Bijdrage Thieme AO Euro­zo­ne­pakket voor Grie­kenland


16 augustus 2011

Mevrouw Blanksma-van den Heuvel (CDA): Voorzitter. Dit is een zomer die niet alleen de meeste regen ooit kent, maar ook de meeste dynamiek op financiële markten. Niet alleen in Europa, maar zeker ook wereldwijd is het op dit moment zwaar weer. De schuldencrisis kent vele onzekerheden, elke ingreep roept weer een nieuwe ingreep op en eigenlijk hangt alles samen met alles. Het CDA hecht aan een sterk Europa. Dat is voor onze economie van essentieel belang. Nederland profiteert van een krachtig Europa. Juist daarom vragen al die problemen om richting, visie,
leiderschap, perspectief en vertrouwen. Wij moeten allen de verantwoordelijkheid nemen in het maximaal regelen van het draagvlak daarvoor onder de Nederlandse bevolking.

[…]

Mevrouw Thieme (PvdD): Voorzitter. Mevrouw Blanksma zegt dat je het vertrouwen bij de burger op het punt van Europa moet "regelen", maar vertrouwen heb je of je hebt het niet. Wij hebben te maken met een kabinet dat goochelt met cijfers. Wordt de vertrouwenscrisis die er sowieso al is bij de burger daardoor niet verergerd in plaats van voorkomen? Is het niet zo dat je vertrouwen moet verdienen in plaats van met regels op te lossen?

Mevrouw Blanksma-van den Heuvel (CDA): Ik ben blij dat u die vraag stelt. Ik denk dat je draagvlak inderdaad moet verdienen. Draagvlak verkri jg je door de problematiek helder uit te leggen en het voordeel van een krachtig en daadkrachtig Europa telkens weer voor het voetlicht te brengen. De opdracht aan dit kabinet is om dat elke keer weer duidelijk uit te leggen.

Mevrouw Thieme (PvdD): Ik mag dus met u concluderen dat het gegoochel met de cijfers door dit kabinet door de minister-president niet heeft gezorgd voor meer vertrouwen maar voor vermindering van het vertrouwen bij de burger in het hele Europese monetaire beleid?

Mevrouw Blanksma-van den Heuvel (CDA): Dat zijn uw woorden. Ik heb niet de woorden "gegoochel met cijfers" gebruikt.

[…]

Mevrouw Thieme (PvdD): Voorzitter. De voormalige president van de Nederlandsche Bank, Holtrop, voorzag al in 1963 wat het probleem zou kunnen zijn van een gezamenlijke munt: "Geld is een attribuut van soevereiniteit. Als een land zijn munt opgeeft, heft het zichzelf een beetje op". Holtrop had gelijk. Wij spreken vandaag als het parlement van een land dat zichzelf een beetje heeft opgeheven. De oud-directeur van de Nederlandsche Bank, André Szász, vertelde in 1998 in NRC Handelsblad onomwonden hoe de introductie van de euro tijdens het kabinet-Lubbers III werd voorbereid. Premier Lubbers vroeg of de politici eigenlijk wel wisten waar ze mee bezig waren met de introductie van de euro.

Minister Andriessen van Economische Zaken was helder in zijn antwoord: ze hebben geen idee. Het zijn politieke motieven geweest om de euro in te voeren; het waren geen monetaire motieven, want de euro had en heeft een louter symbolische betekenis. Als je de wisselkoersen onverbrekelijk aan elkaar koppelt en de munten vrij inwisselbaar maakt, heb je daarmee een gezamenlijk monetair beleid dat heel goed gevoerd zou kunnen worden met verschillende munten.

Het ideaal van een Europese eenheid met maatschappelijk draagvlak is door de euro verder uit het zicht geraakt, meer dan ooit. Er had in Europa eerst sprake moeten zijn van een politieke integratie waarna er ruimte had kunnen zijn voor een gezamenlijke munt. De euro is geen bindmiddel gebleken, maar een splijtzwam die intolerantie tussen Europese burgers veroorzaakt en maatwerk met betrekking tot het monetaire beleid uitsluit, maar de introductie van de euro moest en zou er komen. Zelfs een dreigende mislukking van de monetaire unie was van ondergeschikt belang.

Er zouden hooguit politieke spanningen kunnen komen waarmee verdergaande integratie een voldongen feit zou worden. Iedereen wist dat het Italiaanse tekort van 7% alleen via romantisch boekhouden kon worden teruggegoocheld naar 3% om het land te kunnen kwalificeren voor deelname aan de monetaire unie. Ik citeer André Szász in een interview in 1998 in het NRC: "Geloofwaardigheid is toch nergens belangrijker dan waar het gaat om de munt; op deze manier bouwen we op drijfzand." Ik citeer Jeroen Sprenger, directeur Voorlichting van het ministerie van
Financiën in 2005 over de vraag waarom de Nederlandse gulden 10% was ondergewaardeerd bij de omwisseling naar de euro en waarom minister Zalm daarover gelogen had: "De minister mag liegen met als doel geen aanleiding te geven tot speculaties op de valutamarkten; de waarheid spreken geldt in zo'n geval als een doodzonde in de monetaire politiek." Sprenger verduidelijkte zijn stelling nog als volgt: "Zalm liegt niet; als je verplicht bent te liegen, ben je geen leugenaar."

Dat is waar we nu staan: we zijn het moeras ingeleid met de invoering van de euro die geen monetair doel kende, maar een politiek doel. Om monetaire redenen is het volgens sommige politici geoorloofd om te liegen om geen paniek te veroorzaken onder de bevolking en op financiële markten. Wij zijn het moeras in geleid en collega Van Haersma Buma riep deze week ertoe op om een sprong vooruit te maken. Dat zal een sprong verder het moeras in zijn. Het gegoochel met tientallen miljarden euro's is een teken aan de wand voor de paniek die zich van nationale en Europese politici meester heeft gemaakt: de noodhulp die Griekenland gaat krijgen, bedraagt 109 mld., 154 mld., 159 mld. en zelfs 204 mld.

Wij weten allemaal dat de problemen met Griekenland het topje van een enorme ijsberg vormen. We kennen de problemen van Spanje, Portugal, Italië en Ierland. We kunnen wel net doen alsof die problemen voorkomen kunnen worden via een massieve steun aan Griekenland, maar wij weten dat dit ijdele hoop zou zijn. Rammelende begrotingen krijg je niet rond met positief denken. Er zal fors gehandhaafd moeten worden om de verdere opmars van financiële gangreen binnen Europa te stoppen. Er zal een serieus en open debat gevoerd moeten worden over de vraag hoever wij willen gaan met het afstaan van onze autonomie als land. De Partij voor de Dieren ziet twee voorwaarden om succesvolle hulp te kunnen bieden aan zwakkere regio's. De eerste voorwaarde is dat in die landen een begrotingsdiscipline wordt gehanteerd met serieuze sancties als zij zich daar niet aan houden.

De tweede voorwaarde is dat wijzelf onze kredietwaardigheid niet in de waagschaal stellen, omdat met een afwaardering daarvan niemand geholpen wordt. Internationale samenwerking is een groot goed, evenals solidariteit met arme landen, maar wij hebben hier te maken met de dramatische gevolgen van politiek opportunisme, met als gevolg een sluipende roofoverval op eerzame Europese burgers. Wij leven in een stelsel van fiduciair geld, dat zijn waarde ontleent aan het vertrouwen dat burgers en instituties erin stellen maar dat verder geen intrinsieke dekking kent. Die burgers en instituties hebben er geen fiducie meer in. We kunnen het ons niet veroorloven om verder te marcheren in dit financiële moeras. Wij zullen onze eigen verantwoordelijkheid moeten nemen, in het belang van alle betrokkenen.

Dat betekent: strenge handhaving van de begrotingsdiscipline in de Europese landen en dus ook het trekken van consequenties voor landen die zich daar niet aan kunnen of willen houden, wat de politieke gevolgen daarvan ook mogen zijn.

[…]

De heer Tony van Dijck (PVV): Nee, ik verwijt de Partij van de Arbeid dat ze steun aan Griekenland geeft, waar wij zo fel op tegen zijn. En we staan nu weer op een kruispunt om, buiten die 110 mld., nog eens 109 mld. aan die Grieken te geven. Daarvoor is de Partij van de Arbeid medeverantwoordelijk. Als het aan ons lag, ging er geen euro naar de Grieken. Als hier geen meerderheid is die deze steun aan de Grieken wil geven, gaat dit kabinet naar Europa en zegt daar: wij hebben geen mandaat. En dan gaat er geen euro naar de Grieken. Zo simpel is het, dat is democratie.

De heer Irrgang (SP): Als de PVV daar zo fel tegen is: stop er dan mee, trek de stekker er dan uit, dan krijgen we nieuwe verkiezingen. Dat kan de PVV toch doen, als ze er zo fel tegen is? U had het zelf over het verkwanselen van de Nederlandse belangen. Waarom gaat u dan door met dit kabinet, dat de belangen van de eigen mensen, in uw woorden, verkwanselt?

De heer Tony van Dijck (PVV): De PVV staat ook voor haar afspraken. Wij hebben gezegd dat wij het kabinet in het kader van het regeerakkoord zouden steunen en we hebben duidelijke afspraken gemaakt in het gedoogakkoord, zo simpel is het. Op verantwoordingsdag hebben wij duidelijk aangegeven dat het kabinet een probleem heeft als wij het gelijk helemaal aan onze zijde zouden krijgen. We zien dat gelijk nu al in onze richting schuiven, maar mochten wij er helemaal gelijk in krijgen dat we naar al die centen kunnen fluiten, dan heeft het kabinet dus een probleem.

Mevrouw Thieme (PvdD): Voorzitter. Ik begrijp dus goed dat de PVV er 109 mld. voor over heeft, dat de belastingbetaler dat geld dus moet gaan betalen, zodat zij maar kan doorregeren met CDA en VVD? Dat is namelijk de prijs die de belastingbetaler moet gaan betalen omdat de PVV niet de daad bij het woord voegt, door die 109 mld. absoluut tegen te houden. Nee, de PVV heeft dat er zelfs voor over om maar te kunnen blijven zitten, om de macht te kunnen blijven behouden.

De heer Tony van Dijck (PVV): Mevrouw Thieme schuift ook niet vaak aan bij dit debat. Als zij de cijfers namelijk goed zou kennen, wist zij dat die 109 mld. niet alleen voor rekening van de Nederlandse belastingbetaler komt, maar dat alle eurolanden dat opbrengen. Verder gaat het natuurlijk om garanties, die volgens ons zullen worden ingeroepen, zodat we dat geld nooit meer zullen terugzien. Maar we zullen zien, wij hebben onze grens getrokken. Als we dat geld niet terugzien uit Griekenland, Ierland of Portugal -- nogmaals, wij zeggen: doe dit niet! -- dan heeft het
kabinet een probleem. Daar wil ik het bij laten.

Mevrouw Thieme (PvdD): Het is gewoon duidelijk dat het de PVV uiteindelijk niet gaat om de belastingbetaler, voor wie zij zegt zo graag te willen opkomen. Als het namelijk werkelijk in de macht van de PVV ligt om dit tegen te houden, laat zij dat over aan andere politieke partijen en gaat zij gewoon lekker door, zodat zij macht kan blijven uitoefenen op dit kabinet.

[…]

De vergadering wordt van 16.00 uur tot 16.15 uur geschorst.

De heer Koolmees (D66): Voorzitter. Dank voor het toestaan van de schorsing. Wij hadden even behoefte om met elkaar te praten over hoe het nu verder moet. De D66-fractie is nog niet tevreden over de beantwoording van het kabinet. Dat gaat over drie punten.

De minister-president heeft weliswaar zijn excuses aangeboden voor de verkeerde voorstelling van zaken, maar toch bestaat ook bij ons het beeld dat er foute berekeningen aan ten grondslag lagen. Ten tweede, en daar wil ik graag een streep onder zetten om hierover in de toekomst weer het inhoudelijke debat te kunnen voeren, heeft de minister van Financiën zelf toegegeven dat in de brief van het kabinet van 21 juli appels met peren worden vergeleken. Het beeld dat daaruit voortvloeit, namelijk dat publieke sector en banken fiftyfifty zouden betalen, klopt dus ook niet, dat is het derde punt. De combinatie van deze zaken zorgt ervoor dat wij behoefte hebben om dit debat morgenmiddag plenair af te ronden. Namens mijn partij zal de fractievoorzitter dat doen. Wij hebben ook het verzoek aan het kabinet om morgen voor 10.00 uur met een brief te komen waarin nader wordt ingegaan op de rekenfout. Verder dient het kabinet daarin het ontstane beeld dat publieke en private sector fiftyfifty zouden bijdragen, terug te nemen en in afwachting van meer informatie achter te houden. Ik hoor graag de reactie van het kabinet hierop.

[…]

Mevrouw Thieme (PvdD): Voorzitter. Ook voor mijn fractie heeft dit debat onvoldoende duidelijkheid geschapen. Het kwartetten met die publieke en private miljarden als voorlopige tussenstand, volgens minister De Jager met nadruk "tentatief", heeft niet de duidelijkheid geschapen die noodzakelijk is voor herstel van vertrouwen. De antwoorden van het kabinet doen het meeste denken aan een kat die om de hete brij draait of aan de manier waarop in Jiskefet de spelregels van het stiften worden uitgelegd. Mijn fractie heeft dan ook behoefte aan meer duidelijkheid.
Ik heb onder anderen de voorlichter van het ministerie van Financiën geciteerd, die in 2005 zei dat er monetaire redenen kunnen zijn om de Kamer niet correct te informeren. Ik wil weten of het kabinet het daarmee eens is. Vandaar dat ik morgen zal deelnemen aan het debat.

[…]

De voorzitter: Mijn conclusie na deze inventarisatieronde is dat er sprake is van meer dan 30 leden, het aantal dat nodig is om over te gaan tot een plenaire afronding. Die plenaire afronding zal dus morgen plaatsvinden. Ik zal dit doorgeleiden naar de voorzitter van de Kamer, die zal beslissen over het tijdstip. Daar zult u vanmiddag nog over geïnformeerd worden.