad van State geeft aan dat toetsing vooraf door een bestuursorgaan (gedeputeerde staten of minister) noodzakelijk is. Kan de minister aangeven of en waarom zij dit advies van de Raad van State negeert en op welke wijze zij wil waarborgen dat de afweging of een activiteit wel of niet verstorend is met kennis van zaken en zonder eigenbelang wordt gemaakt en dat daarbij te allen tijde het voorzorgsprincipe wordt gehanteerd?

De Raad van State geeft aan dat zij de redenering van de minister om het woord ‘significant’ toe te voegen niet overtuigend vindt. De Partij voor de Dieren is van mening dat het invoegen van het woord ‘significant’ niet voldoende rekening houdt met het voorzorgsbeginsel. De minister zou zich meer moeten richten op het handhaven van het principe dat er alleen toestemming aan projecten en activiteiten gegeven kan worden als uitgesloten is dat het project, afzonderlijk of in combinatie met andere projecten, significante effecten kan veroorzaken.
Kan de minister aangeven op welke wijze zij omgaat met deze uitspraak van de Raad van State en of zij voornemens is de term ‘significant’ te schrappen of verder te definieren? Kan zij daarbij ook toelichten waarom? Kan de minister aangeven hoe zij garandeert dat met het opnemen van de term ‘significant’ de mogelijke verstoringen van projecten en activiteiten uitgesloten worden?

De leden van de Partij voor de Dieren vinden het onaanvaardbaar dat initiatiefnemers zelf kunnen bepalen of hun activiteiten verstorend zijn of niet. Omdat vergunningplicht ontbreekt wordt er door geen enkele instantie getoetst of de activiteit wel of niet verstorend zal werken. Kan de minister aangeven op welke wijze zij denkt te voorkomen dat een initiatiefnemer ten onrechte meent dat zonder vergunning een project gestart kan worden en op welke wijze zij zal controleren en handhaven in het geval onterecht geen vergunning is aangevraagd?

Vanuit de Habitatrichtlijn wordt nadrukkelijk gesteld dat ook cumulatieve effecten van mogelijke verstoringen op de mate van bescherming bekeken moeten worden. Door het schrappen van de vergunningplicht van mogelijk niet significante verstoringen (afgaand op de beoordeling door de initiatiefnemer) kan niet eenduidig getoetst worden welke cumulatieve effecten mogelijk kunnen optreden. Bovendien is in de beoogde wetswijziging niet duidelijk hoe met cumulatieve effecten van verstoringen in het algemeen wordt omgegaan. Om effectieve natuurbescherming te garanderen moeten geplande projecten en activiteiten in samenhang worden beoordeeld op hun mogelijke effecten. Dit is conform artikel 6, lid 3 van de habitatrichtlijn. Kan de minister aangeven op welke wijze zij de beoordeling van mogelijke cumulatieve verstoringen en de gevolgen daarvan voor de vergunningplicht zal opnemen in artikel 19d van de Natuurbeschermingswet?