Inbreng Verslag Afschaffing houden van legkippen in verrijkte kooien


6 april 2011

Op 7 december 2006 heeft de Kamer de motie van Thieme c.s. aangenomen om het verrijkte kooisysteem in Nederland te verbieden. De overgangstermijn voor het verbod is bij Kamermeerderheid op 16 december 2008 vastgesteld op 1 januari 2017. De Kamer heeft echter later bij motie van Atsma c.s. de regering gevraagd om de overgangstermijn voor het verbod van het houden van legkippen in verrijkte kooien te verlengen van 2017 naar 2021. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren zijn niet overtuigd dat een verlenging van 2017 naar 2021 nodig is. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren menen dat vastgehouden moet worden aan de overgangstermijn van 2017. Om twee redenen.

In de eerste plaats is en blijft het uitgangspunt dat ondernemers er rekening mee moeten houden dat regelgeving kan wijzigen. Het is duidelijk dat de pluimveehouders zich daadwerkelijk realiseerden dat hun toekomst onzeker was, ondanks het feit dat het eerste wetsvoorstel voor een verbod op de verrijkte kooi (2002) was ingetrokken. Gelet op de grote onzekerheid die al die jaren heerste over de toekomst van kooihuisvestingsystemen voor pluimvee in Nederland hebben de pluimveehouders met de keuze voor voortzetting van het bedrijf en het aangaan van langetermijninvesteringen een voor hen kenbaar risico aanvaard. Dezelfde redenering hanteerde ook de parlementair advocaat naar aanleiding van discussie over het verbod op de pelsdierhouderij . De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren willen van het kabinet weten of zij het eens is met dit uitgangspunt. Is het kabinet het met de leden eens dat de overheid geenszins de taak heeft om bedrijfsrisico’s in het algemeen en die van de pluimveesector in het bijzonder honderd procent af te dekken? Mocht het kabinet vinden dat het bedrijfsrisico van de pluimveehouderij zoveel mogelijk door de overheid gedekt moet worden, dan zijn er naar de mening van de leden van de Partij voor de Dieren in die gevallen dat er sprake is van onevenredige schade, andere mogelijkheden om deze economische schade op te vangen. Daarbij kan worden gedacht om deze bedrijven te saneren of het financieel aantrekkelijker te maken voor deze bedrijven om zo snel mogelijk vóór 2017 om te schakelen op alternatieve huisvesting. Graag een reactie van het kabinet. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren horen graag of het kabinet bereid is om dit soort mogelijkheden te overwegen.

Vasthouden aan de overgangstermijn van 2017 is daarnaast wenselijk in het licht van de eigen ambities van dit kabinet. Immers, uit het regeerakkoord blijkt een hoge ambitie ten aanzien van dierenwelzijn. Het past dan ook geheel in het regeringsbeleid om zo snel mogelijk een einde te maken aan de kooihuisvestingssystemen voor pluimvee die stuk voor stuk bewezen dieronvriendelijk zijn. Temeer ook, daar de overheid naar de mening van de Partij voor de Dieren fractie, de pluimveesector moet voorbereiden op de sterk veranderende vraag naar diervriendelijk geproduceerde eieren. In Duitsland is nu al te zien dat de Kleingruppenhaltung (het Duitse kooisysteem waar dit Kabinet nu op inzet) al niet eens meer wordt geaccepteerd door supermarkten en consument. Het kabinet dient dan ook niet de kop in het zand te steken en de sector tot 2022 te laten aanmodderen met een systeem dat de dierenwelzijnstoets niet kan doorstaan en evenmin kan rekenen op draagvlak bij de Nederlandse consument en afzetmarkt Duitsland.

[1] 30 800 XIV, nr. 75
[2] 31 700 XIV, nr. 106
[3] 32 123 XIV, nr. 89
[4] 30 826, nr.17