Bijdrage Wassenberg AO L&Vraad 27 en 28 juni 2016


22 juni 2016

Voorzitter, door overbevissing lopen visvangsten in de Europese zeeën al jarenlang terug. Als gevolg daarvan wijkt de Europese visserij uit naar elders. Europese vissers plunderen – met subsidie van de EU – visgebieden buiten Europa, zoals voor de kust van Afrika. Ook daar zijn de vispopulaties inmiddels ernstig overbevist. Dat heeft effecten op de mariene ecologie, maar ook lokale samenlevingen worden ontwricht, omdat de plaatselijke vissers niets meer te vangen hebben.

Voorzitter, het wegvangen van visbestanden buiten de Europese Unie, ten koste van lokale gemeenschappen, is ontoelaatbaar. Het voorstel van de Europese Commissie voor het beheer van de externe vloot is een stap in de goede richting. Een eerste stap, maar voor de Partij voor de Dieren is dit zeker niet voldoende.

Wij maken ons in het bijzonder zorgen over het wegvallen van artikel 5.1, dat verbiedt dat schepen, die ernstige overtredingen hebben begaan, toegang krijgen tot niet-Europese wateren. Het minste wat je zou mogen verwachten, is dat de vissers de regels niet willens en wetens overtreden. Is de staatssecretaris het met mij eens dat een verklaring van goed vissersgedrag een voorwaarde zou moeten zijn van elke visserijovereenkomst? Zeker van de Duurzame Visserij Partnerschap Overeenkomsten, waarvoor de EU jaarlijks 145 miljoen betaalt? Is de staatssecretaris bereid zich in te spannen om artikel 5.1 terug te laten plaatsen?

voorzitter, de Europese Commissie heeft de wettelijke verplichting om de volksgezondheid en de gezondheid van dieren en planten te beschermen tegen hormoonverstorende stoffen. Dat moest al vanaf 2013. Met criteria die op gevaren zijn gebaseerd – gevaren voor het hormonale systeem, gevaren voor de groei, ontwikkeling, morfologie en reproductie van de mens. Vooral ongeboren baby's blijken erg kwetsbaar. In hun ontwikkeling kan een kleine verandering in de hormoonbalans grote gevolgen hebben. Maar nu - 3 jaar te laat – komt de Commissie met criteria die op risico's voor groepen zijn gebaseerd. Daarmee overtreedt de Commissie opnieuw de wet, die immer voorschrijft dat er in 2013 op gevaren gebaseerde criteria zouden moeten zijn. In het voorstel van de Commissie – geen gevaren, maar risico’s – vallen de zeer schadelijke effecten van hormoonverstoorders op ongeboren kinderen weg tegen de minder grote risico’s voor ouderen, die minder kwetsbaar zijn. Risico's voor kwetsbare groepen worden weggestreept als andere groepen minder kwetsbaar blijken. De gevaren worden zo verhuld. Maar ze zijn er nog steeds.

Met deze Implementing Act verzwakt de Europese Commissie de basiswetgeving. Bovendien heeft het de hormoonverstoorder-definitie van de Wereldgezondheidsorganisatie verdraaid. Tijdens de Milieuraad van afgelopen maandag hebben Frankrijk, Zweden, België, Luxemburg en Denemarken naar verluidt in harde bewoordingen afstand genomen het voorstel van de Europese Commissie. Voorzitter, waarom heeft Nederland zich daar niet bij aangesloten? En wat heeft Nederland dan wel gezegd daar? Is de staatssecretaris bereid om aan de Commissie duidelijk te maken dat dit voorstel zo snel mogelijk vervangen moet worden door een voorstel dat is gebaseerd op criteria die wél de volksgezondheid en het milieu beschermen? Gebaseerd op dus gevaren, en niet op economische motieven.

Dan, voorzitter, in 2015 bleek dat we door het nationale en Europese fosfaatplafond geschoten waren. En afgelopen week meldde het Europese milieuagentschap EEA dat Nederland in 2014 met maar liefst 6 miljoen kilo het ammoniakplafond heeft overschreden.

Voorzitter, de Europese Commissie heeft nieuwe NEC-plafonds voorgesteld waarin ook normen staan voor fijnstof en methaan. Voorzitter, als we nu niets doen dan kunnen we er vanuit gaan dat er aanvullende methaan-, fijnstof-, stikstofoxiden- en ammoniakregels komen.

De Partij voor de Dieren ziet meer in een integraal beleid gebaseerd op grondgebondenheid, weidegang en agro-ecologie. Veel regelgeving kan dan worden vereenvoudigd of zelfs afgeschaft, zonder dat er aan de doelen of de uitstootcijfers geknutseld hoeft te worden. Is de staatssecretaris bereid om zich als voorzitter hiervoor in te zetten en ook het Nederlandse beleid hierop aan te passen? Graag een reactie.

En dan tot slot, voorzitter, op 17 mei ontving de staatssecretaris in Brussel 600.000 handtekeningen van Compassion in World Farming tegen huisvesting van draadgazen kooien voor konijnen. Mijn vraag is een eenvoudige: wil de staatssecretaris gehoor geven aan deze breed ondersteunde petitie, gaat hij zich inzetten om een einde te maken aan kooi-huisvesting voor konijnen?

Staatssecretaris Van Dam:

Voorzitter. Ik hoop dat ik met de veelheid aan vragen alle antwoorden ga geven, maar u trekt waarschijnlijk wel aan de bel als dit niet het geval is. Het is de laatste Landbouw- en Visserijraad onder Nederlands voorzitterschap. Het is überhaupt de laatste Raad onder Nederlands voorzitterschap. Dat kan ook niet anders, want er zijn na deze Landbouw- en Visserijraad nog maar twee dagen van het Nederlands voorzitterschap over. Daarmee komt er een einde aan een boeiende periode. Een periode waarin je in het midden zit van de Europese besluitvorming, wat soms meer mogelijkheden geeft maar soms ook minder. We hebben dat eerder met elkaar gewisseld, toen de Kamer vroeg waarom ik mij op bepaalde onderwerpen niet steviger opstelde. Het voorzitterschap vergt soms dat je probeert om de verschillende geluiden in de Raad bij elkaar te brengen en dat maakt het lastiger om het Nederlandse standpunt met grote trom uit te dragen. Tegelijkertijd kunnen we terugkijken op een voorzitterschap waarbij we veel van de vooraf gestelde ambities hebben kunnen realiseren. Veel van die onderwerpen komen langs in dit algemeen overleg. Terugkijkend denk ik dat we gedurende deze zes maanden het meeste van wat we van plan waren, hebben kunnen realiseren. Dat is een enorme klus geweest, zeker ook voor alle mensen op het departement. We mogen de huid niet verkopen voordat de beer geschoten is. We kijken dus pas terug na deze Landbouw- en Visserijraad, want we hebben nog een paar ingewikkelde hobbels tijdens de Raad te nemen. Voorzichtig aan kijken we met de nodige tevredenheid terug.

Ook voor deze Raad staat de marktsituatie op de agenda -- het is een terugkerend patroon tijdens het gehele voorzitterschap -- omdat op drie markten Europese producenten last hebben van lage prijzen. Deels komt dat door het wegvallen van de Russische markt door de Russische boycot. De Kamer en ik hebben daarover een van de prettigste petities van de afgelopen maanden aangeboden gekregen. Die staat hier voor me en ik adviseer de commissie van harte om er gretig gebruik van te maken. De aanleiding is natuurlijk minder prettig; de fruittelers hebben behoorlijk veel last gehad van het feit dat de Russische markt is dichtgegaan. Zij vertelden net buiten de zaal dat zij ongeveer een vijfde van hun omzet op de Russische markt haalden. Die is weggevallen. We moeten realistisch zijn dat die markt niet van vandaag op morgen weer opengaat. Alles heeft natuurlijk te maken met de politieke situatie, de politieke spanningen tussen de EU en Rusland, in het bijzonder over de activiteiten van Rusland in Oekraïne. Zoals de Kamer heeft kunnen lezen, is er ook deze week weer in Europees verband over gesproken.

Er is een aantal dingen in gang gezet vanaf het moment dat de boycot tot stand kwam. Ten eerste is er in Europees verband een pakket aan bijzondere maatregelen genomen voor steun aan producenten van groente en fruit. Die gingen met name over interventie, dus het van de markt halen van aanbod. Nederlandse telers hebben daar weinig gebruik van gemaakt. Het is natuurlijk altijd zoeken naar de reden daarvoor. De een zal zeggen dat de prijzen aan de lage kant waren en de ander dat er nieuwe markten zijn aangeboord. Voor Nederland is maar ongeveer 12% van de mogelijkheden gebruikt voor het uit de markt nemen van appels en peren en slechts 3% voor het uit de markt nemen van tomaten en paprika's. Nederlandse producenten hebben internationaal een sterke positie, dus zowel mijn voorganger als ik hebben volop ingezet op het uitbuiten, het benutten, van die positie door internationaal nieuwe markten te openen. Een voorbeeld daarvan is Vietnam. Dat is ook opengegaan door inspanningen van onze kant. De heer Bosma vroeg wat de resultaten van de handelsmissies zijn. We zijn nog bezig met Zuid-Afrika. Die handelsmissie heb ik zelf in november vorig jaar bijgewoond. Het openen van een nieuwe markt heeft best wat voeten in de aarde, want de gesprekken daarover lopen nog steeds. We zijn optimistisch dat het uiteindelijk gaat lukken omdat er in Zuid-Afrika een behoefte is aan fruit in het seizoen waarin men het zelf niet kan telen, maar we krijgen zo'n markt niet van de ene op de andere dag open. Dat vergt de nodige inspanning.

De heer Geurts vroeg of er wel voldoende inzet is vanuit EZ dan wel de NVWA om de exportmogelijkheden te ondersteunen. De capaciteit daarvoor is de afgelopen jaren niet minder geworden en men heeft niet de ervaring dat dossiers blijven liggen. De capaciteit is voldoende om de inzet op het vergroten van de exportmogelijkheden aan te kunnen en te ondersteunen.

Andere afzetmogelijkheden liggen gewoon op onze binnenlandse markt. Ik geloof dat mevrouw Dik-Faber dat ook zei. Het zou voor iedereen goed zijn, niet alleen voor de telers maar ook voor de consument en voor kinderen, om wat meer fruit en groente te eten. Daar zijn we druk mee bezig. Een van de leden vroeg of ik daarin kan optrekken met VWS. Ik bekijk samen met de staatssecretaris van VWS, die over preventie gaat, op welke manier we langs verschillende sporen de consumptie van groente en fruit kunnen stimuleren. We bekijken ook samen met de telersorganisaties of we een deel van het geld voor gemeenschappelijke marktordening (GMO) -- dat is weer ander Europees subsidiegeld voor de tuinbouw -- kunnen inzetten voor de promotie van de consumptie van groente en fruit. Ik verwacht er dit najaar concrete voorstellen voor. Ik verwacht ook na de zomer nadere voorstellen te kunnen presenteren over de wijze waarop we de consumptie van groente en fruit bij kinderen gaan stimuleren. Na afloop van het komend schooljaar gaat de nieuwe periode van het EU-schoolfruitprogramma in. Dit wordt uitgebreid en de inzet is om daar extra activiteiten aan te koppelen. Nationaal proberen we de consumptie van groente en fruit aan te jagen en te stimuleren. Dat is zeker in het belang van ons aller gezondheid. Ik geloof dat ik mij het doen van de volgende aanwijzing wel mag permitteren: eet meer fruit, dat is goed voor iedereen en we helpen er ook nog eens de Nederlandse telers een klein beetje extra mee.

Er staan meer marktmaatregelen op de agenda. Er wordt volop gesproken over de zuivelmarkt en de markt voor varkensvlees. Het positieve nieuws is dat op beide markten de prijzen iets lijken aan te trekken. Er is echter, zoals ik eerder heb gezegd, geen sprake van een tijdelijk probleem. Er is zeker op de markt voor varkensvlees sprake van een structureel probleem omdat er structureel meer productie dan vraag is. Weliswaar zien we internationaal de afzetmogelijkheden iets vergroten, maar de grote vraag is hoe duurzaam dit is en of dit een antwoord biedt op de problemen waarmee de Europese producenten zitten. Daarvoor loopt vanuit de Nederlandse sector het traject-Rosenthal. Ik verwacht op korte termijn, waarschijnlijk nog deze week, de Kamer te kunnen informeren over wat daaruit komt en op welke manier dit vanuit het departement ondersteund kan worden.

In de Raad hebben we afgesproken dat in de komende Raad besproken wordt wat het effect is van het pakket dat in maart is neergelegd en of er meer moet gebeuren. De maatregelen van maart hebben vooral ingezet op de vrijwillige beperking van de productie, in het bijzonder in de zuivel. Daar is beperkt gebruik van gemaakt. We hebben eerder besproken dat er ruimte was voor lidstaten om dit te ondersteunen, omdat het staatssteunkader iets is opgerekt. Daar is tot nu toe ook nauwelijks gebruik van gemaakt. De afspraak met de Europese Commissie was dat er, gelet op de structurele problematiek, vanuit de Commissie een nieuw pakket aan maatregelen zou worden gepresenteerd. Enkele leden vroegen naar mijn inzet; ook ik vind dat het gelet op het structurele karakter van de problematiek gerechtvaardigd is dat de Commissie vanuit haar budgetten een inspanning doet om de lidstaten te helpen om de structurele problematiek van een structureel antwoord te voorzien. Ik heb eerder gezegd dat als er extra geld op tafel komt, mijn inzet is om dat te gebruiken voor herstructurering dan wel voor structurele reductie van de productie.

De Commissie heeft recentelijk aangegeven nog niet de middelen te hebben gevonden om in deze Raad tot een voorstel te komen. Dat vind ik zeer spijtig en met mij vindt een grote meerderheid van de lidstaten dat. Ik denk dat we daar maandag een stevig gesprek over hebben in de Raad. Mijn streven is om te komen tot gezamenlijke Raadsconclusies waarin we aangeven wat we van de Europese Commissie op korte termijn verwachten, zodat we in de Raad van juli daadwerkelijk over een pakket concrete maatregelen kunnen spreken. Mevrouw Visser en mevrouw Dik-Faber vroegen in dit kader wanneer de evaluatie van het steunpakket van afgelopen september en maart plaatsvindt. De Commissie zal maandag informatie geven over de besteding van de middelen van afgelopen september. Er was afgelopen maandag ruim 250 miljoen besteed, maar de verwachting is dat voor het eind van de maand, dan loopt de deadline ongeveer af, de middelen volledig zijn benut. Er zijn lidstaten die de middelen vrij snel hebben verdeeld onder de producenten in een sector. Dat leidt tot een vrij beperkt steunbedrag per boer. De heer Geurts vroeg of de middelen die Nederland heeft toegekend gekregen op het boerenerf zijn geland. Nee -- volgens mij weet hij dat -- want we hebben in Nederland afspraken gemaakt met de producentenorganisaties NZO (Nederlandse Zuivel Organisatie) en de POV (Producenten Organisatie Varkenshouderij) over de manier waarop we de middelen inzetten. Nederland wil dat deze middelen worden benut voor de structurele versterking van zowel de zuiversector als de varkenssector. Er zijn met beide organisaties afspraken gemaakt over de manier waarop dat geld wordt besteed. Het geld is inmiddels bij beide producentorganisaties beland, want het moest daar voor 30 juni a.s. zijn. De NZO keert volgens mij in het najaar uit op basis van de afspraken. De POV benut het geld ter ondersteuning van het traject dat is uitgezet door de commissie-Rosenthal en besteedt het aan herstructurering, versterking van de mestverwerkingscapaciteit en de totstandkoming van een kwaliteitssysteem in de varkensketen.

De heer Geurts pleitte voor nationale enveloppen. We zijn nog in gesprek, ook binnen de Raad, over de manier waarop een extra steunpakket vorm moet krijgen. Daarover verschillen vanzelfsprekend de opvattingen. Ook is per lidstaat verschillend welke sector de grootste zorg is. In sommige lidstaten beperken de zorgen zich tot de zuivelsector en bij andere zijn de problemen groter in de varkensvleesketen. Meer zuidelijke lidstaten hebben juist meer zorgen over de groente- en fruitsector. In de Raadsconclusies zullen we de verschillende sectoren adresseren. We streven naar overeenstemming over het idee dat een aanvullend pakket in de Raad van juli ingezet moet worden voor structurele verbeteringen in de sectoren en dat we maatregelen moeten nemen die daadwerkelijk tot effect leiden, zodat we over een jaar niet met dezelfde soort situatie zitten. Er is gekeken naar vrijwillige productiebeperking, maar ik zei al dat die maar beperkt resultaat heeft gehad. Als men vrijwillige productiebeperking alleen voorziet van een tijdelijke eenmalige compensatie, dan heeft deze een kortdurend effect. We zijn juist op zoek naar een structureel effect. Daar zal het gesprek op maandag in de Raad over gaan en hopelijk mogen we in de Raad van juli voorstellen verwachten van de Europese Commissie. Ik ga ervan uit dat de Raad daar maandag dringend om verzoekt.

De heer Wassenberg (PvdD):

De staatssecretaris zegt dat het geld verdeeld gaat worden in een steunpakket voor de varkenssector, mestverwerking en kwaliteitsversterking en hij had het ook over vrijwillige productiebeperking. Is dat laatste een van de criteria voor steun? Een van de structurele problemen is de overproductie, dus ik kan mij voorstellen dat vrijwillige productiebeperking een van de voorwaarden is. Is daar sprake van of staat het daar los van?

Staatssecretaris Van Dam:

Dat wat ik net meldde, ging over de manier waarop wij de 30 miljoen van het afgelopen najaar hebben besteed. Nu gaat het over de aanvullende maatregelen die hopelijk voortkomen uit de Raad van juli. Die moeten wat mij betreft leiden tot structurele verbeteringen. Dat betekent ook een structurele reductie van productieniveaus. De analyse van de Raad is, en die wordt gedeeld, dat we te maken hebben met een structureel probleem en een structurele overproductie in de zuivelsector en met name in de varkensvleessector. De verwachting voor de zuivelsector is dat naar verloop van tijd de markt verder aantrekt en er internationaal meer mogelijkheden komen. Ook daarvoor geldt dat het effect van de lage prijzen vooral een toename van productie is geweest. Het leidt tot een soort spiraal naar de bodem. De verschillende lidstaten zijn al tijden op zoek naar mogelijkheden om het tij op een duurzame manier te keren, zodat we niet over drie maanden hoeven te constateren dat we Europees belastinggeld hebben uitgegeven, maar daarmee het probleem niet verminderd hebben.


................

Staatssecretaris Van Dam:

Ik zei al dat ik de Kamer later deze week informeer over het rapport van de commissie-Rosenthal en mijn reactie daarop. Daarbij zal het vanzelfsprekend gaan over de concurrentiepositie van de varkenssector, ook binnen Europa. Mevrouw Visser zei dat de kostprijs in Nederland wordt verhoogd door vooral Nederlandse wet- en regelgeving. Ik geef mee dat een van de belangrijkste elementen daarin de milieuregelgeving is, die te maken heeft met een hoog productieniveau in een dichtbevolkt land. Dan heb je bijna automatisch te maken met veel strengere milieuregels waarvan ik denk dat ook mevrouw Visser die niet wil loslaten. Dit staat los van het feit dat een deel is gebaseerd op Europese regelgeving. De mestproblematiek heeft alles te maken met de Europese kaders waarbinnen die moet vallen. Ik deel de zorgen van mevrouw Visser over de pakketten die landen zelf maken. We kijken bijvoorbeeld kritisch naar de inhoud van het Duitse pakket, omdat het moet passen binnen de afspraken die we in maart hebben gemaakt. We houden elkaar aan die afspraken. De verklaringen van Polen, Duitsland en Frankrijk wijzen overigens niet in de richting van verstoring van het gelijk speelveld. Men vindt elkaar in een gezamenlijke richting die het gelijk speelveld blijft respecteren en waarbij men de Europese Commissie vraagt om een sterkere inzet en een nieuw financieel pakket.

Ik ben bij het tweede blokje aangeland, over de visserij. Mevrouw Visser vroeg naar de discussie over de visserij in de Middellandse Zee. Het is goed dat er stappen worden gezet en dat ook de niet-EU-landen rond de Middellandse Zee daarbij worden betrokken. Dit is een belangrijke stap naar verduurzaming en die is daar ongelofelijk hard nodig. De Noordzee hebben we best goed op orde, maar de situatie van de Middellandse Zee is behoorlijk anders. De maatregelen rond de Middellandse Zee hebben overigens voor Nederlandse vissers geen gevolgen omdat Nederland er geen belangen heeft. Die liggen echt bij de Zuid-Europese lidstaten. Het zou goed zijn als men daar stappen zet zoals wij die al gezet hebben, namelijk vissen op basis van op duurzaamheid gebaseerde quota zoals we dat hier voor het overgrote deel ook doen.

Er zijn vragen gesteld over vissen buiten de Europese wateren. De heer Van Gerven vroeg naar het leegvissen van wateren in ontwikkelingslanden. De heer Wassenberg noemde het "het plunderen" van zeeën buiten de EU. De toon is gezet. We hebben er een paar keer eerder over gediscussieerd. Het concrete voorbeeld van Kenia staat op de agenda. We weten dat daar ruimte is voor tonijnvisserij, die niet door de lokale vissers wordt benut. Ik weet één ding zeker: als de EU een afspraak maakt met Kenia, is de inzet van de EU om de visserij op een duurzame wijze uit te voeren en om niet meer te vangen dan het bestand aankan. Ik durf mijn hand niet in het vuur te steken voor heel veel andere grote landen of machtsblokken in de wereld. Als die een dergelijke overeenkomst met Kenia zouden sluiten, dan weet ik niet of die daar dezelfde voorwaarden aan verbinden als wij. De kracht van de externe overeenkomsten is dat je afspraken kunt maken met een land als Kenia. Een aantal leden heeft zorgen over de vraag of de lokale vissers dan nog genoeg te vangen hebben. Dat is altijd de basis voor zo'n overeenkomst. De overeenkomst gaat alleen uit van het surplus, van datgene wat nog op duurzame wijze gevangen kan worden en wat door de lokale vissers niet gevangen wordt. Omdat het gaat om Keniaans water, is het gerechtvaardigd dat we goede afspraken met Kenia maken en dat een deel van de opbrengst in dat land terechtkomt. Het is daarbij van belang om te weten dat dergelijke visserij buiten de kustzone plaatsvindt en niet dicht op de kust, waar over het algemeen de lokale vissers het actiefst zijn.

De heer Wassenberg vroeg of je vissers die een keer over de schreef zijn gegaan, moet uitsluiten, het zogeheten clean record. Dat was een onderdeel van de afspraken, maar het stond al in de controleverordening. Daarin wordt geëist dat vissers niet zijn betrapt op illegale praktijken en geen misbruik hebben gemaakt van omvlaggen.

De heer Geurts vroeg naar de beantwoording van vragen van de heer Wassenberg over het feit dat ergens een behoorlijke hoeveelheid schol was aangespoeld. Hij zei dat in de antwoorden de suggestie lag dat dit te maken heeft met het overboord zetten van te veel gevangen schol door de professionele visserij. Vrij snel na de beantwoording werd duidelijk dat er ook een andere verklaring aan de orde kan zijn, namelijk het feit dat dit was gedaan door de recreatieve visserij. Het is bijzonder spijtig dat professionele vissers hieraan aanstoot genomen hebben. Dat was niet nodig omdat het een mogelijke verklaring was voor wat is aangetroffen. Daarnaast stond er duidelijk in de beantwoording dat het niet zeker was op welke manier dit tot stand was gekomen en dat als er sprake is geweest van het overboord zetten van overschot, dit conform de bestaande regels is. Het gaat om de discussie over de aanlandplicht.

De heer Geurts vroeg mij hoe het mij afgelopen maandag is bevallen. Zeer goed, ondanks de behoorlijk wilde zee. Ik heb op twee schepen meegevaren. Eerst op de MDV 1, gebouwd met behulp van subsidie en een ongelofelijk duurzaam vissersschip. We hebben de volgende generatie kotters mogen ervaren. Ze zijn fluisterstil, je hoort ze bijna niet varen, maar het belangrijkste is dat ze op veel duurzamere wijze vis vangen. Ze verbruiken negen keer minder brandstof per kilo vis die gevangen wordt. Dit is én beter voor het milieu én beter voor de vissers die gebruik kunnen maken van zo'n belangrijke innovatie. Later op de middag hebben we gekeken bij de reguliere kottervisserij, maar dan bij die die gebruikmaakt van pulstechniek. Ik heb kunnen zien wat voor grote uitdaging het wordt voor de vissers als ze straks alles moeten aanlanden. Die discussie hebben we in het najaar gevoerd, maar dat het een uitdaging wordt, is duidelijk.

Er is een aantal vragen gesteld over voedselverspilling. De heer Bosma vroeg of de inzet op verspilling bij de producent wel nuttig is en of het niet meer over de consument moet gaan. Allebei zijn van belang. De Commissie zet zelf in op de voedselverspillingskant aan het eind van de keten, maar wij denken dat het ook van belang is om te kijken naar de voedselverliezen bij de oogst, het transport en de opslag. Daar is internationaal het meeste te realiseren. De discussie moet worden verbreed naar landbouwbeleid en voedselzekerheid maar ook naar ontwikkelingssamenwerking. Nederlanders hebben het een en ander te bieden, zeker wat betreft de logistieke keten. Dit kan er zeker in ontwikkelingslanden voor zorgen dat er veel minder voedsel verloren gaat en meer voedsel vers bij de consument aankomt. Het is ongelofelijk zonde om te zien hoeveel oogst er verloren gaat doordat die niet tijdig gekoeld of niet goed getransporteerd kan worden. We moeten juist de blik op beide kanten richten.

Mevrouw Dik-Faber vroeg of Nederland de ambitie van de EU wil overnemen. Tot nu toe hadden we eigen doelstellingen, maar het belangrijkste zijn de Sustainable Development Goals (SDG's) voor voedselverspilling. Die hebben we overgenomen. De ambitie is gelijk aan die van de EU. Het belangrijkste is om in te zetten op alle plekken waar winst te behalen valt en te onderzoeken op welke manier die winst gerealiseerd kan worden. Het is goed dat dit onderwerp op de agenda van de Raad staat.

Mevrouw Dik-Faber vroeg daarbij naar concrete maatregelen, zoals de aanpassing van de datumvoorschriften. Concrete maatregelen zijn er in de vorm van campagnes. Bijvoorbeeld de campagne van SIRE, die mensen stimuleert om vaker kliekjesdag te houden, om voedsel dat de ene dag niet opgaat, op een andere dag te gebruiken. Het is soms een kwestie van bewustwording. Veel mensen hebben de neiging om alles weg te gooien. Er is een campagne van het Voedingscentrum, er zijn websites vanuit de overheid en het bedrijfsleven met advies voor bedrijven, bijvoorbeeld het No Waste Network. EZ participeert in REFRESH, een EU-onderzoeksproject. Ook vanuit de topsectoren Agri & food en Tuinbouw en uitgangsmaterialen is er inzet via calls voor innovatieprojecten. In 2015 is bijvoorbeeld CARVE gestart, waarbij modellen worden uitgewerkt voor het verder stroomlijnen van de voedselketen en waarbij EZ in de stuurgroep zit. De Monitor Voedselverspilling 2015 komt deze zomer naar de Tweede Kamer. Ons commitment ligt bij Sustainable Development Goal 12.3, dat uitgaat van 50% minder voedselverspilling in 2030.

Ik heb twee blokjes overige. Ik behandel eerst de onderwerpen die wel en daarna de onderwerpen die niet op de agenda van de Raad staan.

Op de agenda van de Raad staat een terugkoppeling van de conferentie over patent- en kwekersrecht. De heer Bosma vroeg om meer informatie. Ik stuur vandaag nog het verslag van de conferentie plus een aantal studies die eerder zijn toegezegd aan de Kamer. Het belangrijkste resultaat van de conferentie is dat de Europese Commissie heeft toegezegd nog voor het einde van het jaar te komen met een interpretatieve verklaring van de Biotechrichtlijn over de octrooieerbaarheid van plantgerelateerde uitvindingen. Ik heb al eerder gezegd dat ik liever verder was gegaan. Dat zou niet alleen in het Nederlandse maar in ons aller belang zijn, als het gaat om voedselzekerheid in de toekomst. Er zouden geen patenten moeten kunnen worden verleend op eigenschappen die langs natuurlijke weg tot stand komen. Of ze al dan niet een handje geholpen worden door de mens, maakt niet uit, maar natuurlijke eigenschappen hoor je niet te kunnen monopoliseren en te octrooieren. Dat kan nu wel. De hoop en verwachting zijn dat de verklaring van de Europese Commissie daarover helderheid verschaft.

De heer Van Gerven vroeg naar de tomaat. Een tomaat die natuurlijke eigenschappen bezit, zou niet geoctrooieerd moeten worden. De hoop en verwachting zijn dat de Europese Commissie dit in haar verklaring duidelijk zal maken. De heer Van Gerven vroeg om een garantie. Die kan ik niet geven, want we wachten op hetgeen de Europese Commissie precies opschrijft. Het gaat in dit soort gevallen om de details. Het is een interpretatie van de regelgeving en die moet vervolgens gevolgd worden door het Europees Octrooibureau, maar ook door de rechter als er dispuut over ontstaat. De interpretatie moet vrij secuur uitsluiten wat we willen dat wordt uitgesloten.

Op de conferentie is een aantal andere resultaten geboekt, bijvoorbeeld op het terrein van transparantie van octrooiaanvragen en over toegang tot biologisch materiaal. Dat is goed als je gebruik moet kunnen maken van beschermd materiaal om eventuele volgende verbeteringsstappen te zetten. Er is ook gesproken over een verbeterde samenwerking tussen het Europees Octrooibureau en de kwekersrechtbureaus. Daarmee heeft de conferentie voor ons het maximaal haalbare resultaat opgeleverd. Ook hierbij zijn we weer afhankelijk van datgene waartoe de andere lidstaten en de Europese Commissie bereid zijn. Er was overduidelijk geen bereidheid om de Biotechrichtlijn aan te passen. Een interpretatieve verklaring is het hoogst haalbare, maar voor ons kan die een doorbraak betekenen voor de zaken waarop we zitten te wachten. Ik houd een slag om de arm, want we moeten de verklaring eerst hebben en daarin kunnen lezen dat die het regelt zoals we willen.

De heer Van Gerven vroeg naar de vlechtregelgeving, de ontbossing. Nederland vindt dat snelle en volledige implementatie van de EU-Houtverordening moet plaatsvinden. Er is een aantal problemen, zoals de heer Van Gerven aanstipte. Daarom is het van belang dat er stevige Raadsconclusies worden getrokken. We hebben dit geagendeerd. De Raadsconclusies zijn niet alleen stevig, maar worden breed gesteund. Dat is van belang. De te verwachten Raadsconclusies zijn een onderschrijving van de goede richting en van het snel en volledig implementeren van de EU-Houtverordening. Daarbij geldt dat handhaving door alle lidstaten van het grootste belang is om te voorkomen dat hout dat niet aan de regels voldoet, de Europese markt op komt. Dat is de inzet in de Raadsconclusies.

De heer Leenders vroeg naar gewasbescherming en de toelating van laagrisicomiddelen. Op de agenda van de Raad staat een serie actiepunten die ervoor moet zorgen dat die laagrisicomiddelen gemakkelijker en sneller op de markt komen. We hebben eerder met elkaar besproken dat we de gewasbescherming willen vergroenen. Tegelijkertijd lopen veel bedrijven ertegenaan dat de groene middelen die ze willen gebruiken niet zijn toegelaten en dat de toelatingsprocedures soms lang en duur zijn. Dat maakt het veel moeilijker om die groene middelen daadwerkelijk op de markt te krijgen. Er zitten bij de actiepunten een aantal maatregelen die moeten leiden tot versnelling. Ik hoop op brede steun, ook voor de uitvoering van het duurzame gewasbeschermingsplan van de expert group in de Raad. In dat plan wordt aan de Commissie gevraagd om de wijziging van de verordening op het terrein van laagrisicomiddelen te versnellen. Het plan kent ook een aantal voorstellen om de procedures binnen de huidige kaders te versnellen. Die dingen kunnen lidstaten nu al oppakken. Er zijn geen wettelijke beperkingen om voorrang te geven aan biologische middelen. Het Ctgb (College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden) bespreekt met de industrie de mogelijkheden. We zijn ook in gesprek met de industrie, zowel met de producenten van groene gewasbeschermingsmiddelen als met het Ctgb en de boeren, om te bekijken of we via een aantal pilots in Nederland kunnen experimenteren met een versnelde introductie van laagrisicomiddelen. Langs al die verschillende sporen loopt de inzet, zoals de heer Leenders die ook verwoordde.

De heer Wassenberg vroeg naar de discussie over hormoonverstorende stoffen. De Commissie heeft voorstellen gedaan waarbij zij uitgaat van het gevaar dat de stoffen kunnen opleveren. De voorgestelde criteria zullen gevolgen hebben voor de beoordeling van verschillende stoffen. Daaronder zijn gewasbeschermingsmiddelen, maar het gaat niet alleen daarom. Dit betekent dat een reactie van het kabinet binnen het kabinet moet worden afgestemd. We hebben het Ctgb om advies gevraagd voor de reactie op dit Commissievoorstel. Het kabinet zal een gezamenlijke reactie voorbereiden en de Kamer langs de gebruikelijke weg informeren met een BNC-fiche.

Ik kom op de onderwerpen die niet op de agenda van de Raad staan. Glyfosaat is een terugkerend onderwerp. Er zal naar verwachting de komende dagen besluitvorming over plaatsvinden. De procedure is als volgt: de Europese Commissie legt vrijdag het voorstel om goedkeuring te verlengen voor tot het moment dat het rapport van het European Chemicals Agency (ECHA) verschijnt. Dat moet helderheid bieden over de classificatie van glyfosaat en over de beoordeling van de kankerverwekkendheid, waarover onduidelijkheid en discussie bestaan. Die verlenging kreeg in het SCoPAFF (Standing Committee on Plants, Animals, Food and Feed), het reguliere comité, geen gekwalificeerde meerderheid. Nu wordt de verlenging geagendeerd in het beroepscomité. Als daar een gekwalificeerde meerderheid voor het voorstel van de Commissie is, zal de Commissie het uitvoeren en overnemen. Als die gekwalificeerde meerderheid er niet is, kan de Commissie bepleiten dat zij moet handelen omdat de lidstaten het niet eens zijn. Dan kan de Commissie een besluit nemen en kan het beroepscomité dat alleen tegenhouden bij unanimiteit. Dit zijn de gebruikelijke procedures zoals die vastliggen in het Europees Verdrag. De Kamerleden die vroegen of de procedures niet anders kunnen, moeten het proces aangaan om het Europees Verdrag te wijzigen. Dat is een nogal omvangrijk proces. Dit zijn de afgesproken procedures om in situaties zoals deze tot besluitvorming te kunnen komen.

De heer Leenders vroeg wat de gevolgen zijn voor de landbouw. Ik heb eerder gezegd dat ik de discussie over glyfosaat en zeker de zorgen als gevolg van het eerdere signaal van organisaties zoals de WGO begrijp. Er is echter nog steeds geen helderheid over de vraag of glyfosaat beoordeeld dient te worden als kankerverwekkend of niet, en of dat per definitie zo is of dat bijvoorbeeld bij een bepaalde manier van gebruik de risico's gemitigeerd kunnen worden. Alle deskundigen die de toelating hebben beoordeeld, zowel de Duitsers als ons eigen Ctgb en RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu), hebben gezegd dat ze op basis van het onderzoek dat er ligt en alles wat ze daarin meegenomen hebben, de overtuiging hebben dat er bij juist gebruik geen onaanvaardbare risico's zijn voor de menselijke gezondheid dan wel voor het milieu. Ze hebben dus allemaal geadviseerd om het middel weer toe te laten tot de Europese markt voor de normale periode van vijftien jaar. Naar aanleiding van de Kamermotie heb ik destijds gezegd dat er een heroverwegingsmoment moet komen op het moment dat het ECHA met het rapport komt, omdat daarin opnieuw de kankerverwekkendheid van het middel wordt beoordeeld. De Commissie stelt dit de facto ook voor. Zij verlengt de huidige toelating met ongeveer een jaar totdat het ECHA-rapport uitkomt. Dat betekent dat er dan een nieuwe afweging moet worden gemaakt.

Mevrouw Ko?er Kaya heeft de indruk dat de besluitvorming over landbouw binnen de EU vaak stokt. Ik deel die indruk niet en heb dit de afgelopen maanden niet ervaren. Het is een vrij specifiek onderwerp dat een groot belang heeft binnen de EU. Het is eigenlijk volledig geharmoniseerd en van communautaire aard. Daarom is van oudsher een ander gremium ingesteld dan het Coreper, namelijk het Speciaal Comité voor de Landbouw (SCL), waarin overigens dezelfde lidstaten zitten die soms echter worden vertegenwoordigd door andere mensen. Ik denk niet dat de besluitvorming hier heel anders door wordt. Het voordeel is dat de specialisten bij elkaar aan tafel zitten. Dat maakt besluitvorming soms weer wat gemakkelijker. Het is een met het Coreper vergelijkbaar comité.

De heer Leenders vroeg hoe het zit met de conferentie over de Vogel- en Habitatrichtlijn. Ik heb al kort gezegd dat de Commissie haar evaluatie tijdig af zou hebben om de conferentie te kunnen organiseren. We hebben bericht gekregen dat de Commissie om wat voor reden dan ook niet in staat is om de evaluatie tijdig af te hebben. Dit heeft ons genoodzaakt om de conferentie uit te stellen. Dat was voor ons natuurlijk buitengewoon vervelend, maar ook hier geldt dat we geen ijzer met handen kunnen breken. Als de Commissie de evaluatie niet heeft, hebben we ook niets om te bespreken op de conferentie. De heer Leenders vroeg ook wat de positie van de Commissie is ten aanzien van het in stand houden van de richtlijn, wat veel lidstaten, waaronder wijzelf, willen. We weten nog niet hoe de Commissie daarin staat, omdat zij haar positie nog kenbaar moet maken. We weten ook nog niet wanneer de evaluatie wel verschijnt. We wachten het af. Ik zal met de Slowaken overleggen over de manier waarop we verdergaan met de organisatie van de conferentie, maar dat heeft pas zin als bekend is wanneer het document wordt gepubliceerd en wat erin staat.

Mevrouw Visser vroeg naar de brief over de regeldruk die op de agenda van dit AO staat en of daarin recente wetgeving kan worden meegenomen. Dit is het geval. We starten vandaag de nieuwe ronde van de inventarisatie van de regeldruk. Ik heb althans gisteren mijn handtekening gezet onder de brief die naar het bedrijfsleven gaat, dus die zal op zeer korte termijn de deur uitgaan. Als het bedrijfsleven voorbeelden inbrengt van recente regelgeving, kunnen die worden meegenomen.

De heer Wassenberg vroeg naar de petitie over konijnen en of ik me ga inzetten voor een verbod op kooihuisvesting. Ook hiervoor geldt dat het belangrijkste is om te bezien wat haalbaar is binnen de EU. Er is nu geen dierenwelzijnsregelgeving voor konijnen vanuit de EU. Die moet er wel komen. Dat is de belangrijkste eerste stap om te realiseren. Gelet op het speelveld binnen de EU lijkt een verbod op kooihuisvesting niet haalbaar en is een inzet daarop niet heel zinvol. Het belangrijkste is om ervoor te zorgen dat er goede regelgeving komt en dat het belang van dierenwelzijn daarin centraal staat. Zoals de heer Wassenberg weet, heb ik in het Europees Parlement aan de Eurogroup for Animals aangegeven dat ik voorstander ben van de totstandkoming van die regelgeving.

Mevrouw Dik-Faber en de heer Geurts vroegen naar de discussie met Niedersachsen over gehygiëniseerde mest. Het dispuut gaat erover of de Afvalstoffenverordening van toepassing is of de Verordening dierlijke bijproducten. Niedersachsen vindt dat de Afvalstoffenverordening en wij vinden dat de Verordening dierlijke bijproducten van toepassing is. Dit is aan de Europese Commissie voorgelegd en die heeft aangegeven de Nederlandse lijn te steunen. We hebben dit onder de aandacht van Duitsland en Niedersachsen gebracht. Ik verwacht dat Niedersachsen zich naar de verklaring van de Europese Commissie zal gedragen en dat de problemen worden opgelost. Zo niet, dan zullen we daarover verder het gesprek met onze oosterburen voeren.

Mevrouw Dik-Faber vroeg of de problemen door extreem weer op de agenda staan. Die zijn niet geagendeerd, noch door Nederland noch door andere lidstaten. Er stonden vanochtend plaatjes in de krant waarop is afgebeeld waar de meeste regen in Nederland is gevallen. Met name in Noord-Limburg en Oost-Brabant zijn de problemen zeer groot. Ik vind het gepast om daar zelf een kijkje te nemen en de getroffen boeren daarmee een hart onder de riem te steken. Er werd gevraagd of de brede weersverzekering wordt geëvalueerd. Dat is het geval en op basis daarvan bekijken we of die naar behoren functioneert. De verzekering dekt niet alle schade, maar kan mogelijk in dit soort situaties behulpzaam zijn. Andere instrumenten om getroffen boeren in dit soort situaties te ondersteunen, hebben we niet. De klap voor individuele bedrijven kan behoorlijk groot zijn als men de gehele oogst verloren ziet gaan, wat op dit moment bij een aantal bedrijven gebeurt doordat gepote bollen of aardappels volledig onder water staan en we de komende dagen ook nog eens te maken krijgen met hoge temperaturen. We ondersteunen de brede weersverzekering en er is een premiesubsidie voor boeren om zich te verzekeren.

De heer Geurts vroeg naar de inzet van RVO op het Plattelandsontwikkelingsprogramma en de knelpunten in de uitvoering. Er is overleg met het IPO (Interprovinciaal Overleg) en de komende tijd zal een werkgroep van IPO en RVO de knelpunten in beeld brengen en zoeken naar mogelijke oplossingen. Ik verwacht binnen een paar weken een rapportage hierover. De regie ligt bij de regiegroep-POP, maar het lijkt mij het beste dat de provincies en de RVO bij elkaar gaan zitten en verkennen wat de problemen zijn en hoe die kunnen worden opgelost.

Er waren vragen over de biologische landbouw. Die ben ik vergeten te beantwoorden bij het blokje van onderwerpen die wel op de agenda staan. De afgelopen maanden hebben we vol ingezet op een poging om te komen tot afronding van de onderhandelingen tussen Raad, Commissie en Parlement over de Verordening biologische landbouw. We zijn heel ver gekomen. Het is een behoorlijk intensief traject geweest. Zeven trilogen zijn er gehouden. Om een indruk te geven: onder Luxemburgs voorzitterschap waren dat er twee, de eerste. We zijn zeer dichtbij. Een overeenstemming is zeker haalbaar, maar we stuiten op een aantal discussiepunten, met name aan de kant van het Parlement. Op de belangrijkste inhoudelijke verschilpunten is overeenstemming bereikt, bijvoorbeeld over de discussie over het residugehalte. Er is op dit punt nog discussie met de Commissie, maar Parlement en Raad zijn het erover eens dat de biologische landbouw niet het slachtoffer mag worden van residuen die van andere bedrijven afkomstig zijn. Dit is een belangrijk inhoudelijk punt voor de biologische sector. Op tal van inhoudelijke punten hebben we overeenstemming kunnen bereiken.

Het belangrijkste punt dat openligt, is de discussie over de structuur van de verordening tussen het Parlement aan de ene kant en de Commissie en de Raad aan de andere kant. Het gaat daarbij voornamelijk over de vraag of allerlei gedetailleerde productievoorschriften moeten worden opgenomen in de bijlage van de verordening of dat die kunnen worden afgewikkeld op basis van delegated acts, gedelegeerde bepalingen, en op een later moment en in onderliggende regelgeving kunnen worden afgehandeld. Als je iets dergelijks in de verordening opneemt, betekent dit dat als er ook maar iets verandert in de productiemogelijkheden, je de gehele verordening moet wijzigen. We zijn daar niet voor, maar het Parlement houdt er vooralsnog aan vast. Dit is de belangrijkste hobbel die nog genomen moet worden. Ik had graag gezien dat we ook deze onderhandeling hadden kunnen afronden en ik hoop dat dit over niet al te lange tijd alsnog gebeurt. Het vergt een stap van de kant van het Parlement.

Ten aanzien van certificering is de inzet van de Raad dat het level playing field ook moet gelden voor wat op het certificaat staat. Dit betekent dat het helder moet zijn dat een van de voorwaarden binnen Europa is dat de biologische landbouw niet beconcurreerd mag worden door biologische landbouw van elders op de wereld die op basis van andere voorwaarden kan produceren. Het is helaas aan de Slowaken om dit goed af te ronden. Ik zeg "helaas" omdat wij dit graag zelf hadden gedaan. Ik hoop dat het binnen redelijk afzienbare termijn kan worden afgerond.

De heer Wassenberg (PvdD):

Voorzitter. Dank voor de antwoorden. Op sommige onderdelen van de antwoorden moet ik nog even kauwen. Over de hormoonverstorende stoffen zei de staatssecretaris dat het BNC-fiche naar de Kamer wordt gestuurd. Heel binnenkort, over twee weken, begint het reces. Is het mogelijk dat er alvast een eerste appreciatie van het voorstel naar de Kamer wordt gestuurd?

Staatssecretaris Van Dam:

Voorzitter. Het is mij niet gelukt om al de vragen van mevrouw Dik-Faber op te schrijven. Ik hoop dat ik zo nog een briefje toegeschoven krijg. Dat krijg je met die korte spreektijden.

De heer Bosma vroeg naar de voedselverspilling en de ontwikkelingslanden. In ontwikkelingslanden gaat het inderdaad om de inzet van kennis om voedselverliezen in met name de oogstfase te voorkomen. Er gaat overigens ook veel mis na de oogstfase, omdat er geen goede faciliteiten zijn om de oogst vers te houden. In de EU is de inzet gericht op het tegengaan van voedselverspilling in de keten en bij de consument, omdat hier juist de landbouw en de logistieke kant vrij goed georganiseerd zijn. Dat is een belangrijk verschil.

De heer Bosma vroeg naar het ILP. Dit is een vrijwillig initiatief uit de groentesector waarmee de eerste ervaringen positief zijn. Veel bedrijven zijn erbij aangesloten, maar nog niet alle. Hopelijk is dit op termijn wel het geval. Het kan een zeer goede aanvulling op het kwekers- en patentrecht zijn.

Mevrouw Visser vroeg naar de aanlandplicht. Ik zei dat die een uitdaging is en dat is conform de inzet. Dat was ook de inzet van mijn voorganger, die steeds heeft aangegeven dat we de rek en ruimte binnen de aanlandplicht zoeken. De doelstelling is om selectiever te vissen en om vissers te stimuleren om dat te doen. Het aanlanden van vis die niet op de markt te brengen is, is voor de visser alleen maar een kostenpost. Ik heb maandag niet alleen meegevaren met vissers, maar ook het Visserij-Innovatiecentrum in Stellendam bezocht waar tests worden gedaan met nieuwe netten die selectiever vissen mogelijk maken. Van dit soort innovaties moet de sector het hebben. Ik hoop dat een en ander gerealiseerd wordt en dat het doel dat met de aanlandplicht beoogd wordt, daadwerkelijk wordt bereikt. Dat neemt niet weg dat aan vissers geen onredelijke eisen gesteld moeten worden. We zoeken de rek en ruimte in de aanlandplicht om te bekijken of de invoering ervan op een gefaseerde manier kan plaatsvinden, waardoor de vissers op een redelijke manier de aanlandplicht kunnen implementeren.

Mevrouw Visser vroeg mij de lead te nemen in de discussie over de marktsituatie. Ik heb de afgelopen drie, vier maanden niet veel anders gedaan. Dit was het hoofdonderwerp gedurende het voorzitterschap. Het is niet voor niets dat steeds is gezegd dat in juni de evaluatie van het pakket en voorstellen voor aanvullingen van de Commissie op de agenda zouden staan. Ik had dat ook verwacht. Het feit dat die er niet liggen, is ook voor mij een teleurstelling. Ook hierbij geldt dat de Raad afhankelijk is van de Commissie. Ik zet erop in om aanstaande maandag Raadsconclusies aan te nemen die de Commissie met een duidelijke opdracht op pad sturen. Dit is niet alleen de inzet als voorzitter, maar ook die vanuit het Nederlandse standpunt.

De heer Leenders vroeg nog een keer naar de conferentie over de Vogel- en Habitatrichtlijn. We zijn afhankelijk van het einddocument van de Commissie. Daarin staat de positie van de Commissie en de evaluatie die we op de conferentie moeten bespreken. Er kan allerlei voorwerk gedaan zijn, maar het einddocument zal er echt moeten zijn voordat we het met elkaar kunnen bespreken. Anders hebben we formeel gezien een lege agenda. De heer Leenders vroeg of we de Kamer kunnen informeren zodra het document er is. Uiteraard. Overigens kan de Kamer het dan ook zelf lezen, want dan zal het door de Commissie gepubliceerd worden. De Kamer wordt geïnformeerd over het vervolg van dit traject.

De heer Wassenberg vroeg naar de hormoonverstorende stoffen en of we daarover een voorlopige appreciatie kunnen geven. Ik geloof maar in één soort appreciatie, namelijk die waarin we zeggen wat we ervan vinden. Ik heb begrip voor de voorzorgsbenadering die de Commissie kiest, maar we zullen het voorstel van de Commissie goed moeten bestuderen en binnen het kabinet moeten afstemmen wat we er precies van vinden. Ik verwacht de Kamer voor 1 augustus a.s. het BNC-fiche te kunnen toesturen waarin de Kamer geïnformeerd wordt over het standpunt van het kabinet. Hetzelfde is overigens toegezegd door staatssecretaris Dijksma.

Mevrouw Ko?er Kaya vroeg waarom de EU niet mag controleren op overbevissing in Afrikaanse wateren. Zij kent het antwoord, want wij hebben hier bij herhaling over gediscussieerd. De EU controleert vanuit Europa op het voldoen aan de voorwaarden, maar het is natuurlijk aan landen zelf om in hun eigen wateren te controleren of visserij op een fatsoenlijke manier wordt uitgevoerd. Ten opzichte van de landen waarmee de EU overeenkomsten afsluit, getuigt het niet van een gelijkwaardige benadering als je er op voorhand van uitgaat dat zij niet in staat zijn om die controle uit te voeren. Vanzelfsprekend wordt er met landen waarmee overeenkomsten worden gesloten, gesproken over de manier waarop die controle wordt uitgevoerd.

Dan de discussie over Coreper versus het SCL. Ik heb daarmee tot nu toe geen problemen ervaren. Ik vond de argumenten van mevrouw Ko?er Kaya dat het wel een probleem is, niet erg overtuigend en de reden waarom we daar op stel en sprong een issue van moeten maken ook niet. Ik ben niet van plan om die discussie binnen de EU aan te zwengelen.

Mevrouw Dik-Faber kondigde aan te komen met een motie over voedselverspilling. Ik suggereerde in de eerste termijn dat het het beste is om er met elkaar uitvoeriger over te spreken. De laatste keer dat we dat hebben gedaan, was bij de begrotingsbehandeling in november. Het doet recht aan het onderwerp als we dit doen op basis van de Monitor Voedselverspilling en de begeleidende brief die deze zomer naar de Kamer komen. Dat geeft de mogelijkheid om er inhoudelijk op in te gaan. De Raadsconclusies zoals die nu geagendeerd staan, voldoen niet helemaal aan de agenda van mevrouw Dik-Faber, die gaat over wat we kunnen afspreken binnen Europa. Het is belangrijk dat we het nu op de agenda hebben en dat het belang ervan onderschreven wordt. Een aantal van haar opmerkingen ging over nationale acties die we kunnen ondernemen. Laten we er op een ander moment verder over spreken.

Mevrouw Dik-Faber vroeg of artikel 222 ook gebruikt kan worden voor de groente- en fruitsector. Tot nu toe is het gesprek alleen gegaan over de zuivelsector. In het maartpakket stond ook een aparte benadering voor de varkensvleessector. Ik weet niet of er in de fruitsector gezamenlijk productiebeperkende afspraken gemaakt kunnen worden. De meeste fruitbomen geven gewoon een x-aantal jaren achtereen vrucht. Dat is een heel ander verhaal dan in de zuivelsector, waar een boer enigszins kan sturen op de hoeveelheid melk die koeien geven. In de varkensvleessector is er ook een mogelijkheid voor een zekere sturing van de productieomvang. Dat is in de fruitsector een stuk ingewikkelder. Bij de groente, de tuinbouw, zullen er meer mogelijkheden liggen, maar ik weet niet of dit het antwoord is op de problematiek die men ervaart. Er is tot nu toe door andere lidstaten niet gevraagd om het artikel ook op die sectoren toe te passen.

Mevrouw Dik-Faber vraagt naar de regionalisering van het GLB. Ik neem dat punt graag mee. Het kan zeker een van de onderwerpen zijn die aan de orde moeten komen bij de vormgeving van het toekomstige GLB.

De brede weersverzekering gaat ervan uit dat marktpartijen verzekeren. Vanuit Europese middelen geven we een subsidie op de premie om ervoor te zorgen dat de verzekering daadwerkelijk van de grond komt. We gaan evalueren wat dit tot nu toe heeft opgeleverd. Mevrouw Dik-Faber kan ervan uitgaan dat als marktpartijen erop rekenen dat door klimaatverandering dit soort omstandigheden vaker zal voorkomen, zij daar zelf in de vormgeving van de verzekering rekening mee houden. Dat hoeft overigens niet positief te zijn voor de hoeveelheid premie die wordt gevraagd. De Kamer krijgt een evaluatie van de brede weersverzekering en dan spreken we er verder over.

De voorzitter:

We gaan over naar de toezeggingen.

- De Kamer ontvangt deze week een brief over de uitkomsten van de commissie-Rosenthal.

- De Kamer ontvangt deze zomer de Monitor Voedselverspilling met een kabinetsreactie over de Nederlandse mogelijkheden.

- Voor 1 augustus 2016 ontvangt de Kamer het BNC-fiche over de mededeling over hormoonverstorende stoffen.