Bijdrage Van Esch aan WGO tijde­lijke wet test­be­wijzen


6 mei 2021

Voorzitter,

Voor het coronavirus ons land op z’n kop zette, leken we het zo goed voor elkaar te hebben. We vlogen de wereld rond, we raceten van afspraak naar afspraak en we consumeerden erop los. Dat we ondertussen roofbouw op de aarde pleegden, was van later zorg. Toen kwam het coronavirus en moesten we noodgedwongen een pas op de plaats maken. Het leven kwam piepend en krakend tot stilstand.

Het drukte ons met de neus op de feiten. Waar virologen al jaren voor waarschuwen, gebeurde. Marion Koopmans zei het in 2018 nog: “Een uitbraak aan de andere kant van de wereld kan zo Europa bereiken. Het is dan ook niet ondenkbaar dat zo’n uitbraak Nederland treft.” Virologen zeggen ook al jaren wat de risicofactoren zijn: mondialisering, klimaatverandering, ontbossing, de intensieve veehouderij in combinatie met een hoge bevolkingsdichtheid, zoals in Nederland. En het is zeker niet uitgesloten dat het ons nog een keer treft.

Ruim een jaar na de start van de eerste lockdown staat het kabinet nog altijd in de crisisstand. We debatteren vandaag over het wetsvoorstel testbewijzen, maar een fundamenteel debat over hoe we het zo ver hebben laten komen ontbreekt. Waar de komst van het coronavirus tot een herbezinning had moeten leiden over onze omgang met de aarde en de dieren, hebben we vandaag 10 uur debat ingepland over een wetsvoorstel dat symptomen bestrijdt, tegen hele hoge kosten voor de samenleving.

Het kabinet wil toestemming om een tijdelijke testsamenleving uit te rollen en grondrechten te beperken, maar heeft nog altijd geen plan van aanpak om het risico op het ontstaan van nieuwe zoönosen te verkleinen. Dat is de achtergrond waartegen mijn partij dit wetsvoorstel beoordeelt, voorzitter. Ieder plan om het virus te bestrijden, moet wat ons betreft rekenschap geven van het feit dat we het risico op de uitbraak van een nieuw virus zelf in de hand hebben. Zolang de oorzaak niet worden aangepakt, blijft het dweilen met de kraan open.

Voorzitter, dan een aantal concrete punten over het wetsvoorstel.

Het kabinet wil met verplichte testbewijzen de sport-, cultuur- en horecasector eerder uit de lockdown bevrijden. Het idee dat je met testen voor toegang eerder uit de lockdown kunt is niet nieuw. De Kamer vraagt daar al lang om. Die moties heeft de Partij voor de Dieren gesteund.

De grote vraag is of testbewijzen in deze fase van de crisis nog nuttig, noodzakelijk en proportioneel zijn. Daar hebben wij grote twijfels over.

Toen de Partij voor de Dieren testen voor toegang steunde zaten we in een volledige lockdown zonder uitzicht op snelle verbetering. Inmiddels is dat echt anders. Een bezoek aan een winkel of een terras is mogelijk zonder testbewijs. Er worden steeds meer mensen gevaccineerd, op 1 juli zouden we volgens de minister een zo goed als ‘virusvrije zomer’ in kunnen gaan.

Toch wil het kabinet 1,1 miljard euro belastinggeld uitgeven om verplichte testbewijzen in te voeren, en daar een aparte commerciële testinfrastructuur voor optuigen. Wij hebben grote zorgen over de waarborgen voor goede besteding van dit geld.

De sport-, cultuur- en horecasector zijn niet onverdeeld enthousiast. Zij zeggen dat de drempel voor een uitje te hoog wordt. Het merendeel van de tickets voor een cultuurprogramma of een bioscoopbezoek wordt een dag of een paar uur van tevoren gekocht. Daar bovenop moet dan nog een test worden ingepland. We zagen het aan de tegenvallende bezoekersaantallen van sommige testevenementen; het schrikt mensen af.

Het kabinet wil dat vanaf 1 juli een testbewijs zeven euro vijftig gaat kosten. Dat idee staat volkomen los van de realiteit. Veel gezinnen zullen dertig euro bovenop een avondje uit niet kunnen betalen. Een vaccin halen is wel gratis. Deze situatie zal leiden tot grotere ongelijkheid tussen rijk en arm en tussen gevaccineerden en niet-gevaccineerden.

De keuzevrijheid van mensen die zich niet kunnen of willen laten vaccineren of testen wordt ingeperkt en leidt tot uitsluiting van deze groep van een deel van het maatschappelijk leven.

De minister wringt zich in allerlei bochten om een artificiële knip te maken tussen ‘essentiële’ en ‘niet-essentiële’ voorzieningen. Voor essentiële voorzieningen mag geen testbewijs worden gevraagd, maar toch wordt de deur op een kier gezet voor verplichte testen in het mbo en hoger onderwijs. Voorzitter, de Kamer heeft zich duidelijk uitgesproken tegen een testplicht voor essentiële voorzieningen. Bovendien geeft de minister toe de maatregel op dit moment niet te willen inzetten. Waarom dan toch zo’n vergaande testverplichting in de wet bouwen, vraag ik de minister. Wij hebben grote zorgen over uitsluiting van studenten die zich niet kunnen of willen laten testen.

Voorzitter, dan de diepere consequenties van dit wetsvoorstel. De overheid heeft in principe niks te maken met onze medische gegevens en mag ook niet bepalen wat we met ons lichaam doen. Om dat te waarborgen hebben we onze grondwet. Toegang tot een deel van het maatschappelijk leven op basis van persoonlijke medische gegevens, is een vergaande inbreuk op grondrechten zoals privacy en lichamelijke integriteit. Tegelijkertijd heeft de overheid de grondwettelijke plicht om de volksgezondheid te beschermen.

De vraag is hoeveel van onze privacy en lichamelijke integriteit we bereid zijn daarvoor op te geven. Tijdens het hoogtepunt van de crisis moest het kabinet op basis van weinig kennis vergaande maatregelen nemen om slachtoffers te voorkomen en om de druk op de ziekenhuizen te verlichten. De vrijheid om een hapje te eten in een restaurant, een voorstelling of een sportwedstrijd bij te wonen; nooit hadden we gedacht dat de overheid zich daarmee zou bemoeien. In zo’n situatie komt het vaker voor dat de grenzen van wat we met z’n allen toelaatbaar vinden langzaam steeds meer gaan verschuiven.

Inmiddels neigen we gewend te raken aan een overheid die ver binnendringt in onze levens. Een overheid die van ons verlangt dat wij onze medische gegevens prijsgeven in ruil voor toegang tot een deel van het maatschappelijke leven. Niet alleen tijdens een acute crisissituatie, maar juist ook erna, om toekomstige risico’s uit te bannen.

De Partij voor de Dieren erkent dat testbewijzen tijdens een acute crisissituatie een nuttig middel kunnen zijn om de veiligheid te vergroten en de lockdown te verlichten.

Dit mag echter niet leiden tot een semipermanente houdgreep. Daarvoor zijn de negatieve gevolgen voor de samenleving – de inbreuk op privacy van medische gegevens, op lichamelijke integriteit, de maatschappelijke tweedeling – te groot.

Daarom baart het ons zorgen dat het wetsvoorstel van de minister geen harde einddatum bevat. Wanneer, op welke wijze en voor hoe lang testbewijzen zullen worden ingezet en bij welke ‘epidemiologische situatie’ de regering dat gerechtvaardigd acht is volstrekt onduidelijk.

Sterker nog, de minister wil de mogelijkheid open houden de testsamenleving nieuw leven in te blazen wanneer de vaccins niet voldoende tegen nieuwe, gevaarlijke mutaties van het virus beschermen. Welke garantie hebben wij dat het echt om een tijdelijke wet gaat, vraag ik de minister?

En aan welke randvoorwaarden moet dan volgens hem zijn voldaan, en waarom zijn die niet terug te vinden in het wetsvoorstel? En waarom is de bewaartermijn van een testuitslag vastgesteld op 1 jaar, dat kan toch veel korter?

Voorzitter, mijn laatste punt. In dit wetsvoorstel wordt een wettelijke grondslag gecreëerd voor de gelijkstelling van een testbewijs met een vaccinatiebewijs. Alsof het vaccinatiebewijs een voetnoot in de discussie is. De Raad van State heeft er terecht op gewezen dat dit veel verder strekt dan het voorliggende wetsvoorstel, en daarom geschrapt zou moeten worden. Daar is de Partij voor de Dieren het hartgrondig mee eens. Graag hoor ik van de minister of hij daartoe bereid is.

Voorzitter, dankuwel.