Inbreng SO Informele Ener­gieraad 18 mei 2017


15 mei 2017

Inbreng SO Informele Energieraad 18 mei 2017

De leden van de PvdD-fractie hebben kennis genomen van de geannoteerde agenda informele energieraad van 18 mei. Op de agenda staat het voorstel om de bestaande richtlijn energie-efficiëntie te wijzigen. In het licht van het huidige tempo van de onderhandelingen over de richtlijn energie-efficiëntie, is het opvallend dat Nederland nog geen standpunt inneemt. Door het voorstel van de minister om dit aan een nieuw kabinet te laten en een rapport van ECN af te wachten, lopen we het risico dat een niet-ambitieus voorstel wordt aangenomen in de Energieraad van 26 juni. Graag een reactie.

De leden van de PvdD-fractie onderstrepen het belang van energiebesparing voor het behoud van een leefbare planeet. Energiebesparing is de goedkoopste en de eerst in aanmerking komende stap voor het behalen van de kabinetsdoelstelling een CO2-arme energievoorziening per 2050. De leden van de PvdD-fractie roepen het kabinet dan ook op ambitieus in te zetten op herziening van deze richtlijn. Volgens onderzoeksresultaten uit de Impact assessment voor de herziening van de Energiebesparingsrichtlijn[1] is het kosteneffectieve potentieel voor energiebesparing in Europa 40% per 2030. De leden van de PvdD-fractie verzoeken de minister daarom in de onderhandeling te pleiten voor een bindende doelstelling van 40% energiebesparing per 2030. Graag een reactie.

Verder pleiten deze leden ervoor om bij de onderhandelingen minimaal vast te houden aan de doelstelling van 1,5% energiebesparing per jaar tot 2030, met mogelijke verlenging tot 2050. Daarbij moet het niet langer toegestaan zijn om het energiegebruik in de sector transport niet mee te nemen in de berekening van de 1,5% besparingsdoelstelling[2]. Graag een reactie.

Antwoord bewindspersoon

Het Klimaatakkoord van Parijs vraagt om een drastische reductie van CO2-uitstoot op de lange termijn. Energiebesparing speelt hierin een belangrijke rol. Echter, lidstaten moeten voldoende ruimte krijgen om op kosteneffectieve wijze de energie-transitie in te kunnen richten, waarvoor flexibiliteit nodig is tussen verschillende CO2-reducerende opties. Het kabinet heeft zich nog niet uitgesproken over de gewenste hoogte van de Europese energie-efficiëntiedoelstelling en de Nederlandse bijdrage hieraan. Zoals aangegeven in mijn eerdere brief inzake moties over de Energieagenda, (Kamerstuk 31 510, nr. 65), laat het kabinet momenteel onderzoeken welke aandelen van energiebesparing, hernieuwbare energie en andere CO2-emissiereducerende opties passen binnen een kostenef-fectief CO2-reductiepad richting 2030 en 2050. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) zal hierover naar verwachting eind juni de eerste resultaten opleveren. Op basis hiervan zal het kabinet haar positie in de onderhandelingen nader bepalen en de Kamer hierover informeren in het licht van de eerder aangenomen moties. Het is aan het volgende kabinet om een definitief standpunt in te nemen op de gewenste bijdragen op het gebied van energie-efficiëntie, inclusief de hieraan gekoppelde Europese energie-efficiëntiedoelstelling en de energiebesparingsverplichting. Zoals ik heb aangegeven tijdens het Algemeen Overleg van 23 februari jl. is de inzet van het huidige kabinet er op gericht om in de Europese besluitvorming ruimte te bieden aan het standpunt van een nieuw kabinet. Ten aanzien van de huidige Europese onderhandelingen over het Winterpakket heeft Nederland in de EU aangegeven dat het ambitieus inzet op emissiereductie, dat de voorgestelde nationale minimumdoelen voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie nog bestudeerd worden en dat de energietransitie zo kosteneffectief mogelijk ingevuld dient te worden. Nederland onderstreept het belang van een ambitieus en flexibel governancemodel. Ten aanzien van de 1,5% energiebesparingsdoel-stelling voor de periode 2021 en 2030, zet het kabinet zich in voor flexibiliteit voor energiebesparingsopties die mee mogen tellen voor de doelstelling, zonder dat dit ten koste gaat van de ambitie op CO2-reductie. Daarbij is Nederland voorstander van de mogelijkheid om de transport-sector buiten beschouwing te laten voor het vaststellen van de doelstelling. Dit laat onverlet dat het kabinet zich blijft inzetten voor verregaande CO2-reductie en verduurzaming in de transportsector.

(...)

Het voorzitterschap is voornemens om 26 juni tijdens de Energieraad een algemene oriëntatie vast te stellen, dat wil zeggen een gemeenschappelijk standpunt van de Raad. Echter, gezien het krachtenveld in de Europese onderhandelingen is de inschatting dat in juni nog geen algemene oriëntatie in de Raad wordt vastgesteld. Bovendien heeft het merendeel van de lidstaten, waaronder Nederland, aangegeven dat het voorstel voor de richtlijn energie-efficiëntie niet los gezien kan worden van het voorstel voor de governance. Of een bindende of indicatieve doelstelling accep-tabel is, zal in grote mate afhangen van de vormgeving van het governan-cesysteem. Het kabinet verwacht niet dat op korte termijn een overeen-komst over het governancevoorstel zal worden gevonden. Dit kan een algemene conclusie op de EED verder vertragen. Indien we toch signalen ontvangen dat eind juni tijdens de Energieraad een algemene aanpak zal worden vastgesteld, zal ik uw Kamer tijdig informeren over de Neder-landse positie ten aanzien van deze algemene oriëntatie.

[1] Fraunhofer ISI, PWC en TU Wien, 2014. Data gebruikt in European Commission, 2016, Impact assessment accompanying the Proposal for a Directive of the European Parliament and of the Council amending Directive 2012/27/EU on Energy Efficiency, p. 17.

[2] De verkoop van energie, per volume, die gebruikt wordt voor vervoer, mag op dit moment geheel of gedeeltelijk buiten de berekening blijven.