Inbreng PvdD Spoedwet Digitale Besluit­vorming Decen­trale Overheden


31 maart 2020

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben heden ochtend kennisgenomen van de spoedwet digitale besluitvorming decentrale overheden.

Zij onderschrijven de noodzaak om decentrale democratische processen doorgang te laten vinden, ook in de huidige Covid-19 crisis.
Veranderingen in de democratische werkwijze achten zij echter ingrijpende staatsrechtelijke ingrepen die, ook in deze crisistijd, meer dan 8 uur de tijd verdienen om bestudeerd, bevraagd en besproken te worden.

De leden van de Partij voor de Dieren vragen de regering nader toe te lichten waarom digitale besluitvorming voor decentrale overheden noodzakelijk zou zijn. De Tweede Kamer werkt bijvoorbeeld nu met de stelregel dat fysieke debatten en stemmingen wel plaatsvinden, maar dan met maximaal 2 leden per fractie in de zaal. Zo kan de 1,5 meter regel nageleefd worden, blijft het aantal personen in de zaal beperkt en kunnen debatten en stemmingen gewoon plaatsvinden. Waarom zou zulks niet mogelijk zijn bij decentrale overheden.

De leden merken op dat het wetsvoorstel digitale besluitvorming mogelijk maakt maar niet verplicht stelt. Daarbij is het wel van belang dat de volksvertegenwoordigers daartoe (in meerderheid) besluiten, en dat de bevoegdheid om te bepalen dat er gebruikt wordt gemaakt van de mogelijkheid tot digitale besluitvorming niet bij burgemeesters, dijkgraven of de CdK’s komt te liggen. Het wetsvoorstel lijkt die bevoegdheid echter niet bij de volksvertegenwoordigers te leggen. De Partij voor de Dieren maakt zich daar zorgen over en vraagt de regering haar keuze hiervoor nader toe te lichten. Ook vragen zij de regering in te gaan op de vraag hoe het individuele recht van volksvertegenwoordigers om hoofdelijke stemmingen aan te vragen gewaarborgd blijft.

De Partij voor de Dieren leest met instemming dat de wet tijdelijk is, maar vraagt zich af waarom de gekozen vervaldatum 1 september 2020 is, en niet bijvoorbeeld 1 juni 2020, waarnaar de Raad van State verwijst en de onderbouwing daarvoor, namelijk dat de beperkende maatregelen vooralsnog tot 1 juni zijn aangekondigd. Zeker gezien de mogelijkheid in de wet om deze tijdelijke wet te verlengen bij Kb.

Hoe denkt het kabinet überhaupt om te gaan met deze mogelijkheid en welke garanties kan zij geven dat de wet daadwerkelijk komt te vervallen zodra dat mogelijk is?