Inbreng Schrif­telijk Overleg Ontwerp­be­sluit gewas­be­scher­mings­mid­delen


21 april 2011

De leden van fractie van de Partij voor de Dieren hebben met grote teleurstelling kennis genomen van het ontwerpbesluit gewasbescheringsmiddelen dat voortvloeit uit de wijziging van de wet gewasbeschermingsmiddelen om deze in lijn te brengen met EU-regelgeving. Zij willen graag vragen stellen over het voorliggende besluit.

De leden van fractie van de Partij voor de Dieren zien dat Nederland een uniek land is, met uitzonderlijke omstandigheden, door de kleine akkers en weilanden, de vele slootjes, het vele gebruik van oppervlaktewater om drinkwater van te produceren, en het extreem hoge gebruik van landbouwgif door de boeren en tuinders in ons land. Het oppervlaktewater in Nederland is in extreem hoge mate vervuild door bestrijdingsmiddelen, zeker in het westland. De kosten voor de zuivering van het water nemen toe, en de bewijzen van de schadelijkheid van bestrijdingsmiddelen voor de menselijke gezondheid en voor de biodiversiteit stapelen zich op. De bijensterfte is extreem hoog in ons land. In deze context vinden de leden van fractie van de Partij voor de Dieren het onbegrijpelijk dat de regering de regelgeving op het gebied van het toelaten, het gebruik en het lozen van bestrijdingsmiddelen versoepeld. Graag een reactie hierop. Waarom stelt de regering het korte termijn economische belang van producenten en gebruikers van bestrijdingsmiddelen voorop op de volksgezondheid en de kwetsbare en onmisbare boiodiversiteit?

De leden van fractie van de Partij voor de Dieren hebben niets kunnen merken van een begin van het besef bij het kabinet dat het hoge gebruik van bestrijdingsmiddelen daadwerkelijk snel naar beneden moet. Toch is de noodzaak daarvan erg groot; onze eigen gezondheid lijdt schade door het gebruik van de middelen, bestuivers, waaronder bijen, laten nu al zien het loodje te leggen door het hoge gebruik van extreem giftige middelen, maar ook de landbouw zelf is uiteindelijk de dupe van het hoge gifgebruik. Steeds meer onkruiden en plaaginsecten worden resistent door de continue blootstelling aan gif. Op welke wijze neemt de regering deze feiten mee in haar beleid omtrent bestrijdingsmiddelen? De leden van fractie van de Partij voor de Dieren zien dit niet terugkomen, er lijkt geen enkele urgentie aan gegeven te worden dat de Nederlandse landbouw moet leren te functioneren zonder het gebruik van landbouwgif. Ook de samenhang met het beleid om het verlies aan biodiversiteit te stoppen lijkt compleet vergeten in de wetswijziging en in het voorliggende ontwerpbesluit. Op welke wijze wordt het beleid over de toelating en het gebruik van giftige bestrijdingsmiddelen gekoppeld aan beleid gericht op het behoud van de biodiversiteit in ons land? Op welke manieren is hier institutioneel samenwerking en uitwisseling van kennis geborgd op het gebied van de negatieve effecten van bestrijdingsmiddelen, bijvoorbeeld tussen het Planbureau voor de leefomgeving (PBL), het College voor toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb), en tussen het Rijksinsitituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)? Is deze samenwerking er? Zo nee, waarom niet en is de regering bereid hier verandering in aan te brengen?

De zonale toelating zal naar mening van de leden van fractie van de Partij voor de Dieren een ernstig negatief effect hebben op de kwaliteit van ons oppervlaktewater en de biodiversiteit. Het stellen van nationale regels om onze specifieke omstandigheden mee te nemen in toelatingen en gebruiksvoorschriften wordt ernstig beperkt. Graag krijgen de leden van fractie van de Partij voor de Dieren een compleet overzicht van de wijze waarop Nederland nog aanvullende regels zal blijven kunnen stellen wanneer de EU-regelgeving eenmaal compleet geimplementeerd is. Wat is nog mogelijk, en wat niet? Op welke wijze zal het Ctgb binnen het systeem van zonale toelatingen gaan beoordelen, wanneer de toelating door een andere lidstaat is uitgevoerd, of bij deze toelating wel voldoende is gelet op de specifieke omstandigheden in ons land? Kunt u bij het beantwoorden van deze vraag het hele proces uitgebreid beschrijven zodra er een zonale toelating aangevraagd wordt in de zone waartoe Nederland behoort?

De leden van fractie van de Partij voor de Dieren maken zich ernstig zorgen over de manieren waarop de producenten en verhandelaars van landbouwgif adverteren voor hun schadelijke middelen. Aan welke regels moet de etikettering van en reclame voor bestrijdingsmiddelen voldoen? Op welke wijze en met welke frequentie wordt hierop gecontroleerd? De leden van fractie van de Partij voor de Dieren zijn van mening dat reclame voor chemische bestrijdingsmiddelen helemaal niet mogelijk zou moeten zijn. Hiermee worden onduurzame landbouwpraktijken in stand gehouden en zelfs gestimuleerd. En dit, zonder dat er een verplichting schijnt te zijn om in advertenties te wijzen op de schadelijke effecten die het gebruik van bestrijdingsmiddelen kan hebben. Is de regering bereid tot het invoeren van een wettelijke verplichting voor het toevoegen van waarschuwingszinnen op advertenties van bestrijdingsmiddelen, zoals ook het geval is bij reclame voor andere schadelijke stoffen, zoals alcoholische dranken? Hierbij kan gedacht worden aan het verplicht vermelden van de waarschuwingslabels en –zinnen die ook op de etiketten van de betreffende middelen gevoerd moeten worden. Indien de regering hiertoe niet bereid is, wat is hier de reden voor, en hoe verhoudt zich dat tot de, in ieder geval theoretische, inzet van het kabinet om minder bestrijdingsmiddelen te gebruiken?

Tijdens de behandeling van de wetswijziging hebben de leden van fractie van de Partij voor de Dieren vragen gesteld over de rol die het Ctgb in het rondetafelgesprek over de wetswijziging hebben gespeeld. Zij wezen hier op de actieve lobby van het College om de ‘nationale koppen’ oftewel de nationale wetgeving die onder andere de waterkwaliteit moet beschermen, te verwijderen in deze wetswijziging. De leden van fractie van de Partij voor de Dieren willen opmerken het ook zeer teleurstellend te vinden dat deze lobby gelukt is. Daarnaast willen zij alsnog graag een oordeel van de regering over deze rol van het toelatingscollege. Deelt de regering de mening dat het College het belang van een goede kwaliteit van de leefomgeving, voor mens en dier, voorop zou moeten stellen, en niet hun eigen economische positie en de belangen van de producenten van chemische bestrijdingsmiddelen? Is de regering bereid het Ctgb aan te spreken op de lobby die zij gevoerd hebben, of is dat wellicht in de tussentijd al gebeurt? Zo neen, waarom niet en welke conclusie moeten de leden van fractie van de Partij voor de Dieren hieruit trekken?

De leden van fractie van de Partij voor de Dieren willen graag weten op welke wijze de regering het gebruik van biociden in zowel door agrariers als door particulieren wil terugdringen. Welke doelstellingen zijn er daarvoor, welke instrumenten gebruikt de regering hiervoor?

De leden van fractie van de Partij voor de Dieren zijn zeer ontstemd over het schrappen van de watertoets. Kan de regering bevestigen dat de verordening voorschrijft dat bij toelating van bestrijdingsmiddelen gekeken moet worden naar de gevolgen van deze toelating voor de kwaliteit van het oppervlaktewater? Op welke manier wordt daar na van toepassing worden van het voorliggende besluit uitvoering aangegeven? Kan de regering bij het beantwoorden van deze vraag zowel ingaan op de situatie dat het Ctgb de beoordeling verzorgt als op de situatie dat de beoordeling gedaan wordt in een andere lidstaat?

De bescherming van het grondwater wat voor de productie van drinkwater gebruikt wordt, behoeft naar mening van de leden van fractie van de Partij voor de Dieren meer aandacht dan thans gebeurt. Provinciale Staten zouden ervoor moeten zorgen dat er zones rondom de inwinpunten van dit water beschermd worden, maar de leden van fractie van de Partij voor de Dieren hebben de indruk dat dit lang niet overal goed gebeurt. Kan de regering hiervan een overzicht geven? Deelt de regering de mening van de leden van fractie van de Partij voor de Dieren dat het borgen van deze beschermingszones in nationale regelgeving zou moeten gebeuren om werkelijke bescherming te realiseren? Zo nee, waarom niet?
De Kamer heeft een toezegging gekregen nog geinformeerd te worden over de teeltvrije zones en emissiereducerende maatregelen met het oog op het voorkomen van effecten ten aanzien van de waterkwaliteit. Wanneer zal de Kamer deze brief ontvangen, en zal de regering voor de inhoud van deze brief nog in overleg treden met drinkwaterbedrijven en milieu- en natuurorganisaties?

De leden van fractie van de Partij voor de Dieren hebben ernstige twijfels bij de manier waarop het Ctgb bestrijdingsmiddelen beoordeelt. Zij hebben de indruk dat dit niet gebeurt op basis van de meest recente wetenschappelijke inzichten. Bijlage 1, behorende bij artikel 8a eerste lid, over de methoden voor de beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen, bevestigd deze indruk van de leden van fractie van de Partij voor de Dieren. De stellige indruk van de leden van fractie van de Partij voor de Dieren is dat er een groot aantal aspecten van de bestrijdingsmiddelen niet wordt meegenomen in de beoordeling, zoals de sublethale effecten, de chronische toxiciteit, de cumulatieve effecten en hormoonverstorende effecten. De reactie op het verzoek van de vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 12 april 2011, om een reactie te geven aan de Kamer op het onderzoek van het UMC St. Radboud in Nijmegen over mogelijke afwijking bij zonen door bestrijdingsmiddelen, waarbij het kabinet aangaf meer onderzoek hiernaar te laten doen door het RIVM, bevestigt het beeld dat dit soort nieuw onderzoek inderdaad niet wordt meegenomen in de toelatingsprocedure van bestrijdingsmiddelen. Graag krijgen de leden van fractie van de Partij voor de Dieren een inhoudelijke reactie op alle punten waarvan zij de indruk hebben dat deze onvoldoende worden meegenomen, waarbij zij vragen in te gaan op welke nieuwe inzichten er zijn op dit gebied en op welke wijze deze aspecten meegenomen worden in de toelatingsprocedure. Ook de statistische onderbouwing van de proeven die worden gedaan –meestal door de producent van het bestrijdingsmiddel zelf, om de toxiciteit op niet-doelwitorganismen aan te tonen. Er is recent een studie verschenen van James E. Cresswell (A meta-analysis of experiments testing the effects of a neonicotinoid insecticide (imidacloprid) on honey bees. Ecotoxicology. Published online: 16 november 2010) waarin wordt geconcludeerd dat alle uitgevoerde proeven op bijen te kort duurden en te klein waren opgezet om sublethale effecten aan te tonen. De leden van fractie van de Partij voor de Dieren krijgen graag een inhoudelijke reactie op dit onderzoek, en zij vragen op welke wijze en op welke termijn de beoordelingsprocedure aangepast zal worden om de kritiek die er te leveren is op de toelatingsprocedures weg te nemen.

De nota van toelichting vermeldt dat er middels de veranderingen in de metoden voor de beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen een administratieve lastenverlichting optreedt van een half miljoen, en dat de toelatingen sneller zullen gaan. Op welke wijze wordt deze lastenverlichting bereikt, en hoe kan de regering garanderen dat dit niet ten koste gaat van de bescherming van de milieukwaliteit? Graag een uitgebreide reactie op dit punt, de leden van fractie van de Partij voor de Dieren hebben hier grote zorgen over.

De leden van fractie van de Partij voor de Dieren hebben ook enkele vragen over de procedures van Dringend Vereiste Toelatingen. Welke criteria zijn er om te beoordelen of een middel een dringend vereiste toelating zou moeten krijgen? Welke toetsen worden er uitgevoerd bij een dringend vereiste toelating en op welke wijze wijkt deze procedure af van de normale beoordeling? Welke veranderingen zal het systeem van zonale toelating hierin maken?

De regering lijkt ervan uit te gaan dat gebruiksvoorschriften altijd worden nageleefd. Daarom worden er veel middelen toegelaten waarvan bekend is dat zij een ernstig negatief effect hebben op bijvoorbeeld bijen (en andere bestuivers), waarbij dan gebruiksvoorschriften gelden dat het bijvoorbeeld niet op bloeiende planten mag worden gebruikt. Dit is niet alleen het geval bij toepassingen voor agrarisch gebruik, maar ook bij toepassingen voor particulier gebruik. Zo zijn er middelen toegelaten voor particulier gebruik van de klasse neonicotinoiden, ook die neonicitinoiden waarvan bekend is dat zij gevaarlijk zijn voor bijen. Hoe wordt er bij particulier gebruik gehandhaafd op deze gebruiksvoorschriften? Deelt de regering de mening dat dit gebruik niet gehandhaafd kan worden, en dat het zeer goed mogelijk is dat particulieren deze middelen ook buiten gebruiken, en ook op bloeiende planten? Deelt de regering de mening dat dit gebruik dus een ernstig negatief effect kan hebben op de o zo belangrijke bij? Deelt de regering dan ook de mening dat het gebruik van neonicitinoide middelen door particulieren dan ook verboden moet worden? Zo nee, waarom niet, zeker gezien het feit dat er talloze middelen beschikbaar zijn voor particulieren die geen of een aanzienlijk kleiner risico betekenen voor de biodiversiteit in het algemeen, en de essentiele bestuivers in het bijzonder?
Maar ook bij het agrarisch gebruik is overduidelijk dat de gebruiksvoorschriften vaak niet worden nageleefd, kan de regering dat bevestigen? Hoe zijn anders de enorme normoverschrijdingen in het oppervlaktewater te verklaren? Is de regering bereid om toe te geven dat er tussen de theorie op basis waarvan middelen toegelaten worden, en de praktijk waarin de middelen gebruikt worden, een enorm verschil zit, en dat dit verschil voor zeer erntige ecologische effecten kan zorgen? Op welke manier wil de regering dit verschil verkleinen, op welke manier wil de regering ervoor zorgen dat bij de toelating van giftige middelen uitgegaan wordt van de praktijksituaties? Deelt de regering dat alleen wanneer de huidige praktijk en de huidige fysieke omstandigheden, inclusief de huidige normoverschrijdingen in het oppervlaktewater, worden betrokken bij de toelating, de leefomgeving van mens en dier afdoende beschermd wordt? Zo nee, waarom niet?
Graag krijgen de leden van fractie van de Partij voor de Dieren hierbij ook een overzicht van de fte’s en het budget dat wordt besteed aan de handhaving van de genoemde gebruiksvoorschriften.

De leden van fractie van de Partij voor de Dieren hebben begrepen dat Wageningen UR nu een uitgebreider onderzoek aan het opstarten is naar de verschillende oorzaken van bijensterfte, en dat onderzoeker Van der Sluijs daarbij betrokken zal worden. De leden van fractie van de Partij voor de Dieren waarderen het betrekken van de expertise van de Universiteit Utrecht, en worden graag nader geinformeerd over de opzet en reikwijdte van deze studie.