Inbreng Verslag wijziging Rijksoc­trooiwet ivm invoeren beperkte vere­de­lings­vrij­stelling


29 november 2012

Bijdrage Partij voor de Dieren inbreng Verslag Wijziging van artikel 53b van de Rijksoctrooiwet 1995 i.v.m. de invoering van een beperkte veredelingsvrijstelling.

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben met belangstelling kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel waarmee een beperkte veredelingsvrijstelling wordt ingevoerd. Het grote belang van de voedselzekerheid vereist naar mening van deze leden verdergaande stappen om vrije veredeling mogelijk te maken, maar deze beperkte vrijstelling is een eerste stap daarin die zij van harte steunen. Zij willen graag nog enkele vragen stellen.

Inleiding
De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren maken zich zorgen over de invloed die octrooien hebben op de voedselzekerheid. Octrooien op planten en dieren beperken de innovatie in de veredeling en daarmee de diversiteit van rassen voor voedselveredeling, deelt de regering deze mening? Zo nee, waarom niet? Deelt de regering de mening dat het kwekersrecht het leidende intellectuele eigendomsrecht voor de plantenveredeling moet blijven? Voor veredelaars van nieuwe gewassen is het heel belangrijk dat zij vrij gebruik kunnen maken van uitgangsmateriaal, zonder dat zij licenties nodig hebben of bang hoeven te zijn dat zij een patent schenden. Dat veredelaars nu tegen beperkingen in het uitgangsmateriaal aanlopen, komt door de ontwikkelingen met betrekking tot biotechnologie. Het invoeren van de beperkte veredelingsvrijstelling is geen oplossing voor dit probleem. Kan de regering dit bevestigen? Omdat de veredelingsvrijstelling alleen geldt tijdens de periode van veredeling, geeft deze geen garantie op het mogen commercialiseren van het nieuwe ras. Veredelaars geven aan dat dit een probleem voor hen vormt en innovatie zal belemmeren. Een kweker die gebruik heeft gemaakt van geoctrooieerd plantmateriaal is na jarenlang veredelen nog steeds geheel afhankelijk van de medewerking van de octrooihouder(s) om tegen billijke voorwaarden een licentie te verkrijgen voor de exploitatie van het ras. Een dwanglicentie is geen serieus alternatief. Hoe ziet de regering dit, en op welke wijze wil zij dit probleem oplossen?

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren zien de invoering van de beperkte veredelingsvrijstelling als een belangrijke stap, maar zeker niet als oplossing voor het probleem. De introductie van een uitgebreide veredelingsvrijstelling in het octrooirecht zou wel de belangrijke toegang tot biologisch materiaal en plantenveredeling mogelijk maken. Onder deze uitgebreide
veredelingsvrijstelling mag een veredelaar beschermd biologisch materiaal gebruiken om nieuwe
plantenrassen te ontwikkelen en te vermarkten. In tegenstelling tot wat de Raad van State heeft geoordeeld, wijzen meerdere juristen erop dat de uitgebreide veredelingsvrijstelling wél mogelijk is onder het TRIPS-verdrag. Kan de regering ingaan op de mogelijkheden die artikel 27(3)b biedt om een brede veredelingsvrijstelling in te voeren?

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren willen graag een nadere duiding van the International Union for the Protection of New Varieties of Plants (UPOV). Dit internationale verdrag gaat uit van het kwekersrecht, en kan wel onder TRIPS bestaan. Betekent dit niet dat een uitgebreide veredelingsvrijstelling gewoon mogelijk is onder het TRIPS-verdrag? Kan de regering nader ingaan op de gevolgen van UPOV voor ontwikkelingslanden? Welke belemmeringen kunnen zij onder dit verdrag ervaren? Wat is het beleid van de Europese Commissie wanneer er bi- of multilaterale handelsverdragen worden afgesloten, wordt er hierbij aangedrongen op het overnemen van UPOV 91? Zo ja, hoe beoordeelt de regering dat?

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren willen er nogmaals op wijzen dat de onbedoelde uitbreiding van de biotechnologierichtlijn naar de plantenveredeling de oorzaak is van de huidige problemen. Dit maakte het voor het eerst mogelijk om patenten aan te vragen op eigenschappen, en daarmee ook op rassen. Het kwekersrecht werkt wereldwijd goed om innovatie in plantenveredeling en de snelle ontwikkeling van nieuwe plantenrassen te bevorderen, deelt de regering die mening?
De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren wijzen er dan ook op dat de oplossing voor de hand ligt: het octrooieren van (eigenschappen van) planten en dieren moet verboden worden. Dat garandeert de vrijheid voor veredelaars om gebruik te maken van uitgangsmateriaal. Het garandeert bovendien de vrijheid van boeren – ook en vooral in ontwikkelingslanden, om hun geoogste zaden weer te gebruiken voor teelt van nieuwe gewassen - zonder dat zij daarbij bang hoeven te zijn voor rechtszaken die tegen hen zouden worden aangespannen worden door multinationals. Kan de regering nader ingaan op de mogelijkheden die artikel 27 van het TRIPS-verdrag biedt om planten en dieren uit te sluiten van patenteerbaarheid? Welke stappen zouden er voor nodig zijn, en welke mogelijkheden ziet de regering hiertoe? In het TRIPS verdrag staat dat deze bepaling vier jaar na inwerkingtreding van het verdrag geëvalueerd zou worden. Is dit inderdaad gebeurd, en zo ja, kan de regering de bevindingen van deze evaluatie kort weergeven? Kan de regering tevens aangeven of artikel 27(3)b de laatste jaren onderwerp van WTO-besprekingen is geweest, en zo ja, in welke zin en wat de inbreng van Nederland in deze besprekingen is geweest? Welke mogelijkheden bestaan er om in bilaterale handels- en investeringsverdragen voorwaarden op te nemen om octrooien op planten en dieren aan banden te leggen?

Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben twijfels of de term ‘nieuw’ die met betrekking tot planenrassen wordt gehanteerd in het wetsvoorstel, wel de juiste term is. De Raad van State alsmede juristen hebben erop gewezen dat de verordening nr. 2100/94 inzake het communautaire kwekersrecht, spreekt over het kweken van ‘andere’ rassen. In het kwekersrecht wordt er gesproken over ‘onderscheidbare’ rassen. Kan de regering bevestigen dat de term ‘nieuw’ in het kwekersrecht een specifieke betekenis heeft, en dat deze betekenis verschilt van het gebruik van ‘nieuw’ in het octrooirecht? Waarom heeft de regering ervoor gekozen om in deze aan te sluiten bij het octrooirecht en niet bij het kwekersrecht, en welke consequenties heeft dit strengere begrip van ‘nieuw’ voor de veredelaars?