Bijdrage Thieme Begroting Buiten­landse handel en Ontwik­ke­lings­sa­men­werking 2015


19 november 2014

Mevrouw Thieme (PvdD): Voorzitter. De eerste wereldtop over milieu en ontwikkeling, de Top van de Aarde, is alweer 22 jaar geleden gehouden. Tijdens die top in Rio de Janeiro presenteerde Chili de geïndustrialiseerde wereld een rekening, opgesteld door het Instituto de Ecología Política. In die rekening waren de gezondheidskosten opgesomd die voortvloeiden uit een toenemend aantal huidkankers en longziekten in dat land. Deze ziektes waren veroorzaakt door het gat in de ozonlaag. Omdat het niet Chili was die deze problemen had veroorzaakt, wilde het genoemde instituut de wereld laten zien dat de vervuilers de schade moesten vergoeden. Deze actie was het begin van een grote campagne rond ecologische schuld. De campagne werd in Latijns-Amerika een succes en daarna ook in Afrika en Azië. In Europa was het enthousiasme minder groot, omdat wij natuurlijk niet graag de boodschap horen dat wij de vervuiling en de ellende in het zuiden veroorzaken. De slogan van de campagne "Who owns Whom?" veroorzaakte veel discussie. Het was een totaal andere manier van kijken naar ontwikkelingshulp en solidariteit. De campagne maakte onomwonden duidelijk dat armoede geen autonoom verschijnsel is, maar daders en slachtoffers kent.

De producten van goedkope arbeid bewegen zich van zuid naar noord, evenals de natuurlijke hulpbronnen. De mensen uit het noorden staan op de schouders van de mensen in het zuiden. Voor onze manier van leven vorderen wij brutaalweg hun productieve grond, lucht, water, mineralen, goedkope arbeid en bossen, waarbij wij weinig overlaten voor hun eigen economische ontwikkeling. Erger nog, wij laten hen achter met erosie, vervuiling, droogte, overstromingen, verwoestijning, gezondheidsproblemen, corruptie en gewapende conflicten. Natuurlijk ligt de scheiding niet meer precies op de evenaar, maar in politieke termen laat de evenaar wel degelijk de scheidslijn tussen noord en zuid zien.

Een thema waarvoor bij uitstek geldt dat een betere wereld bij jezelf begint, is het thema van de ontwikkelingssamenwerking. Als wij ons thuis bewust worden van wat ooit een ver-van-ons-bedshow was, is er een wereld te winnen. Fair trade en regionale productie vormen de sleutel tot de oplossing, maar dat lijkt niet de inzet van ons ministerie van Hulp is Handel. De klimaatproblemen die wij veroorzaken, zorgen ervoor dat de voedselvoorziening direct in gevaar komt. Topeconoom Jeremy Rifkin wijst erop dat het smelten van de gletsjers er nog in onze eeuw toe zal leiden dat een zesde van de wereldbevolking op zoek moet gaan naar een nieuwe plek om te wonen, met alle humanitaire en geopolitieke problemen van dien. Wij kennen de problemen van Tuvalu, de eilandengroep die net als de Malediven nog maar net boven de zeespiegel ligt. Toen wij in 2012 werden gekozen in dit huis, was er nog relatief weinig aan de hand op die eilandengroep, behalve dan dat het land kampte met enorme droogte. Twee jaar later is daarvan geen sprake meer. Door de stijging van de zeespiegel dreigt het land geheel onder water te verdwijnen en dat zullen de meesten van ons nog meemaken, net als het verdwijnen in de golven van de Malediven.

De president van de Malediven overweegt sinds 2012 om alle 350.000 inwoners van zijn land te laten verhuizen naar Australië, Sri Lanka of India. Geen van die landen zit daar echter op te wachten. Het is dan ook schrijnend om te moeten vaststellen dat juist de partijen in dit huis die blijven hangen in de fase van ontkenning van de menselijke invloed op klimaatverandering niets moeten hebben van de opname van klimaatvluchtelingen. De enige vluchteling waarvoor binnen die partijen is opgekomen, is "een vreemdeling zeker die verdwaald is zeker, ik zal eens even vragen naar zijn naam". Het is zeker niet mijn bedoeling om de zwartepiet uit te delen aan andere politieke partijen. Ik doe echter wel een klemmend beroep op mijn collega's en op het kabinet om nu te kiezen voor de benodigde radicale maatregelen, of om in elk geval stappen te nemen om los te komen van het kortetermijndenken.

Het klimaatbeleid dat het kabinet voert, is volstrekt onvoldoende. 55% broeikasgasreductie in 2030 is nodig en kan, hoewel dat moeilijk is, nog steeds haalbaar zijn om de klimaatverandering te beperken tot een temperatuurstijging van 2ºC. Nederland heeft zich gecommitteerd aan het maximum van die 2ºC, maar zet slechts in op 40% minder uitstoot in 2013. Wie dan leeft, wie dan zorgt! Dat de Nederlandse regering onlangs is aangeklaagd wegens nalatigheid op het vlak van het klimaatbeleid, is in dit licht goed te begrijpen. Er waren ook heel wat debatten en moties voor nodig om er zelfs maar voor te zorgen dat Nederland de toch al veel te magere ambities van de Europese Commissie niet nog verder zou afzwakken.

Dan kom ik te spreken over duurzaamheidscriteria. Het kabinet wil de internationale handelsketens duurzamer maken. Dat doet het vooral via het Initiatief Duurzame Handel. Dat zet vooral in op vrijwillige certificering. Vorig jaar heb ik in het begrotingsdebat gewezen op het rapport van het Planbureau voor de Leefomgeving waaruit blijkt dat verduurzaming door vrijwillige certificering tegen haar grenzen aanloopt en dat er aantoonbaar weinig duurzaamheidswinst te behalen is. Als Nederland via internationale handel wil bijdragen aan duurzame ontwikkeling elders, dan moet de overheid de verduurzaming niet alleen overlaten aan een paar welwillenden in de voorhoede, zo stelt het planbureau. Verplichte en transparante rapportages over grondstofgebruik of minimumduurzaamheidseisen aan de producten zijn daarbij onontbeerlijk.

Nu, een jaar later, is deze roep om minimale duurzaamheidseisen nog veel luider. Het Rathenau Instituut stelt in haar rapport "Grondstoffenhonger duurzaam stillen" dat het stellen van minimumeisen aan de duurzaamheid van grondstoffen een absolute noodzaak is om mensenrechtenschendingen en ernstige milieuschade te voorkomen. Iedereen weet dat de massale productie van palmolie en soja het regenwoud vernietigt. Nederland is een van de grootste importeurs in de wereld van sojaveevoer en palmolie. Door mede rondetafels te organiseren met het internationale bedrijfsleven probeert het kabinet al jaren om de ontbossing te stoppen, maar de vraag is: werken die round tables? Een zeer belangrijke vraag, aangezien er geen ander beleid is om de ontbossing voor soja en palmolie te stoppen. De Vereniging voor Milieurecht heeft dat onderzocht. Uit haar onderzoek blijkt dat dit standaardpraktijk is. Ik laat nu een foto zien van een palmolieplantage in West-Kalimantan, waar twee jaar geleden nog een oerbos stond. Deze palmolieplantage is gecertificeerd door de round table. Dat is natuurlijk onbegrijpelijk, want volgens hun richtlijnen mag er geen primair bos worden gekapt. Omdat er geen bos meer staat, is de rivier vlak bij de plantage volledig vervuild. De bewoners van het kleine dorpje Sungai Buluh hebben geen drinkwater meer. Het is zo vervuild dat ze nu plastic flessen met water moeten gaan kopen om te kunnen blijven leven; dat is dus een palmolieplantage die is gecertificeerd door de round table. Ik krijg graag een reactie van de minister.

De round tables voor soja en palmolie greenwashen praktijken die het daglicht niet kunnen verdragen. Maar dat is nog niet alles. De deelnemers houden zich niet eens aan hun eigen afspraken. Zo is met de Nederlandse veevoerindustrie de afspraak gemaakt dat zij in 2015 alleen nog maar roundtablegecertificeerde soja zou aankopen. Die afspraak wordt bij lange na niet gehaald. Ze zit nog maar op een kwart daarvan. Certificering en een vrijwillige aanpak werken kennelijk niet om de urgente problemen aan te pakken. Dat blijkt ook uit de evaluatie van het Initiatief Duurzame Handel. De Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie (IOB) heeft vastgesteld dat de resultaten met betrekking tot verduurzaming ernstig achterblijven. De minister noemt in haar reactie op deze zeer kritische evaluatie de resultaten van het initiatief "bescheiden". Zij constateert geen ernstige tekortkomingen maar vindt het resultaat bescheiden. Vindt de minister dat zij door die conclusies zo te herformuleren wel het eerlijke verhaal vertelt? Er wordt gezegd dat het initiatief ernstig achterblijft, niet dat het een bescheiden resultaat kent. Ik krijg graag een reactie op dit punt.

De inspectie constateert ook dat zowel de bredere literatuur over ketenverduurzaming als de eerste impactstudies van de programma's van het initiatief laten zien dat certificering alleen onvoldoende is om de centrale doelstelling van duurzame markttransformatie te bewerkstelligen. De inspectie laat dus zien dat certificering maar weinig boeren uit de armoede haalt. Het initiatief blijkt dus praktijken die niet deugen toch te greenwashen. Premies voor gecertificeerde producten zijn schaars, klein of tijdelijk. Unilever bijvoorbeeld heeft van dit programma dankbaar gebruikgemaakt om thee uit Kenia te kunnen inkopen. En wat blijkt nou? Men bood Kenia aanvankelijk een vaste sustainability premium voor Rainforest Alliance-gecertificeerde thee, maar toen de half miljoen boeren eenmaal gecertificeerd waren, liet men die vaste premie los. Is dat een vorm van duurzame handel? Behoort Unilever hiermee tot de voorhoede van bedrijven die hun verantwoordelijkheid nemen en een voorbeeldfunctie vervullen?

De inspectie ziet ook dat de publieke belangen van duurzame ontwikkeling nogal eens terzijde worden geschoven bij de programma's van het Initiatief Duurzame Handel. Zo is er een cacaoprogramma van het IDH in West-Afrika, dat vooral inzet op productieverhoging. Bredere publieke doelen, zoals armoedevermindering en milieuduurzaamheid, krijgen volgens de inspectie veel minder aandacht. En daar was het toch juist om te doen? Ook richt dit programma zich vooral op hogere kunstmest. Daar is niets duurzaams aan, maar het gebeurt wel op kosten van de Nederlandse belastingbetaler. 120 miljoen is er inmiddels naar het IDH gegaan. De inspectie adviseert de minister om de duurzaamheidscriteria omhoog te halen en zelf meer sturing te geven aan het initiatief. De minister lijkt deze aanbevelingen echter naast zich neer te leggen. Het IDH mag wat mijn fractie betreft alleen subsidie krijgen als er strengere duurzaamheidscriteria gaan gelden. Ik overweeg een motie op dat punt.

Als de minister blijft inzetten op business as usual, als zij zich blijft verschuilen achter slappe OESO-richtlijnen en vrijwillige afspraken, is het duidelijk dat dit kabinet gewoonweg niets meer van plan is qua verduurzaming van de handelsketens dan het greenwashen, een groene verpakking rondom business as usual. De minister zegt in te zetten op een echte duurzame ontwikkelingsrelatie in meerdere opzichten, maar die goede bedoelingen blijken niet veel meer dan een dun laagje fineer. Ik roep de minister op om minimale duurzaamheidscriteria in te voeren, niet alleen via het IDH maar voor alle grondstofketens, te beginnen bij de belangrijkste invoerstromen. Graag een reactie.

Voedselzekerheid voor iedereen: dat wil de minister. De Partij voor de Dieren heeft eerder een toezegging gekregen dat de minister in gesprek zou gaan met de VN-mensenrechtenrapporteur voor het recht op voedsel, de heer De Schutter. Dat is volgens mij nog niet gelukt. Hij heeft het stokje inmiddels overgedragen aan een vrouw, Hilal Elver. Ook zij heeft veel kennis over baanbrekende innovatieve projecten op het gebied van agro-ecologische landbouw. Ecologische landbouw en het versterken van kleinschalige boeren vormen volgens de Verenigde Naties het antwoord op de groeiende voedselvraag. Onze bewindsvrouw heeft een nieuwe kans om met een andere vakvrouw van gedachten te wisselen over dit cruciale onderwerp. Voor een land, dat zegt er trots op te zijn de tweede landbouwexporteur ter wereld te zijn, een land dat met smart agriculture de wereldvoedselzekerheid een boost wil geven, lijkt mij dat gesprek met Elver van groot belang. Is de minister bereid dat gesprek op korte termijn aan te gaan en aan de Kamer te rapporteren wat eruit is gekomen?

Dan kom ik bij exportbevordering. De bevordering van de eigen export, vooral van landbouwproducten, is een centraal onderdeel van de begrotingen van dit kabinet. Een van de instrumenten die het kabinet hiervoor inzet, zijn exportkredietverzekeringen. Die verzekeringen worden afgegeven door een bedrijf dat Atradius heet. De verzekeringen worden gegarandeerd door de staatskas, ons belastinggeld. Zo heeft Atradius vorig jaar een exportkredietverzekering afgegeven voor een megastal met 17,5 miljoen kuikens in Oekraïne. Dat voorbeeld is des te actueler nu blijkt dat legbatterij-eieren uit Oekraïne onze eigen pluimveehouders, die geen legbatterij-eieren meer mogen produceren, beconcurreren. Wij exporteren zo onze fouten uit het verleden en creëren tegelijkertijd oneerlijke concurrentie voor de Nederlandse boeren, die aan maatschappelijke eisen voor volksgezondheid, dierenwelzijn en natuur en milieu willen of moeten voldoen. In een gesprek met de Kamer gaf Atradius zelf aan dat het nieuwe aanvragen voor bijvoorbeeld een nieuwe megastal met legbatterijen op dit moment niet kan weigeren. Ik wil graag van de minister weten of zij een dergelijke ontwikkeling kan en wil tegenhouden. Om dat te kunnen doen, is het naar de mening van onze fractie nodig om extra eisen op te leggen aan de aanvragen die Atradius mag financieren. Extra eisen op het gebied van duurzaamheid, dierenwelzijn en mensenrechten. Graag een reactie.

Wij hebben op 10 september 2014 in de Kamer uitgebreid stilgestaan bij de vrijhandelsakkoorden die de EU en dit kabinet willen afsluiten met onder andere de VS en Canada. Op die dag, 10 september, wees de Europese Commissie het verzoek tot een burgerinitiatief over de vrijhandelsverdragen CETA en TTIP af. Dit is weer het bewijs dat Brussel met de rug naar de samenleving staat. Veel mensen -- inmiddels hebben al 913.000 mensen het burgerinitiatief ondertekend -- willen kunnen meepraten. Er zijn 1 miljoen handtekeningen nodig. Ze zijn er dus bijna. Ook mijn fractie maakt zich zorgen over de gevolgen van de vrijhandelsverdragen. De akkoorden ondermijnen onze democratie en rechtsstaat. Daarom is het van groot belang om een dergelijk burgerinitiatief alle ruimte te geven en er bij de Europese Commissie op aan te dringen dat burgerinitiatief te erkennen en in procedure te nemen. Ik heb dit de minister vanmiddag ook gevraagd.

De akkoorden bedreigen de regels die we hebben op het gebied van milieu, dierenwelzijn, privacy en arbeidsomstandigheden. We kunnen de eisen daaromtrent waarschijnlijk ook helemaal niet meer verhogen als de akkoorden eenmaal in gang zijn gezet, omdat het buitenlandse bedrijfsleven de mogelijkheid wordt geboden om schadeclaims in te dienen als de regelgeving strenger wordt. Daarbij komt dat de noodzakelijke verbeteringen op het gebied van milieu, dierenwelzijn en consumentenrechten vrijwel onmogelijk worden gemaakt doordat regelgeving door zowel de EU als de VS moet worden goedgekeurd.

Als laatste wil ik nog ingaan op de onderhandelingen die de Europese Unie op dit moment voert met Japan om te komen tot een vrijhandelsakkoord. Elk jaar weer worden honderden dolfijnen afgeslacht in de baai bij het Japanse vissersdorp Taji. Ook dit jaar weer zal Japan, in weerwil van de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof, walvissen opjagen en afslachten. Zijn deze barbaarse praktijken aan de orde gesteld in de ontmoetingen onlangs met de Japanse regering? Wat heeft dit kabinet in het afgelopen jaar gedaan om voorwaarden te verbinden aan een eventueel vrijhandelsverdrag met Japan? Heeft de minister geprobeerd om dit een onderdeel van het onderhandelingsmandaat te laten worden?

Ik rond af. Dit kabinet zet helaas de eigen economische kortetermijnbelangen en de Nederlandse exportpositie centraal, ten koste van de deze overstijgende mondiale belangen. Ontwikkelingssamenwerking was een thema waarmee we als klein land groot konden zijn. Bill Gates verbaasde zich erover dat we datgene waarin we als klein land groot waren, erbij laten hangen, juist nu de hulp het hardste nodig is. We schuiven de rekening door naar toekomstige generaties en we schuiven de rekening door naar het Zuiden, en dat allemaal vanuit ons eigen kortetermijnbelang. We hebben de keuze: zetten we in op business as usual in een groene verpakking, in essentie niet anders dan de "hulp is handel"-benadering, of zetten we in op de aarde als gedeelde verantwoordelijkheid van mensen, zowel daar als hier? Inmiddels zijn de belangen van alle levende wezens op aarde zo nauw met elkaar verbonden dat ik voorts ook van mening ben dat er een einde moet komen aan de bio-industrie.

Voorzitter. De eerste wereldtop over milieu en ontwikkeling, de Top van de Aarde, is alweer 22 jaar geleden gehouden. Tijdens die top in Rio de Janeiro presenteerde Chili de geïndustrialiseerde wereld een rekening, opgesteld door het Instituto de Ecología Política. In die rekening waren de gezondheidskosten opgesomd die voortvloeiden uit een toenemend aantal huidkankers en longziekten in dat land. Deze ziektes waren veroorzaakt door het gat in de ozonlaag. Omdat het niet Chili was die deze problemen had veroorzaakt, wilde het genoemde instituut de wereld laten zien dat de vervuilers de schade moesten vergoeden. Deze actie was het begin van een grote campagne rond ecologische schuld. De campagne werd in Latijns-Amerika een succes en daarna ook in Afrika en Azië. In Europa was het enthousiasme minder groot, omdat wij natuurlijk niet graag de boodschap horen dat wij de vervuiling en de ellende in het zuiden veroorzaken. De slogan van de campagne "Who owes Whom?" veroorzaakte veel discussie. Het was een totaal andere manier van kijken naar ontwikkelingshulp en solidariteit. De campagne maakte onomwonden duidelijk dat armoede geen autonoom verschijnsel is, maar daders en slachtoffers kent.

De producten van goedkope arbeid bewegen zich van zuid naar noord, evenals de natuurlijke hulpbronnen. De mensen uit het noorden staan op de schouders van de mensen in het zuiden. Voor onze manier van leven vorderen wij brutaalweg hun productieve grond, lucht, water, mineralen, goedkope arbeid en bossen, waarbij wij weinig overlaten voor hun eigen economische ontwikkeling. Erger nog, wij laten hen achter met erosie, vervuiling, droogte, overstromingen, verwoestijning, gezondheidsproblemen, corruptie en gewapende conflicten. Natuurlijk ligt de scheiding niet meer precies op de evenaar, maar in politieke termen laat de evenaar wel degelijk de scheidslijn tussen noord en zuid zien.

Een thema waarvoor bij uitstek geldt dat een betere wereld bij jezelf begint, is het thema van de ontwikkelingssamenwerking. Als wij ons thuis bewust worden van wat ooit een ver-van-ons-bedshow was, is er een wereld te winnen. Fair trade en regionale productie vormen de sleutel tot de oplossing, maar dat lijkt niet de inzet van ons ministerie van Hulp is Handel. De klimaatproblemen die wij veroorzaken, zorgen ervoor dat de voedselvoorziening direct in gevaar komt. Topeconoom Jeremy Rifkin wijst erop dat het smelten van de gletsjers er nog in onze eeuw toe zal leiden dat een zesde van de wereldbevolking op zoek moet gaan naar een nieuwe plek om te wonen, met alle humanitaire en geopolitieke problemen van dien. Wij kennen de problemen van Tuvalu, de eilandengroep die net als de Malediven nog maar net boven de zeespiegel ligt. Toen wij in 2012 werden gekozen in dit huis, was er nog relatief weinig aan de hand op die eilandengroep, behalve dan dat het land kampte met enorme droogte. Twee jaar later is daarvan geen sprake meer. Door de stijging van de zeespiegel dreigt het land geheel onder water te verdwijnen en dat zullen de meesten van ons nog meemaken, net als het verdwijnen in de golven van de Malediven.

De president van de Malediven overweegt sinds 2012 om alle 350.000 inwoners van zijn land te laten verhuizen naar Australië, Sri Lanka of India. Geen van die landen zit daar echter op te wachten. Het is dan ook schrijnend om te moeten vaststellen dat juist de partijen in dit huis die blijven hangen in de fase van ontkenning van de menselijke invloed op klimaatverandering niets moeten hebben van de opname van klimaatvluchtelingen. De enige vluchteling waarvoor binnen die partijen is opgekomen, is "een vreemdeling zeker die verdwaald is zeker, ik zal eens even vragen naar zijn naam". Het is zeker niet mijn bedoeling om de zwartepiet uit te delen aan andere politieke partijen. Ik doe echter wel een klemmend beroep op mijn collega's en op het kabinet om nu te kiezen voor de benodigde radicale maatregelen, of om in elk geval stappen te nemen om los te komen van het kortetermijndenken.

Het klimaatbeleid dat het kabinet voert, is volstrekt onvoldoende. 55% broeikasgasreductie in 2030 is nodig en kan, hoewel dat moeilijk is, nog steeds haalbaar zijn om de klimaatverandering te beperken tot een temperatuurstijging van 2ºC. Nederland heeft zich gecommitteerd aan het maximum van die 2ºC, maar zet slechts in op 40% minder uitstoot in 2013. Wie dan leeft, wie dan zorgt! Dat de Nederlandse regering onlangs is aangeklaagd wegens nalatigheid op het vlak van het klimaatbeleid, is in dit licht goed te begrijpen. Er waren ook heel wat debatten en moties voor nodig om er zelfs maar voor te zorgen dat Nederland de toch al veel te magere ambities van de Europese Commissie niet nog verder zou afzwakken.

Dan kom ik te spreken over duurzaamheidscriteria. Het kabinet wil de internationale handelsketens duurzamer maken. Dat doet het vooral via het Initiatief Duurzame Handel. Dat zet vooral in op vrijwillige certificering. Vorig jaar heb ik in het begrotingsdebat gewezen op het rapport van het Planbureau voor de Leefomgeving waaruit blijkt dat verduurzaming door vrijwillige certificering tegen haar grenzen aanloopt en dat er aantoonbaar weinig duurzaamheidswinst te behalen is. Als Nederland via internationale handel wil bijdragen aan duurzame ontwikkeling elders, dan moet de overheid de verduurzaming niet alleen overlaten aan een paar welwillenden in de voorhoede, zo stelt het planbureau. Verplichte en transparante rapportages over grondstofgebruik of minimumduurzaamheidseisen aan de producten zijn daarbij onontbeerlijk.

Nu, een jaar later, is deze roep om minimale duurzaamheidseisen nog veel luider. Het Rathenau Instituut stelt in haar rapport "Grondstoffenhonger duurzaam stillen" dat het stellen van minimumeisen aan de duurzaamheid van grondstoffen een absolute noodzaak is om mensenrechtenschendingen en ernstige milieuschade te voorkomen. Iedereen weet dat de massale productie van palmolie en soja het regenwoud vernietigt. Nederland is een van de grootste importeurs in de wereld van sojaveevoer en palmolie. Door mede rondetafels te organiseren met het internationale bedrijfsleven probeert het kabinet al jaren om de ontbossing te stoppen, maar de vraag is: werken die round tables? Een zeer belangrijke vraag, aangezien er geen ander beleid is om de ontbossing voor soja en palmolie te stoppen. De Vereniging voor Milieurecht heeft dat onderzocht. Uit haar onderzoek blijkt dat dit standaardpraktijk is. Ik laat nu een foto zien van een palmolieplantage in West-Kalimantan, waar twee jaar geleden nog een oerbos stond. Deze palmolieplantage is gecertificeerd door de round table. Dat is natuurlijk onbegrijpelijk, want volgens hun richtlijnen mag er geen primair bos worden gekapt. Omdat er geen bos meer staat, is de rivier vlak bij de plantage volledig vervuild. De bewoners van het kleine dorpje Sungai Buluh hebben geen drinkwater meer. Het is zo vervuild dat ze nu plastic flessen met water moeten gaan kopen om te kunnen blijven leven; dat is dus een palmolieplantage die is gecertificeerd door de round table. Ik krijg graag een reactie van de minister.

De round tables voor soja en palmolie greenwashen praktijken die het daglicht niet kunnen verdragen. Maar dat is nog niet alles. De deelnemers houden zich niet eens aan hun eigen afspraken. Zo is met de Nederlandse veevoerindustrie de afspraak gemaakt dat zij in 2015 alleen nog maar roundtablegecertificeerde soja zou aankopen. Die afspraak wordt bij lange na niet gehaald. Ze zit nog maar op een kwart daarvan. Certificering en een vrijwillige aanpak werken kennelijk niet om de urgente problemen aan te pakken. Dat blijkt ook uit de evaluatie van het Initiatief Duurzame Handel. De Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie (IOB) heeft vastgesteld dat de resultaten met betrekking tot verduurzaming ernstig achterblijven. De minister noemt in haar reactie op deze zeer kritische evaluatie de resultaten van het initiatief "bescheiden". Zij constateert geen ernstige tekortkomingen maar vindt het resultaat bescheiden. Vindt de minister dat zij door die conclusies zo te herformuleren wel het eerlijke verhaal vertelt? Er wordt gezegd dat het initiatief ernstig achterblijft, niet dat het een bescheiden resultaat kent. Ik krijg graag een reactie op dit punt.

De inspectie constateert ook dat zowel de bredere literatuur over ketenverduurzaming als de eerste impactstudies van de programma's van het initiatief laten zien dat certificering alleen onvoldoende is om de centrale doelstelling van duurzame markttransformatie te bewerkstelligen. De inspectie laat dus zien dat certificering maar weinig boeren uit de armoede haalt. Het initiatief blijkt dus praktijken die niet deugen toch te greenwashen. Premies voor gecertificeerde producten zijn schaars, klein of tijdelijk. Unilever bijvoorbeeld heeft van dit programma dankbaar gebruikgemaakt om thee uit Kenia te kunnen inkopen. En wat blijkt nou? Men bood Kenia aanvankelijk een vaste sustainability premium voor Rainforest Alliance-gecertificeerde thee, maar toen de half miljoen boeren eenmaal gecertificeerd waren, liet men die vaste premie los. Is dat een vorm van duurzame handel? Behoort Unilever hiermee tot de voorhoede van bedrijven die hun verantwoordelijkheid nemen en een voorbeeldfunctie vervullen?

De inspectie ziet ook dat de publieke belangen van duurzame ontwikkeling nogal eens terzijde worden geschoven bij de programma's van het Initiatief Duurzame Handel. Zo is er een cacaoprogramma van het IDH in West-Afrika, dat vooral inzet op productieverhoging. Bredere publieke doelen, zoals armoedevermindering en milieuduurzaamheid, krijgen volgens de inspectie veel minder aandacht. En daar was het toch juist om te doen? Ook richt dit programma zich vooral op hogere kunstmest. Daar is niets duurzaams aan, maar het gebeurt wel op kosten van de Nederlandse belastingbetaler. 120 miljoen is er inmiddels naar het IDH gegaan. De inspectie adviseert de minister om de duurzaamheidscriteria omhoog te halen en zelf meer sturing te geven aan het initiatief. De minister lijkt deze aanbevelingen echter naast zich neer te leggen. Het IDH mag wat mijn fractie betreft alleen subsidie krijgen als er strengere duurzaamheidscriteria gaan gelden. Ik overweeg een motie op dat punt.

Als de minister blijft inzetten op business as usual, als zij zich blijft verschuilen achter slappe OESO-richtlijnen en vrijwillige afspraken, is het duidelijk dat dit kabinet gewoonweg niets meer van plan is qua verduurzaming van de handelsketens dan het greenwashen, een groene verpakking rondom business as usual. De minister zegt in te zetten op een echte duurzame ontwikkelingsrelatie in meerdere opzichten, maar die goede bedoelingen blijken niet veel meer dan een dun laagje fineer. Ik roep de minister op om minimale duurzaamheidscriteria in te voeren, niet alleen via het IDH maar voor alle grondstofketens, te beginnen bij de belangrijkste invoerstromen. Graag een reactie.

Voedselzekerheid voor iedereen: dat wil de minister. De Partij voor de Dieren heeft eerder een toezegging gekregen dat de minister in gesprek zou gaan met de VN-mensenrechtenrapporteur voor het recht op voedsel, de heer De Schutter. Dat is volgens mij nog niet gelukt. Hij heeft het stokje inmiddels overgedragen aan een vrouw, Hilal Elver. Ook zij heeft veel kennis over baanbrekende innovatieve projecten op het gebied van agro-ecologische landbouw. Ecologische landbouw en het versterken van kleinschalige boeren vormen volgens de Verenigde Naties het antwoord op de groeiende voedselvraag. Onze bewindsvrouw heeft een nieuwe kans om met een andere vakvrouw van gedachten te wisselen over dit cruciale onderwerp. Voor een land, dat zegt er trots op te zijn de tweede landbouwexporteur ter wereld te zijn, een land dat met smart agriculture de wereldvoedselzekerheid een boost wil geven, lijkt mij dat gesprek met Elver van groot belang. Is de minister bereid dat gesprek op korte termijn aan te gaan en aan de Kamer te rapporteren wat eruit is gekomen?

Dan kom ik bij exportbevordering. De bevordering van de eigen export, vooral van landbouwproducten, is een centraal onderdeel van de begrotingen van dit kabinet. Een van de instrumenten die het kabinet hiervoor inzet, zijn exportkredietverzekeringen. Die verzekeringen worden afgegeven door een bedrijf dat Atradius heet. De verzekeringen worden gegarandeerd door de staatskas, ons belastinggeld. Zo heeft Atradius vorig jaar een exportkredietverzekering afgegeven voor een megastal met 17,5 miljoen kuikens in Oekraïne. Dat voorbeeld is des te actueler nu blijkt dat legbatterij-eieren uit Oekraïne onze eigen pluimveehouders, die geen legbatterij-eieren meer mogen produceren, beconcurreren. Wij exporteren zo onze fouten uit het verleden en creëren tegelijkertijd oneerlijke concurrentie voor de Nederlandse boeren, die aan maatschappelijke eisen voor volksgezondheid, dierenwelzijn en natuur en milieu willen of moeten voldoen. In een gesprek met de Kamer gaf Atradius zelf aan dat het nieuwe aanvragen voor bijvoorbeeld een nieuwe megastal met legbatterijen op dit moment niet kan weigeren. Ik wil graag van de minister weten of zij een dergelijke ontwikkeling kan en wil tegenhouden. Om dat te kunnen doen, is het naar de mening van onze fractie nodig om extra eisen op te leggen aan de aanvragen die Atradius mag financieren. Extra eisen op het gebied van duurzaamheid, dierenwelzijn en mensenrechten. Graag een reactie.

Wij hebben op 10 september 2014 in de Kamer uitgebreid stilgestaan bij de vrijhandelsakkoorden die de EU en dit kabinet willen afsluiten met onder andere de VS en Canada. Op die dag, 10 september, wees de Europese Commissie het verzoek tot een burgerinitiatief over de vrijhandelsverdragen CETA en TTIP af. Dit is weer het bewijs dat Brussel met de rug naar de samenleving staat. Veel mensen -- inmiddels hebben al 913.000 mensen het burgerinitiatief ondertekend -- willen kunnen meepraten. Er zijn 1 miljoen handtekeningen nodig. Ze zijn er dus bijna. Ook mijn fractie maakt zich zorgen over de gevolgen van de vrijhandelsverdragen. De akkoorden ondermijnen onze democratie en rechtsstaat. Daarom is het van groot belang om een dergelijk burgerinitiatief alle ruimte te geven en er bij de Europese Commissie op aan te dringen dat burgerinitiatief te erkennen en in procedure te nemen. Ik heb dit de minister vanmiddag ook gevraagd.

De akkoorden bedreigen de regels die we hebben op het gebied van milieu, dierenwelzijn, privacy en arbeidsomstandigheden. We kunnen de eisen daaromtrent waarschijnlijk ook helemaal niet meer verhogen als de akkoorden eenmaal in gang zijn gezet, omdat het buitenlandse bedrijfsleven de mogelijkheid wordt geboden om schadeclaims in te dienen als de regelgeving strenger wordt. Daarbij komt dat de noodzakelijke verbeteringen op het gebied van milieu, dierenwelzijn en consumentenrechten vrijwel onmogelijk worden gemaakt doordat regelgeving door zowel de EU als de VS moet worden goedgekeurd.

Als laatste wil ik nog ingaan op de onderhandelingen die de Europese Unie op dit moment voert met Japan om te komen tot een vrijhandelsakkoord. Elk jaar weer worden honderden dolfijnen afgeslacht in de baai bij het Japanse vissersdorp Taji. Ook dit jaar weer zal Japan, in weerwil van de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof, walvissen opjagen en afslachten. Zijn deze barbaarse praktijken aan de orde gesteld in de ontmoetingen onlangs met de Japanse regering? Wat heeft dit kabinet in het afgelopen jaar gedaan om voorwaarden te verbinden aan een eventueel vrijhandelsverdrag met Japan? Heeft de minister geprobeerd om dit een onderdeel van het onderhandelingsmandaat te laten worden?

Ik rond af. Dit kabinet zet helaas de eigen economische kortetermijnbelangen en de Nederlandse exportpositie centraal, ten koste van de deze overstijgende mondiale belangen. Ontwikkelingssamenwerking was een thema waarmee we als klein land groot konden zijn. Bill Gates verbaasde zich erover dat we datgene waarin we als klein land groot waren, erbij laten hangen, juist nu de hulp het hardste nodig is. We schuiven de rekening door naar toekomstige generaties en we schuiven de rekening door naar het Zuiden, en dat allemaal vanuit ons eigen kortetermijnbelang. We hebben de keuze: zetten we in op business as usual in een groene verpakking, in essentie niet anders dan de "hulp is handel"-benadering, of zetten we in op de aarde als gedeelde verantwoordelijkheid van mensen, zowel daar als hier? Inmiddels zijn de belangen van alle levende wezens op aarde zo nauw met elkaar verbonden dat ik voorts ook van mening ben dat er een einde moet komen aan de bio-industrie.