Bijdrage Schrif­telijk Overleg Landbouw- en Visse­rijraad


12 februari 2010

Export van varkens naar Rusland, Wit Rusland en Kazachstan
In de brief over de uitkomsten van de Landbouw&Visserijraad van 18 januari 2010 schrijft de minister dat er tijdens de Raad gesproken is over de verhoging van de invoerrechten op levende varkens door de douane-unie Rusland, Wit Rusland en Kazachstan. Door deze verhoging zou de afzet van slachtvarkens door Litouwen, Letland, Estland en Polen, verloren kunnen gaan, zo schrijft de minister. Ze voegt daaraan toe dat dit ook negatieve gevolgen zou kunnen hebben voor de Europese varkenshouderij in het algemeen. De genoemde landen hebben de Europese Commissie verzocht alle mogelijke maatregelen te treffen om de belangen van EU-exporteurs van levende varkens te beschermen.
De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vragen zich af welke kanttekeningen minister Verburg bij die oproep heeft geplaatste. ‘Alle mogelijke maatregelen’ voor de bescherming van de belangen van varkensexporteurs lijkt nogal vergaand. Heeft de minister wel gewezen op de noodzaak de belangen van het lijdende voorwerp, de varkens, in ogenschouw te nemen? Heeft zij haar eerder geuite zorg over de export van levende dieren naar Rusland wel ingebracht? We lezen daar niets over terug in de brief. Waarom niet?

Beperking dierproeven met primaten (Herziening Dierproevenrichtlijn)
Uit de brief over de uitkomsten van de L&V Raad blijkt dat er niet is gesproken over de herziening van de Dierproevenrichtlijn. De Partij voor de Dieren vraagt de minister om aan te geven wat de huidige stand van zaken is in dit proces. De Partij voor de Dieren vraagt specifieke aandacht voor de ingenomen standpunten met betrekking tot het gebruik van primaten in experimenten. Begin deze maand werd bekend dat de Europese ombudsman vragen heeft gesteld over de kwaliteit van het onderzoek dat de Europese Commissie heeft laten uitvoeren naar onderzoek met primaten en alternatieven voor deze experimenten. Er zijn twijfels over de expertise binnen de onderzoeksgroep op het gebied van onderzoek met primaten. Ook wordt betwijfeld of gegevens die nut en noodzaak van het onderzoek met primaten bestrijden wel voldoende zijn meegenomen in het onderzoek. Ook mogelijke alternatieven zouden onvoldoende zijn belicht.
De Partij voor de Dieren vindt de twijfels over de kwaliteit van het onderzoek van de Europese Commissie naar nut en noodzaak van experimenten met primaten zeer ernstig. Immers, het nu voorliggende Commissiestandpunt om onderzoek met primaten toe te blijven staan is op dit onderzoek gebaseerd. Het Nederlandse kabinet heeft zelfs de minimale beperking die de Commissie daarbij heeft aangebracht, aanvankelijk niet willen overnemen.
De Partij voor de Dieren vraagt de minister te reageren op het nu lopende onderzoek door de Europese Ombudsman, en welke conclusies zij verbindt aan de gerezen twijfels over de kwaliteit van de onderbouwing van het Commissiestandpunt. Voorts wil de Partij voor de Dieren graag weten op welke onderzoeken Nederland zich heeft gebaseerd toen het kabinet haar eigen standpunt innam over het mogelijk houden van onderzoek met primaten. De Partij voor de Dieren wijst erop dat eerder al naar deze onderbouwing is gevraagd, maar dat het kabinet tot nu toe heeft verzuimd deze informatie te verschaffen.
De Partij voor de Dieren is van mening dat onderzoek met primaten zo snel mogelijk moet worden uitgefaseerd en herinnert het kabinet aan haar voornemens op dit vlak ten tijde van de beslissing om onderzoek met chimpansees te verbieden (2002/2003). Wat zijn de vorderingen op dit vlak geweest, en welke inspanningen heeft Nederland eigenlijk verricht om dit doel dichterbij te brengen? Kan de Kamer daar inzicht in krijgen?

Illegale handel van ivoor
De minister schrijft in haar brief van 11 februari dat zij op de komende Raad haar zorgen over de illegale handel in ivoor zal inbrengen. De Partij voor de Dieren dankt de minister voor die inspanning, maar heeft nog wel vragen over de precieze insteek en inzet van de minister. De minister stelt bijvoorbeeld dat de voorlopige cijfers zouden laten zien dat er geen aantoonbare relatie is tussen de legale verkoop van deze voorraden en toegenomen stroperij. Ze schrijft ook dat de cijfers ook niet aantonen dat een dergelijk verband definitief uitgesloten kan worden. Uit de cijfers blijkt volgens de minister wel zeer overtuigend dat toegenomen stroperij en illegale handel een sterk verband heeft met de politieke situatie in een land of regio en de daarmee gepaard gaande corruptie.

De Partij voor de Dieren is verbaasd over deze opstelling van de minister. Wetenschappelijk onderzoek laat wel degelijk zien dat de stroperij alarmerend is toegenomen in West en Centraal Afrika, maar ook in Tanzania en Zambia. Onderzoek naar in beslag genomen ivoor wijst duidelijk uit dat vele tonnen van dit illegaal ivoor afkomstig zijn van olifanten uit deze twee landen.
Het lijkt erop dat de minister zich wil verschuilen achter mogelijke open eindjes in het onderzoek naar ivoor. Dat vindt de Partij voor de Dieren onbestaanbaar. Als er al vragen te stellen zijn, dan toch zeker over de vermeende positieve effecten die de minister verwachtte van de legale verkoop van ivoor, die zij bij de vorige CITES Cop heeft gesteund. Heeft de minister daar al bewijzen van, en zo nee, welke conclusies verbindt zij daaraan?
De Partij voor de Dieren dringt er bij de minster op aan het voorzorgbeginsel in acht te nemen, en vraagt haar op de komende L&V Raad de duidelijke positie in te nemen dat de voorstellen van Tanzania en Zambia om hun olifantenpopulaties te downlisten door Nederland wordt afgewezen.

Overeenkomst tussen EU en Noorwegen over vangstmogelijkheden en makreelbeheer
De minister schrijft in haar brief het volgende: “Ik hecht veel belang aan een evenwichtig visserijakkoord tussen de EU en Noorwegen. De voor 2010 gemaakte afspraken op basis van de meerjarenplannen dragen bij aan een duurzaam visserijbeheer in de Noordzee. Dit geldt ook voor de langetermijnafspraak over het makreelbeheer in de Noordoost-Atlantische Oceaan. De overeenkomsten met Noorwegen ove het beheer van de visbestanden hebben dan ook mijn instemming. Dit geldt niet voor de uitwisseling van visserij¬mogelijkheden tussen de EU en Noorwegen. Deze is naar mijn oordeel structureel onevenwichtig en met name voor Nederland nadelig.Voor 2010 zal Nederland een grotere nettobijdrage aan de uitruil van vangstmogelijkheden tussen de EU en Noorwegen moeten leveren. Gelet op de urgentie van de implementatie van het akkoord met Noorwegen wordt in schriftelijke procedure gestemd over de aan¬passing van de TAC en quotumverordening. Een Raadsbehandeling is derhalve niet voorzien. Ik zal, gelet op de onevenredig grote bijdrage van Nederland aan de balans in het akkoord, tegenstemmen. Met de Commissie zal worden overlegd over een meer evenwichtige bijdrage van alle lidstaten aan het bereiken van een balans in de ruil van vangstmogelijkheden tussen de EU en Noorwegen. Ook zal naar mijn oordeel het functioneren van het akkoord tussen de EU en Noorwegen in het kader van de hervorming van het GVB geëvalueerd moeten worden.”

Kan de minister aangeven voor welke vissoorten de uitruil van vangstmogelijkheden naar haar oordeel onevenwichtig en met name voor Nederland nadelig zijn en waarom zij deze mening is toegedaan? Kan zij ook aangeven of de nu voorgestelde uitruil van vangstmogelijkheden berust op wetenschappelijke of politieke overwegingen?