Inbreng SO Verant­woor­dings­stukken LNV 2019


15 juni 2020

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben kennisgenomen van de jaarstukken over 2019 van het ministerie van LNV.

Speerpunten dierenwelzijnsbeleid

De leden constateren dat de minister in het afgelopen begrotingsjaar wederom haar magere beloften aan de dieren niet is nagekomen. Dieren komen er bekaaid af met dit kabinet, dieren in de veehouderij al helemaal. Steeds verder weggestopt in alsmaar groter wordende, door de overheid gesubsidieerde, brandgevaarlijke stallen, potdicht om alle uitstoot te kunnen filteren, is er niemand die naar ze omkijkt. Brandwerende of brandvertragende maatregelen die hun leven zouden kunnen redden bij een stalbrand, noemde de minister begin 2019 ‘niet proportioneel’, want: te duur[1]. Op controle van de NVWA of ze volgens de minimale eisen worden gehouden, hoeven de dieren in de stallen niet te rekenen. Gemiddeld kan een bedrijf één keer in de 30 tot 35 jaar controle in het kader van dierenwelzijn verwachten[2]. En een aantal diersoorten hoeft al helemaal niet te rekenen op controle door de NVWA. Als ze niet bij de miljoenen dieren horen die kort na hun geboorte sterven door ziekte of lamlendigheid, worden dieren in de veehouderij na een kort en ellendig leven afgevoerd naar het slachthuis, waar ze in een zodanig moordend tempo door het slachtproces worden gejaagd dat er regelmatig zeer ernstige misstanden ontstaan. Het toezicht op de slachthuizen schiet aan alle kanten te kort. Dit werd in 2019 voor de zoveelste keer bevestigd door het onderzoek van 2Solve.

Ook bij deze landbouwminister bestaat haar dierenwelzijnsbeleid uit overleggen met de sector, het vragen aan de sector om met verbeteringen te komen als er weer eens misstanden naar buiten komen via de media of door betrokken burgers. Als die verbeteringen er niet komen of als de doelen niet worden behaald krijgt de sector extra tijd, extra geld, extra onderzoek, of wordt het probleem genegeerd in de hoop dat de aandacht overwaait. Dat gebeurt zelfs op de gebieden die de minister als haar prioriteiten voor deze kabinetsperiode benoemde: stalbranden, de enorme sterfte onder jonge dieren (biggen, kalfjes, geitenlammetjes) en diertransporten.

Stalbranden

Naar aanleiding van de dramatische zomer van 2019 waarin opnieuw tienduizenden dieren om het leven kwamen, beloofde de minister te onderzoeken welke aanvullende maatregelen er mogelijk zijn. Hierbij stond ze open voor alle ideeën, deelde ze de Kamer mee. Ze zou de rol van luchtwassers nader onderzoeken. De minister zou hier in het najaar een brief over sturen. Kan de minister uitleggen waarom zij de Kamer hierover nog altijd niet heeft geïnformeerd? In 2019 zijn er in totaal 175.000 dieren omgekomen bij stalbranden. En ook in 2020 is er al een aantal flinke stalbranden geweest, terwijl de zomer nog moet beginnen. De leden vragen de minister of zij erkent dat zij door het nalaten van het nemen van extra maatregelen nu de kans heeft gemist om het aantal dieren dat in 2020 is omgekomen en mogelijk nog zal omkomen door stalbranden, terug te dringen? Ook de aangekondigde evaluatie van de hitteperiode in 2019 waarbij tienduizenden dieren omkwamen en de maatregelen die de minister op basis hiervan zou ontwikkelen, zijn nog altijd niet naar de Kamer gestuurd.[3] De leden hebben hier al schriftelijke vragen over gesteld. Zij dringen er bij de minister op aan om deze vragen spoedig te beantwoorden.[4]

Zorg voor jonge dieren en sterfte in de stallen

In 2019 zijn er wederom miljoenen dieren vroegtijdig omgekomen in de stallen. Registratie van sterfte (‘uitval’) is slechts voor een aantal diersoorten verplicht. Daardoor is bekend dat in 2019 weer 5,5 miljoen runderen, schapen, geiten en varkens zijn gestorven in de stallen. Hier komen nog vele miljoenen dieren bij, als ook de konijnen, leghennen, vleeskippen, eenden en nertsen zouden worden meegeteld. Onder de miljoenen in de stal gestorven dieren, zijn bijna 4,5 miljoen biggetjes, bijna 45 duizend geitenlammetjes en ruim 130 duizend kalfjes.

De minister zou voor het einde van 2019 ‘streefcijfers’ formuleren voor het terugdringen van de sterfte bij biggetjes, kalfjes en geitenlammetjes, maar ook deze informatie heeft zij nog altijd niet naar de Kamer gestuurd. De leden van de Partij voor de Dieren vragen de minister waarom dit nog altijd op zich laat wachten. Wat heeft zij al die maanden ondernomen op dit dossier? De leden hebben al in maart schriftelijke vragen gesteld over het lot van geitenbokjes en vragen de minister deze spoedig te beantwoorden.[5]

Diertransporten

Dan het derde speerpunt uit de beleidsbrief dierenwelzijn van oktober 2018: de diertransporten. Net als haar voorgangers, zegde de minister toe om zich in te zetten om het aantal diertransporten te beperken. De leden hebben ook op dit dossier in 2019 geen enkele concrete actie van de minister gezien. Kan de minister uiteenzetten hoeveel minder diertransporten er hebben plaatsgevonden in 2019?

Kringloopvisie

De leden van de Partij voor de Dierenfractie kijken met teleurstelling terug op 2019 wat betreft de initiatie van een transitie in de landbouw, die steeds urgenter wordt. Waar de minister in 2018 haar kringloopvisie op de landbouw presenteerde, is er in 2019 geen maatregel genomen die deze transitie in gang zou moeten zetten. Ook stelde de minister in de media dat het landbouwgif-beleid “radicaal anders” moest[6], maar in 2019 hebben deze leden nog geen concrete inspanningen gezien om het beleid en de praktijk daadwerkelijk te veranderen. Het uitvoeringsprogramma voor de Toekomstvisie gewasbeschermingsmiddelen laat op zich wachten, waardoor natuur en omwonenden nog langer belast worden met schadelijk landbouwgif.

De leden van de Partij voor de Dierenfractie merken op dat de crisis van de huidige ‘gangbare’ veehouderij, gebaseerd op intensieve productie en georiënteerd op de export, in 2019 in één klap urgentie kreeg met de stikstofuitspraak van de Raad van State. Naast de problemen op het gebied van dierenwelzijn en klimaat zijn nu ook de desastreuze effecten van de veehouderij op de natuur niet langer te ontkennen. Deze leden zijn ook op dit vlak teleurgesteld dat de minister in 2019 de kern van het probleem niet publiekelijk heeft benoemd: het grote aantal dieren dat in Nederland wordt gefokt, gebruikt en gedood en het daaruit voortkomende mestoverschot. Een herbezinning op het mestbeleid was voor 2019 voorzien, maar ook dit is vooruitgeschoven. De minister kan, volgens de leden van de Partij voor de Dierenfractie, niet terugkijken op een jaar waarin problemen zijn aangepakt, maar juist één waarin problemen zijn vergroot.

Biologisch keurmerk

In de resultaten van het verantwoordingsonderzoek van de Algemene Rekenkamer lezen de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren dat de minister geen doelen stelt voor het vergroten van de kennis van en het vertrouwen in het Europees biologisch keurmerk door de Nederlandse consument. Omdat hier geen doelen voor worden gesteld, kan er ook niet op worden gestuurd. De Algemene Rekenkamer beschouwt dit als onwenselijk. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren delen de opvatting van de Algemene Rekenkamer.

In antwoorden op feitelijke vragen zegt de minister dat ze dat ook niet van plan is om doelen te formuleren op dit thema, want “er is geen ruimte om deze geharmoniseerde aanpak zelfstandig op nationaal niveau in te richten.” Kan de minister deze leden informeren over de aanpak van andere Europese landen? Klopt het dat geen enkele lidstaat op nationaal niveau beleid heeft op het vergroten van het consumentenvertrouwen in het biologische keurmerk? Is hier wel beleid voor geformuleerd op Europees niveau? Zo ja, welke maatregelen worden er op dat vlak genomen?

Uit het onderzoek van de Algemene Rekenkamer blijkt dat de bekendheid met en het vertrouwen in het biologische keurmerk van Nederlandse consumenten laag is. Welke stappen gaat de minister zetten om dit te verbeteren? Kan de minister dit probleem binnen de Europese Unie agenderen, zodat er – indien lidstaten hiertoe geen nationale bevoegdheid hebben – op Europees niveau meer gestuurd wordt op een groot consumentenvertrouwen in het biologische keurmerk?

Daarnaast wijzen de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren op de ambities van de Europese Commissie in de Boer tot bord-strategie op het onderdeel biologisch landbouwareaal. Deze leden zijn overtuigd van de noodzaak en urgentie om in 2030 minstens 25% van het landbouwareaal onder biologische productie te hebben. Het is daarbij echter van groot belang dat ook de marktvraag naar biologisch op pijl blijft. Op welke manier is de minister voornemens om de marktvraag naar biologische producten, via nationaal beleid, te stimuleren?

[1] Brief van 14 januari 2019 over stalbranden

[2] Antwoorden op vragen bij de Slotwet Ministerie van LNV en Diergezondheidsfonds (XIV) 2019

[3] Aanhangsel van de Handelingen vergaderjaar 2018–2019, nr. 3893

[4] Vragen van het lid Ouwehand over het uitblijven van maatregelen om dieren te beschermen bij de verwachte hittegolven, 18-05-2020

[5] Vragen van het lid Wassenberg over het lot van geitenbokjes, 20 maart 2020

[6] https://www.trouw.nl/duurzaamheid-natuur/schouten-het-moet-radicaal-anders-met-landbouwgif~bde32ba0/