Inbreng Nader Verslag Crisis- en Herstelwet


19 juni 2012

Inleiding
De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben met onvrede en stijgende verbazing kennisgenomen van de genoemde nota naar aanleiding van het verslag. Deze wet, die tientallen wetten ter bescherming van de natuur, het milieu en rechten van burgers opzij zet, is bij uitstek controversieel. Toch wil de demissionaire regering doorgaan met haar voornemen om de eindtijd uit de wet te halen, waardoor deze de facto permanent wordt. Deze permanent making geschiedt ook zonder dat er kennis was genomen van de evaluatie van de werking van de wet over de afgelopen twee jaar. Na de inbreng van het verslag, maar voor het ontvangen van de nota naar aanleiding van het verslag is de eerste evaluatie nu aan de Kamer gestuurd. Deze evaluatie en de nota naar aanleiding van het verslag roepen bij de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vragen op, die willen zij de regering om die reden nog voorleggen.

Algemeen De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren willen graag meer weten over de nota van wijziging die de regering aankondigt. Wat wordt er in deze wijziging geregeld? Waarom is de wijziging nodig? Wanneer komt deze nota naar de Kamer?

De regering stelt dat het eigenlijk onontkoombaar is om de Crisis- en Herstelwet nu onbeperkt te verlengen, omdat voor langlopende projecten, die vaak ook een lange voorbereidingsduur kennen, het vooruitzicht dat op relatief korte termijn het Crisis- en Herstelwet-regiem afloopt onzekerheid geeft. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vinden dit een drogreden. Immers, de Crisis- en Herstelwet was bedoeld als tijdelijke wet. Daarbij was voor alle projecten die eronder vallen duidelijk dat er een eindtermijn was, waarop het oude regiem weer zou gelden. De regering doet nu net alsof dat grote problemen op zou leveren maar kan zij bevestigen dat dit nu juist de afspraak was, en dat de uitvoeringspraktijk dat wist en daar prima mee uit de voeten kan?

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben in het verslag gevraagd naar de effecten van de Crisis- en Herstelwet op natuur en milieu. Zij hebben gevraagd naar een uitgebreide analyse over de mate waarin de wijzigingen, die onder andere reeds zijn en worden aangebracht in de Natuurbescherminswet, ook daadwerkelijk de kwaliteit van de besluitvorming hebben bevorderd. De regering antwoord in de nota naar aanleiding van het verslag dat uit de evaluatie niet blijkt dat deze belangen door de Crisis- en Herstelwet opzij zijn gezet. De regering zegt dat de wijzigingen in de natuurbeschermingswet niets te maken hadden met maatregelen die de kwaliteit van besluitvorming veranderen, noch de voorschriften versoepelen. Hoe kan het dan dat de Raad van State grote vraagtekens zette bij het kwaliteit van natuurbescherming als gevolg van de doorgevoerde wijzigingen? Zij oordeelde dat het vervangen van het vergunningstelsel door een aangschrijvingsbevoegdheid een reëel risico op onomkeerbare schade’met zich mee brengt. Vindt de regering dit verantwoord? Kan de regering bevestigen dat de wijzigingen die zijn middels de Crisis- en Herstelwet hebben doorgevoerd wel degelijk effect zouden kunnen hebben op de kwaliteit van besluitvorming en de striktheid van de voorschriften? Zo nee, hoe verhouden de uitspraken van de Raad zich hier dan mee? Waarom wil de regering geen uitgebreide analyse laten uitvoeren over de effecten van de Crisis- en Herstelwet op natuur en milieu, over de kwaliteit van de besluitvorming? De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren constateren na lezing van deze evaluatie dat de stelling dat de Crisis- en Herstelwet de belangen van milieu en natuur niet opzij hebben gezet een nogal gratuite stelling is, omdat de evaluatie op geen enkele wijze heeft onderzocht wat de effecten op het milieu en de natuur zijn van de Crisis- en Herstelwet en de uitvoering van de projecten die onder dit regiem zijn uitgevoerd. Er is enkel en alleen gekeken naar de juridische consequenties van deze wet. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vinden de evaluatie, hoewel waardevol op zijn eigen manier, dan ook veel te mager om zo’n uitspraak op te doen, en eveneens geen goed zicht gevend op de consequenties van deze wet. Kan de regering bevestigen dat er maar een zeer beperkte – want enkel juridische- evaluatie ligt nu, en deelt zij de mening van deze leden dat er een uitgebreidere evaluatie noodzakelijk is om ook de consequenties van de Crisis- en Herstelwet op economie, natuur, milieu en burgers nodig is alvorens een besluit kan worden genomen over de wenselijkheid om nu het tijdelijke karakter van de Crisis- en Herstelwet op te heffen, en tevens voordat er onderdelen van deze wet worden opgenomen in de aangekondigde Omgevingswet en andere delen structureel te maken door een wijziging van de Algemene Wet bestuursrecht? Is de regering bereid om opdracht te verlenen voor een dergelijke bredere evaluatie en de consequenties van de uitkomsten van een dergelijke evaluatie over te laten aan een nieuw kabinet? Zo nee, waarom niet?
De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren willen graag weten op welke wijze andere ministers betrokken zijn bij de uitvoering van de projecten onder de Crisis- en Herstelwet, en bij de monitoring van de effecten van de afgelopen twee jaar hiervan. Op welke wijze is de betrokkenheid van het ministerie van Economische zaken, Landbouw en Innovatie vormgegeven? Immers, de Crisis- en Herstelwet heeft de Natuurbeschermingswet ingrijpend gewijzigd. De Programmatische Aanpak Stikstof is door de Kamer in de Crisis- en Herstelwet geamendeerd, en is twee jaar later nog steeds niet definitief vastgesteld en aan de Kamer gestuurd. Dit verbaasd de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren niets, omdat zij er steeds op hebben gewezen dat er helemaal geen milieugebruiksruimte met betrekking tot stikstof over is, omdat de depositie van stikstof drastisch naar beneden moet om de vereiste natuurkwaliteit in Natura2000 gebieden te halen, en dat er dus ook helemaal niets te verdelen is via beheerplannen. Zij hebben er ook steeds op gewezen dat het plan om via beheerplannen in plaats van vergunningen te werken juridisch niet haalbaar is en zowel de natuur als de betrokken ondernemers rechteloos zal maken.

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren willen graag weten op welke wijze het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport betrokken is bij de totstandkoming van de voorliggende wet en bij de monitoring van de effecten van de projecten die momenteel onder de Crisis- en Herstelwet zijn en worden uitgevoerd? Immers, zeker de mogelijkheid in deze wet om af te wijken van de milieu –waaronder de geluids- normen kan grote consequenties hebben voor de volksgezondheid. Wanneer er over een langere periode geluidsoverlast heerst, kan dit omwonenden ernstige gezondheidsproblemen opleveren, kan de regering dat bevestigen? Zo nee, op basis van welk wetenschappelijk onderzoek komt zij tot een andere conclusie? Zo ja, op welke wijze acht de regering het aanvaardbaar dat voor een kleine economische winst de volksgezondheid op een tweede plan wordt geschoven? Op welke wijze worden de volksgezondheidseffecten van dergelijke projecten gemonitord?

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren willen graag nader geïnformeerd worden over de methode en planning van het opstellen van de nieuwe Omgevingswet en de wijziging van de AWB waarin onderdelen van de Crisis- en Herstelwet verankerd zullen worden. Hoever zijn beide projecten nu? Welke invloed heeft het vallen van dit kabinet daarop gehad? Op welke wijze worden de verschillende ministeries betrokken bij de opstelling en wijziging van deze wetten? Kan de regering uiteenzetten op welke wijze deskundigen en belanghebbenden van buiten de ministeries bij deze werkzaamheden betrokken zijn? In alle correspondentie met de Kamer over de Crisis- en Herstelwet lijkt de regering alleen Bouwend Nederland te erkennen als belanghebbende bij deze omvangrijke wet, constateren de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren. Welke andere belanghebbenden bij deze wet onderscheidt de regering, en op welke manier zijn en worden zij betrokken bij deze omvangrijke wijzigingen?

Versnelling besluitvorming De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren constateren dat de evaluatie negatief is over het makkelijker laten passeren van gebreken in een besluit door de rechter. Zij wijzen erop dat de regering met dit artikel mede beoogde om verhullend taalgebruik in de rechtbank tegen te gaan, omdat een rechter een gebrek niet zou benoemen om daarvoor het besluit niet te hoeven vernietigen. De evaluatie wijst uit dat de regering weer ander verhullend taalgebruik uitlokt, omdat er een groot risico bestaat dat de gebreken niet eens meer als zodanig benoemd worden maar direct gepasseerd worden door de rechter. Er wordt gewezen op de mogelijkheid dat dit een aantasting van het rechtsgevoel bij de appellant teweegbrengt, die het vertrouwen in de rechtspraak kan schaden. Herkent de regering zich daarin? Hoe beoordeelt de regering dit? Welke consequenties neemt de regering hieruit, is zij bereid dit te herstellen door een nota van wijziging? Zo nee, waarom niet en waarom vindt de regering het kennelijk geen probleem om voor een minieme tijdwinst het rechtsgevoel van de burger aan te tasten en het vertrouwen in de rechtspraak op het spel te zetten?

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren willen alsnog graag antwoord op de kritiek die de Commissie voor de m.e.r. heeft geuit dat alleen een schets van de voornaamste alternatieven die de initiatiefnemer heeft onderzocht nog steeds in strijd is met de (gedachte van) de Europese Milieueffectrapportagerichtlijn omdat hiermee reële alternatieven waarop inspraak mogelijk is buiten beeld kunnen blijven. De regering heeft zich in het antwoord op deze vraag in de nota naar aanleiding van het verslag beperkt tot het versmald ingaan op twee voorbeelden die de Kamer heeft gegeven bij dit probleem, de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vinden dat een beetje flauw en tekenend voor de beperkte blik die de regering steeds aanwendt wanneer het gaat om de Crisis- en Herstelwet. Zij krijgen graag een reactie op de brede kritiek van de Commissie voor de m.e.r. Het is heel wel denkbaar dat door deze lichte m.e.r.-procedure waardevolle varianten buiten beschouwing blijven, kan de regering dat bevestigen? Zo ja, deelt de regering dan ook de mening dat dit in strijd is met de m.e.r.-richtlijn? Zo nee, waarom niet en waarom zouden de experts op dit onderwerp, namelijk de Commissie voor de m.e.r., deze mening dan toegedaan zijn?
In antwoord op een andere vraag van de Kamer over de m.e.r. antwoordt de regering dat zij het van belang acht voor bepaalde projecten om de mogelijkheid te bieden van een verlichte procedure bij de project-m.e.r. Hiermee lijkt de regering aan te geven dat alleen ‘bepaalde’ projecten aan de bijlage van de Crisis- en Herstelwet kunnen worden toegevoegd zodat zij van deze mogelijkheid gebruik kunnen maken. Dit is echter niet het geval, omdat er helemaal geen duidelijke criteria zijn opgenomen waaraan het wel of niet op de bijlage plaatsen van deze projecten wordt getoetst. Het is simpelweg genoeg wanneer een gemeente een verzoek doet tot plaatsing op de bijlage, kan de regering dat bevestigen? Zo nee, aan welke criteria worden gekandideerde projecten dan getoetst alvorens zij op de bijlage worden geplaatst, en door wie en op welke wijze geschiedt deze toetsing? Zo ja, op welke wijze wordt het lichtere regiem van de mer, waarmee er de kans bestaat dat betere alternatieven buiten beschouwing blijven, dan gerechtvaardigd?

Versnelling gerechtelijke procedure De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren constateren dat uit de evaluatie blijkt dat andere rechtszaken vertraging oplopen door de verkorte uitspraaktermijnen. Hoe beoordeelt de regering dat? De evaluatie stelt kort en goed: hoe vaker zich de situatie voordoet dat de bestuursrechter een zaak binnen 6 maanden moet afdoen, des te kleiner de kans is dat hij die termijn haalt en des te groter de kans dat de behandeling van andere zaken extra lang duurt. Vindt de regering dat verantwoord? Erkent de regering dat door het verlengen van de Crisis- en Herstelwet dit probleem alleen maar groter wordt? Welk economisch effect zal dat hebben voor Nederland? De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren menen dat de regering zich hiermee in de vingers snijdt en het bijna noodzakelijk maakt voor gemeenten en projectontwikkelaars om hun projecten onder de Crisis- en Herstelwet te brengen willen zij nog kans hebben om binnen een redelijke termijn hun project gerealiseerd te zien, herkent de regering dat? Is zij bereid deze tweedeling in het bestuursrecht en de prikkels die daarvan uitgaan te herroepen door deze wet in te trekken? Zo nee, waarom niet?

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren menen dat de regering nogal eenzijdig uit de evaluatie put. Zo stelt de regering meerdere malen in de nota naar aanleiding van het verslag dat de Crisis- en Herstelwet geen afbreuk doet aan de mogelijkheden van inspraak en rechtsbescherming. Deze leden vragen zich af waar de regering zich in deze op baseert. Zij hebben namelijk altijd betoogd dat deze wet dat wel degelijk doet, en zij zien hun oordeel bevestigd door de evaluatie. De onderzoekers schrijven dat de wettelijke eis dat de bezwaar- of beroepsgronden binnen de termijn naar voren moeten zijn gebracht fors is, mede gelet op de consequenties en gezien het feit dat het dikwijls om complexe besluiten gaat. Dit is ook het punt dat de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren steeds naar voren hebben gebracht. Het is niet redelijk om te verwachten dat waar een bedrijf al jaren bezig is geweest met een project, dat een burger wiens belangen wellicht geschaad worden door dit project binnen enkele weken een uitputtend beroepsschrift heeft opgesteld. Dit constateren de onderzoekers ook. Zij stellen tevens dat deze regeling een belangrijk probleem in het leven heeft geroepen over of potentiële appellanten op de hoogte zijn van deze bijzondere regeling en de omstandigheid dat deze in het betreffende geval van toepassing is. De onderzoekers constateren dat het niet redelijk is om dat te verwachten van belanghebbenden. Ook niet na de wijziging in de aankondiging die het besluit uitvoering chw heeft gegeven. Herkent de regering dit probleem, en is zij bereid om aan appelanten meer helderheid te verschaffen over de procedure die zij moeten volgen wanneer zij beroep in willen stellen over een besluit wat op grond van de Crisis- en Herstelwet is genomen? Zo ja, op welke wijze en termijn? Zo nee, waarom niet? In de evaluatie wordt tevens gesteld dat deze bepaling nog steeds strijdig zou kunnen zijn met hoger Europees recht. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben in de behandeling van de Crisis- en Herstelwet ook steeds op gewezen dat het Verdrag van Aarhus een ieder het recht geeft om naar de rechter te stappen over een besluit wat zijn leefmilieu raakt, en dat deze drastische inperking van dat recht niet geoorloofd is. De onderzoekers formuleren datzelfde vermoeden in deze evaluatie, omdat de inperking van het recht van burgers ook in hun ogen fors is. Welke consequenties trekt de regering hieruit? Is de regering bereid om toe te geven dat het antwoord op de stelling hierover van de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren in het verslag, waarin de regering aangeeft de verwachting van deze leden dat er meerdere uitspraken zullen volgen waaruit blijkt dat de chw niet in overeenstemming is met Europees recht niet te delen, te nuanceren nu ook de evaluatie aangeeft dat een dergelijke uitspraak op dit punt wel degelijk in de lijn der verwachting ligt? Zo nee, waarom niet?

Graag krijgen de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren een uitgebreide reactie op een van de stevigste conclusies uit de evaluatie van de Crisis- en Herstelwet, namelijk die over de beperking van het mogen aanvoeren van gronden. In de evaluatie staat dat de betreffende bepalingen in de Crisis- en Herstelwet zijn te beschouwen als ingrijpende beperkingen van de mogelijkheden gronden aan te voeren, die raken aan het fundamentele recht op toegang tot de rechter. De onderzoekers constateren, en de leden van de Partij voor de Dieren met hen, dat het geen aanbeveling verdient deze permanent te maken, laat staan algemeen. De onderzoekers constateren dat het leidt tot technisch geharrewar dat niet gaat over de kern van het geschil (veelvuldig discussie in de rechtspraak over de vraag of in het betreffende geval sprake is van een – niet aanvaardbare – nieuwe grond dan wel van geoorloofde aanvulling van een al aangevoerde grond). Hoe beoordeelt de regering dit? Vindt zij dit werkelijk een verbetering van de procesgang, en zo ja, op welke gronden dan? Ook wordt in de evaluatie gesteld dat wanneer de bepalingen daadwerkelijk worden toegepast om gronden buiten de orde te verklaren, zij afbreuk doen aan het vertrouwen van burgers in de rechtsstaat. Hoe beoordeelt de regering dit, en welke conclusies verbindt de regering hieraan?
De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren willen tevens graag een reactie op de ernstige aanbeveling die in de evaluatie wordt gedaan om, wanneer er ondanks de forse waarschuwingen van de onderzoekers over het effect op het vertrouwen in de rechtstaat wanneer de beperking van het aanvoeren van gronden toch permanent zou worden gemaakt, het besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet zo aan te passen dat er expliciet tot uitdrukking komt dat niet-ontvankelijkverklaring zal volgen als een bezwaar- of beroepschrift niet of onvoldoende van gronden is voorzien, en wel zonder dat eerst gelegenheid tot herstel van het vormverzuim zal worden geboden. Is de regering bereid gevolg te geven aan deze aanbeveling? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn?

Hoewel de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren zich realiseren dat het relativiteitsvereiste op dit moment naast de Crisis- en Herstelwet al generiek is verankerd via een andere wetswijziging, en dat de Kamer daar mee heeft ingestemd, wensen zij toch vragen te stellen hierover naar aanleiding van de vernietigende conclusies in de evaluatie van de Crisis- en Herstelwet. De evaluatie wijst, zoals de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren ook meermaals hebben gedaan, op het gevaar van het stemloos worden van bepaalde belangen. In de evaluatie wordt een geval beschreven waarin een besluit, dat niet deugdelijk onderbouwd was en dus in andere gevallen vernietigd zou zijn door de rechter, toch doorgang kreeg omdat het beroep is afgewezen na toepassing van de relativiteitseis. Omwonenden van een nieuwe woonwijk hadden beroep ingesteld, waarin zij wezen op het niet correct toepassen van de afstandsvereiste tussen woningen en een bestaand bedrijventerrein, maar werden afgewezen omdat zij niet mochten opkomen van de belangen van nieuwe bewoners. Zoals de regering heel goed weet, zijn de nieuwe bewoners meestal nog niet bekend, en dus ook niet in staat om zelf beroep in te stellen. Op welke wijze worden de belangen van nieuwe bewoners nog geborgd bij toepassing van het relativiteitsvereiste? En dit gaat natuurlijk breder op, er zullen meerdere belangen nu stemloos worden. De evaluatie wijst ook op de grote mogelijkheid van het ontstaan van veel meer van dit soort problemen bij bredere toepassing van het relativiteitsvereiste. Herkent de regering dit probleem? Hoe beoordeelt zij dit? Hoe vindt zij dit gerechtvaardigd? Welke consequenties neemt de regering hieruit?

Verbeteringen omgevingsrecht en actualisatie De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren zien dat niet alleen de evaluatie van de projecten die tot nu toe onder de Crisis- en Herstelwet zijn gebracht maar ook de normatieve juridische evaluatie van de Crisis- en Herstelwet nuttige inzichten heeft gegeven over de artikelen die zijn opgenomen in de chw en over de werking en de consequenties daarvan. Zij willen dan ook graag een dergelijke beschouwing zien over de ‘quick wins’ die de regering nu in het voorliggende wetsvoorstel voorstelt. Is de regering bereid de onderzoekers een ex-ante evaluatie uit te laten voeren over de door haar voorgestelde ‘quick wins’, alvorens met de nota van wijziging te komen, zodat zij eventuele nuttige inzichten hierin mee kan nemen? Zo nee, waarom niet?

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren maken zich zorgen over de consequenties die het verlengen van de houdbaarheid van de gegevens heeft voor de kwaliteit van de besluiten, zeker in combinatie met de bepaling dan besluiten die na vernietiging van het oorspronkelijke besluit door de rechter ‘ex tunc’ genomen mogen worden. Stel dat een besluit wordt genomen op basis van gegevens die twee jaar oud zijn. Dit besluit wordt vernietigd, waarna er vervolgens ex tunc een nieuw besluit wordt genomen. Door de lange tijd die er tussen het nemen van een besluit en het moeten nemen van een nieuw besluit na vernietiging door de rechter kan liggen, heeft dit als consequentie dat de gegevens ten grondslag liggen aan dit nieuwe besluit al zeer oud zijn, en dat er grote kans is dat deze gegevens tevens niet meer actueel zijn, kan de regering dat bevestigen? Hoe ziet de regering de consequenties van het combineren van de mogelijkheid een besluit ex tunc te nemen, en de houdbaarheid van gegevens op twee jaar te leggen? Deelt de regering de mening dat dit kan leiden tot ondeugdelijke besluiten die namelijk niet gebaseerd zijn op actuele gegevens, en die daardoor weer makkelijker vernietigd zullen worden door de rechter? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke conclusies verbindt de regering hieraan?

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren maken zich zorgen over de effecten die de experimentele projecten kunnen hebben op mens, milieu en natuur. De ‘actualisatie’ van de Crisis- en Herstelwet in het voorliggende wetsvoorstel schrapt de plicht tot evaluatie van de experimentele projecten. De regering antwoord in vragen hierover dat beoogd is de evaluatie van lopende projecten zodanig te vervroegen dat lering getrokken kan worden van deze experimenten voor de nieuwe Omgevingswet. Maar dat deze projecten überhaupt worden geëvalueerd, is nu nergens meer wettelijk geborgd, kan de regering dat bevestigen? Hoe gaat zij ervoor zorgen dat er dan een evaluatie uitgevoerd wordt?
In antwoord op vragen van de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren stelt de regering dat niet is beoogd dat met het schrappen van de bepaling dat ontwikkelingsgebieden alleen in stedelijk gebied worden gerealiseerd, dat er nieuwe landbouwontwikkelingsgebieden worden gecreëerd. Het kan zijn dat dit niet beoogd is, maar de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren willen erop wijzen dat het wel degelijk een mogelijk is, kan de regering dat bevestigen? Dit kan grote gevolgen hebben voor het buitengebied, voor milieu en natuur, en voor de volksgezondheid. Deze leden willen erop wijzen dat de Gezondheidsraad momenteel onderzoek doet naar de gevolgen van de intensieve veehouderij op de volksgezondheid, en naar de mogelijkheid en wenselijkheid van het instellen van afstandsnormen tussen veehouderijen en woningen. De mogelijkheid die het voorliggende wetsvoorstel creëert voor het instellen van ontwikkelingsgebieden op het platteland waar van de geldende normen afgeweken kan worden, kan het veel moeilijker maken om dergelijke normen in te stellen wanneer daar inderdaad de behoefte toe bestaat, kan de regering dat bevestigen? De regering heeft moeten erkennen dat zij met het opheffen van de restrictie dat dit soort ontwikkelingsgebieden beperkt zijn tot stedelijke gebieden, voorbij gaat aan de uitgesproken wens van de Kamer tijdens de behandeling van de oorspronkelijke Crisis- en Herstelwet dat het platteland uitgezonderd bleef van deze experimentele mogelijkheid. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vinden het kwalijk dat de regering dit niet heeft neergezet in de Memorie van Toelichting van het voorliggende wetsvoorstel en pas hiermee komt naar aanleiding van vragen van de Kamer. De motivering en uitleg hierbij die de regering aandraagt in de nota naar aanleiding van verslag vinden de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren ook zeer mager. De regering verwijst slechts naar de noodzaak tot een gelijk speelveld, en een oud VROM-rapport. Dit rapport, en uiteraard ook het argument van een gelijk speelveld, waren al bekend tijdens de behandeling van de oorspronkelijke chw, waar de Kamer toch een amendement heeft aangenomen om de ontwikkelingsgebieden te beperken tot stedelijke gebieden. Er is in de ogen van de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren sindsdien niets veranderd, en de regering is kennelijk ook niet in staat tot het geven van nieuwe overtuigende argumenten waarom de beperking tot stedelijke gebieden nu moet vervallen. Waarom wordt hier dan toch voor gekozen? Naar welke projecten verwijst de regering wanneer zij stelt dat hiermee voortgebouwd wordt op positieve ervaringen die zijn opgedaan met de regeling voor de ontwikkelingsgebieden?

Effecten van het wetsvoorstel De regering merkt in de nota naar aanleiding van het verslag op dat het doorslaggevende argument om een advies wel of niet (volledig) te volgen, kan zijn ingegeven door de politieke wens, bijvoorbeeld vastgelegd in een Regeerakkoord, om een bepaald doel te willen realiseren. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren nemen er kennis van dat de regering willens en wetens haar onwelgevallige adviezen naast zich neerlegt en het kennelijk belangrijker vindt om een afspraak in een regeerakkoord, wat door het vallen van dit kabinet al geen enkele kracht of zeggenschap meer heeft, uit te voeren, dan de belangen van al haar burgers te behartigen. Vindt de regering dit verantwoord, terwijl de adviezen meermalen aangeven dat hoewel de regering nastreeft versnelling te brengen in de besluitvorming en verbetering in de rechtsgang er juist vertragingen op zullen gaan treden door genomen maatregelen en de rechtsgang eerder verslechterd dan verbeterd? Zij kunnen niet anders dan hun grote verbazing en teleurstelling uitspreken over een dergelijke opstelling van een regering die zich sterk zou moeten maken voor de belangen van iedereen in dit land. Graag een reactie.