Bijdrage Van Esch Wijziging van de Wet op de inlich­tingen- en veilig­heids­diensten (Sleepwet)


3 juni 2020

Voorzitter,

21 maart 2018.
Al weer 805 dagen geleden.
Toen was er het referendum waarin de bevolking gevraagd werd "Bent u voor of tegen de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017?"
De bevolking zei bij meerderheid: ‘Wij zijn tegen deze zogenoemde sleepwet’. Dat is belangrijk om te markeren, want er werd dus expliciet niet gevraagd: vindt u dat artikel 20, 26, 29 en 33 ietsje pietsje gewijzigd moeten worden, maar de rest van de sleepwet dan gewoon in werking kan treden? En toch is dat, het wijzigen van een paar artikelen, het enige wat de minister deed. En dus bespreken we hier nu een soort excuuswet die de wijzigingen die nauwelijks verbetering waren vastlegt.
We doen het ‘zo gericht mogelijk’ en we krijgen geen bewaartermijn van 3 jaar meer. Nee we gaan naar een bewaartermijn van 3 keer 1 jaar. Woh, wat een verbeteringen.

Voorzitter, zo’n excuuswet voelt een beetje als een deja-vu.

Het voelt alsof je de bevolking vraagt wilt u een Europese Grondwet?
Het antwoord dan ‘nee’ is. En je vervolgens na het vernieuwen van de cover toch het verdrag van Lissabon ondertekent. Het voelt een beetje alsof je de bevolking vraagt: Wilt u een Associatieverdrag met de Oekraïne? Het antwoord dan ‘nee’ is en je vervolgens met een ‘Post It’ erop toch instemt.

Het is belangrijk weer even naar boven te halen hoezeer de uitkomst van het referendum genegeerd wordt. Want deze wet, die massaal verzamelde en ongecontroleerde data naar het buitenland stuurt, die mensen bespiedt die helemaal geen verdachten zijn, die veel te ruime bevoegdheden geeft aan de inlichtingendiensten, werd verworpen door de bevolking en die stellingname wordt wederom genegeerd. Dat levert slechter beleid op en is schadelijk voor het vertrouwen in de democratie.

Maar goed voorzitter, dat er zoveel tijd overheen gegaan is heeft ook een voordeel. Want gedurende die 805 dagen is steeds duidelijker geworden waar het kabinet staat als het op privacy aankomt en hoe de inlichtingendiensten met deze wet omgaan.

Zo zagen we het ene na het andere rapport van de toezichthouder, de CTIVD (Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten), dat kritisch was op de wet en op de wijze waarop deze uitgevoerd wordt. Ik zal een kleine bloemlezing geven uit die rapportages:

Rapportage 59: “Essentiele waarborgen voor de bescherming van de rechten van het individu missen echter, geheel of gedeeltelijk, hun invulling in de praktijk.”

Rapportage 60: “De AIVD schiet structureel tekort bij het in beeld krijgen van het geboden niveau van gegevensbescherming, de wettelijke bevoegdheden en (technische) mogelijkheden van de buitenlandse diensten (…) Alle wegingsnotities van de AIVD missen bovendien een expliciete weging van het belang van de samenwerking versus de risico’s.

Rapportage 64: “Het technische systeem bij de MIVD voorziet niet in de mogelijkheid om automatisch niet-relevante gegevens te vernietigen. Ook op andere manieren heeft geen vernietiging plaatsgevonden. Dit is onrechtmatig.”

Rapportage 65: “De AIVD en de MIVD zijn in de onderzoeksperiode bij concrete verstrekkingen van ongeëvalueerde gegevens aan buitenlandse diensten tekortgeschoten in de naleving van de wettelijke verplichtingen. De onrechtmatigheden zijn zowel inhoudelijk als procedureel van aard.“

En de meest recente CTIVD rapportage 66: “Er is veel werk verzet, maar aan de noodzakelijke wettelijke waarborgen voor de rechtsbescherming van de burger wordt nog onvoldoende invulling gegeven. Er is nog steeds sprake van aanzienlijke risico’s op onrechtmatig handelen.”

En nou zullen er leden zijn die zeggen: Ja zie je wel, een toezichthouder, dat werkt.

Maar dit is allemaal achteraf. Als het kwaad al geschied is. En ruim 4 jaar nadat het wetsontwerp gepubliceerd werd concludeert de toezichthouder dus nog altijd dat er aanzienlijke risico’s op onrechtmatig handelen zijn. Voor mijn fractie maakt dat duidelijk hoe onverenigbaar deze wet en het recht op privacy zijn.

En dan de stappen die het kabinet sinds het referendum gezet heeft op het gebied van de privacy. Want bijvoorbeeld nog geen jaar geleden gaf minister Grapperhaus aan dat hij toegang wil tot Whatsapp en andere chatdiensten. Want nu worden die berichten versleuteld verzonden.
En dat vinden de crime-fighters bij Justitie en Veiligheid niet fijn. Er moest een achterdeurtje inkomen.

En diezelfde Grapperhaus, kwam recent met een wet die al snel tot Super-Syri gedoopt werd. De wet gaat organisaties verplichten hun gegevens te delen in samenwerkingsverbanden. Woningcorporaties, politie, banken, belastingdienst, zorginstellingen. Allemaal zouden ze gegevens moeten uitwisselen om samen tot risicoprofielen te komen waarmee efficiënter gehandhaafd kan worden op fraude. Een aanpak die niet alleen strijdig is met de mensenrechten, niet alleen verboden is door de rechter maar ook bij de toeslagenaffaire liet zien hoe ongelofelijk onrechtvaardig en soms ook gevaarlijk zo’n wet kan zijn.

En dan hebben we het nog niet gehad over de kabinetsinzet bij het openstellen van 8 miljoen medische dossiers, bij de corona apps en de telecomdata. U begrijpt voorzitter, mijn fractie heeft er niet zoveel vertrouwen in dat dit kabinet het meent met het waarborgen van de privacy.

Aan de hand van die ontwikkelingen en het voorliggende wetsvoorstel heb ik een heel aantal vragen voor de minister. Misschien kan de minister meeschrijven.

Allereerst, voldoet de huidige werkwijze van de diensten volgens de minister inmiddels aan de wet?
Zijn alle risico’s op onrechtmatig handelen inmiddels tot het absolute minimum beperkt?

En kan de minister zeggen of de verzoeken van de diensten die als onrechtmatig beoordeeld worden door het TIB zo beoordeeld worden omdat er onschuldige fouten in zitten of omdat de diensten proberen de grenzen van de wet op te rekken? Wat is het beeld dat de TIB daar over heeft?

En kan de minister aangeven of het nog altijd staande praktijk is dat er geclausuleerde toestemming verleend wordt door het TIB terwijl de wet daar helemaal geen ruimte voor biedt? De minister doet het in de schriftelijke bewoording af alsof het zonder die geclausuleerde toestemming een bureaucratische herhaling van zetten zou worden maar mijn fractie deelt die mening niet. Het devies moet zijn dat je eerst aan de voorwaarden voldoet en dan pas toestemming krijgt. Dat voorkomt dat er misbruik gemaakt wordt van interpretatieverschillen over de meegegeven voorwaarden.

Dan het delen van informatie met het buitenland. Kan de minister aangeven waarom zij nog altijd niet overtuigd is van het belang om informatie te bekijken en controleren voordat deze met het buitenland gedeeld wordt? En heeft de toegenomen geopolitieke spanning ertoe geleid dat we met minder landen informatie zijn gaan delen?
Worden die wegingsnotities regelmatig ge-update?

En daarover, bij die wegingsnotities moet gekeken worden naar de toegevoegde waarde van de uitwisseling tegenover de risico’s.
Maar het verbaasde mij dan te lezen dat wanneer het niet over persoonsgegevens gaat er überhaupt niet bijgehouden wordt welke informatie gedeeld wordt met samenwerkingsverbanden. Klopt dat?
Want als er geen beperkingen zitten op hoeveel er gedeeld wordt en als er ook niet bijgehouden wordt wat er gedeeld wordt dan kan er toch ook geen fatsoenlijke risico inschatting gemaakt worden? Dan zijn die wegingsnotities toch een farce?

We hebben al een toezichtsgat als het op de internationale samenwerking aankomt. Maar dit zou die samenwerking nog verder uit het zicht houden.
Kan de minister daarop ingaan? En kan zij ook aangeven hoe ze überhaupt dat toezichtsgat denkt te verkleinen?

En dan over het verschil in waarborgen tussen de onderzoeksopdracht gerichte interceptie en het verzamelen van grote hoeveelheden data via informanten. Toen we de minister vroegen naar haar reactie op de kritiek van het TIB dat dit verschil onlogisch is en geen grond heeft stelde zij dat dit nu niet voorligt in de wet en daarom pas in de evaluatie van de wet aan de orde komt. Maar ik hoop niet dat dit is hoe deze minister met deze wet omgaat! Wij dragen iets aan om de wet te verbeteren. Dan kan het niet dat de minister aangeeft dat het niet in de wet staat en daarom niet aan de orde is. Kan de minister een inhoudelijke reactie geven op dit punt? Of moet zij erkennen dat het inderdaad een verbetering zou zijn maar deze in de partijpolitiek van de coalitie gesneuveld is?

Tot slot nog een paar zaken die zich mogelijk verhouden tot deze wet.
Wat is het effect van de Wet Gegevensverwerking door Samenwerkingsverbanden straks voor de diensten? Klopt het dat zij daarmee, via hun gebruikelijke kanalen of via informaten veel meer databases binnen hun bereik krijgen? Vind de minister dat wenselijk?

En wat zijn de implicaties als minister Grapperhaus zijn zin krijgt en alle berichtdiensten verplicht hun beveiliging moeten opgeven?
Want de heer Verhoeven was erg stellig na het referendum dat het ongericht bekijken van WhatsApp berichten echt niet aan de orde was.
Ik zou het fijn vinden als dat zo was. Maar ik heb er op dit moment weinig vertrouwen in.

En doordat deze minister en deze coalitie weigerde de noodrem waar de bevolking aan trok serieus te nemen en een betere wet te maken, is dat helaas waar het nu om draait. Vertrouwen. Vertrouwen dat wij als parlement zouden moeten hebben in de werkwijze van diensten.
Want van een goede wet hoeven we het niet te hebben.

En voor het vertrouwen helpt het dan niet als de minister een belangrijk rapport achterhoud daags voor het referendum. Voor het vertrouwen helpt het niet als de voormalige baas van de MIVD zegt dat de waarborgen slechts ‘nodeloze procedures en politieke praatjes’ zijn.
Voor het vertrouwen helpt het niet als we horen dat de diensten de implicaties van de wet voor de invoering hadden onderschat.
Voor het vertrouwen helpt het niet als we zien dat onze minister van Defensie in Amerika niet serieus genomen wordt als ze een legitiem informatieverzoek doet en dat wij tegelijk onze informatie ongezien die kant op sturen.

Dank u wel.