Bijdrage PvdD aan SO Bijge­stelde onder­zoeks­kaders van de Inspectie van het Onderwijs


2 oktober 2018

Inbreng Partij voor de Dieren:

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben kennisgenomen van het Ontwerp jaarwerkplan 2019 van de Inspectie van het Onderwijs. Deze leden missen hierin de aandacht voor de toenemende lobby van de fossiele industrie in het onderwijs en hebben hierover daarom nog enkele kritische vragen en opmerkingen.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben de inmenging van de fossiele industrie in het onderwijs al regelmatig aan de kaak gesteld en zullen dat blijven doen.

De belangen van de jeugd kunnen immers niet verder af staan van de belangen van de fossiele industrie. Waar voor jongeren een snelle aanpak van klimaatverandering letterlijk van levensbelang is, heeft Shell juist financieel belang bij vertraging van de energietransitie. En dus doet Shell er alles aan om kinderen op zo jong mogelijke leeftijd te voeden met een wereldbeeld dat al over ruim de datum is.

De incidenten stapelen zich op. In lesmateriaal, gastlessen en “techniekfestivals” verspreiden fossiele bedrijven op subtiele wijze een reeks misleidende en aantoonbaar onjuiste boodschappen. Een snelle energietransitie zou “onrealistisch” zijn en aardgas tot in de verre toekomst “onmisbaar” en zelfs een “oplossing” voor het klimaatprobleem. Aardbevingen in Groningen? Volgens het propagandistische lesmateriaal van de NAM gaat het slechts om “licht trillen”. Leerlingen krijgen promotiemateriaal voor ondergrondse CO2-opslag aan zich opgedrongen. Shell leert kinderen dat in 2050 nog 70% van de energiemix fossiel is. Daarmee zaait Shell bewust twijfel over de noodzaak van de energietransitie en de haalbaarheid van het Klimaatakkoord van Parijs.

Deelt de minister de mening dat de aanwezigheid van het bedrijfsleven in het onderwijs ondertussen verder geïnstitutionaliseerd wordt met het Techniekpact 2020? Zo nee waarom niet? Kan de minister uitsluiten dat de samenwerking tussen scholen en het bedrijfsleven verder wordt verdiept, zonder dat er waarborgen zijn dat het onderwijs gevrijwaard blijft van bedrijfsbelangen die schadelijk zijn voor de gezondheid en veiligheid van kinderen en de maatschappij, nu en in de toekomst? Waar blijkt dat uit? Waar blijkt dat uit de rapporten van de Onderwijsinspectie? Kunnen leerlingen en hun ouders er blindelings op vertrouwen dat wat kinderen leren correct is en niet in het belang is van de aandeelhouders van Royal Dutch Shell of andere fossiele bedrijven die op onduurzame wijze winst maken? Op welke manier blijkt dat uit de rapporten van de Onderwijsinspectie?

Deelt de minister de mening dat leerlingen bescherming verdienen op het moment dat zij lesmateriaal ontvangen vanuit bedrijven waarvan de bedrijfsbelangen botsen met het belang van kinderen, o.a. zijnde een leefbare aarde? Zo nee, waarom niet?

Kent de minister de signalen dat de medezeggenschapsraden van scholen niet altijd op de hoogte zijn van alle vormen van sponsoring, sluikreclame en kindermarketing die met enige regelmaat verstopt zit in lesmaterialen, gastlessen en excursies?

Erkent de minister dat het convenant ‘Scholen voor primair en voortgezet onderwijs en sponsoring’ tot nu toe niet volledig heeft kunnen voorkomen dat door derden verzorgde lesmaterialen, gastlessen en excursies met enige regelmaat misleidende informatie bevatten? Zo nee, waarom niet?

Deelt de minister de mening dat het inspecteren van het onderwijs ook tot doel zou moeten hebben dat er scherpe controle is op door derden geleverde lesmaterialen, gastlessen en excursies? Zo nee, waarom niet?

Deelt de minister de mening dat de bescherming van leerlingen tegen de lobby van de fossiele industrie niet afhankelijk zou moeten zijn van alerte ouders en leraren die de Reclame Code Commissie inschakelen? Zo, nee waarom niet?

Is de minister bereid om er bij de Onderwijsinspectie op aan te dringen om in het Jaarwerkplan 2019 aandacht te besteden aan de controle van lesmateriaal dat werd opgesteld door derden? Zo nee, waaruit blijkt dat dit niet nodig is?

Is de minister bereid om er bij de Onderwijsinspectie op aan te dringen om in de bijgestelde onderzoekskaders voor alle typen onderwijs aandacht te besteden aan de controle van lesmateriaal dat werd opgesteld door derden? Zo nee, waaruit blijkt dat dit niet nodig is?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn van mening dat het tijd is dat de Onderwijsinspectie al haar invloed gaat aanwenden om kinderen te beschermen tegen de schadelijke denkbeelden van de fossiele industrie. Steunt de minister onze oproep aan de Onderwijsinspectie? Zo nee, waarom zouden leerlingen deze bescherming niet verdienen?

Beantwoording van de minister van OCW:

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben de inmenging van de fossiele industrie in het onderwijs – bijvoorbeeld door middel van lesmateriaal en gaslessen – al regelmatig aan de kaak gesteld en stellen mij ook in het kader van dit schriftelijk overleg vragen over dit thema. Allereerst vragen zij mij of ik met hun de mening deel dat de aanwezigheid van het bedrijfsleven in het onderwijs ondertussen verder geïnstitutionaliseerd wordt met het Techniekpact 2020. Zo nee waarom niet?

Het Techniekpact heeft op verschillende manieren de aanwezigheid van het bedrijfsleven binnen ons onderwijs vorm gegeven. Inherent aan een triple-helix-aanpak zoals het Techniekpact is dat dit leidt tot enige vorm van institutionalisering. Partijen zoeken elkaar binnen deze aanpak meer op. Het Techniekpact stimuleert en versterkt de samenwerkingsvormen ook. Denk hierbij aan de betrokkenheid van het bedrijfsleven bij de aanvragen voor de 100 miljoen voor techniek in het vmbo, de RIF-aanvragen, de PSS-en, de Centers of expertise en de centers of innovatief vakmanschap. De verschillende regionale netwerken binnen het Techniekpact fungeren tegelijkertijd als een kwaliteitsfilter tussen bedrijven en het onderwijs, waardoor enkel de goede voorstellen uit het bedrijfsleven het techniekonderwijs op scholen versterken. In het mbo wordt er verder nauw samengewerkt tussen het onderwijs en het bedrijfsleven via de SBB, waarmee de aansluiting van het mbo-onderwijs op de arbeidsmarkt verder wordt versterkt en studenten een betere start op de arbeidsmarkt kunnen maken.

De voornoemde leden vragen mij vervolgens of ik kan uitsluiten dat de samenwerking tussen scholen en het bedrijfsleven verder wordt verdiept, zonder dat er waarborgen zijn dat het onderwijs gevrijwaard blijft van bedrijfsbelangen die schadelijk zijn voor de gezondheid en veiligheid van kinderen en de maatschappij, nu en in de toekomst. Waar blijkt dit uit en waar blijkt dit uit de rapporten van de inspectie, zo vragen voornoemde leden.
Op basis van de vrijheid van onderwijs kunnen onderwijsinstellingen zelf bepalen hoe zij hun onderwijs inrichten, ze zijn daarmee ook zelf verantwoordelijk voor de keuzes over de inrichting van het onderwijs en voor de kwaliteit van het onderwijs. Zoals Minister Slob (voor BVOM) en voormalig Minister Bussemaker en Staatssecretaris Dekker (beide van OCW) al aangaven in reactie op eerdere schriftelijke vragen van uw Kamer, zijn onderwijsinstellingen zelf verantwoordelijk voor het maken van afwegingen voor het onderhouden van banden met het bedrijfsleven.37 Zij maken daarmee ook zelf een inschatting van eventuele risico’s die hieraan zijn verbonden. De inspectie doet hier geen onderzoek naar.

Tevens vragen zij of leerlingen en hun ouders er blindelings op kunnen vertrouwen dat wat kinderen leren correct is en niet in het belang is van de aandeelhouders van Royal Dutch Shell of andere fossiele bedrijven die op onduurzame wijze winst maken. Op welke manier blijkt dat uit de rapporten van de inspectie?

Uiteraard is alertheid altijd geboden. Bij ouders, bij medezeggenschap en in de eerste plaats bij bestuur, schoolleiding en leraren. Om te bevorderen dat alle bij de school betrokkenen op een zorgvuldige manier met sponsoring omgaan, hebben het Ministerie van OCW, de onderwijsorganisaties en de andere belangenorganisaties het convenant «Scholen voor primair en voortgezet onderwijs en sponsoring» afgesloten. In het kader van beantwoording van uw vraag, staan in dit richtinggevende convenant een aantal relevante afspraken opgenomen, zoals dat sponsoring de objectiviteit, de geloofwaardigheid, de betrouwbaarheid en de onafhankelijkheid van het onderwijs, de scholen en de daarbij betrokkenen niet in gevaar mag brengen (artikel 4). Ook mag in lesmateriaal en leermiddelen geen (impliciete) reclame voorkomen en mag daarin geen sprake zijn van onvolledige of subjectieve informatie. Het materiaal mag leerlingen niet stimuleren tot een ongezonde leefstijl of gevaarlijke activiteiten (artikel 5).

De inspectie heeft geen rechtstreeks toezicht op naleving van het convenant. Wel heeft de inspectie toezicht op de naleving van bij of krachtens een onderwijswet gegeven voorschriften die verband houden met de inhoud van het convenant, zoals bijvoorbeeld de vermelding in het schoolplan van het beleid ten aanzien van de aanvaarding van materiële bijdragen of geldelijke bijdragen als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs.
Ook vragen zij mij of ik de mening deel dat leerlingen bescherming verdienen op het moment dat zij lesmateriaal ontvangen vanuit bedrijven waarvan de bedrijfsbelangen botsen met het belang van kinderen, o.a. zijnde een leefbare aarde. Zo nee, waarom niet?

Scholen beslissen zelf of zij gebruik maken van door het bedrijfsleven aangeleverde lespakketten. De lespakketten van bedrijven moeten in lijn zijn met het convenant sponsoring. Dit convenant laat onverlet dat de school zelf verantwoordelijk is voor de kwaliteit van het onderwijs, het schoolbeleid en voor de naleving van wet- en regelgeving. Daaronder valt ook het sponsorbeleid van de school -waar de medezeggenschapsraad ook mee moet instemmen- en het gebruik van lesmateriaal dat wordt aangeboden vanuit het bedrijfsleven of maatschappelijke organisaties.

De leden vragen mij of ik de signalen ken dat de medezeggenschapsraden van scholen niet altijd op de hoogte zijn van alle vormen van sponsoring, sluikreclame en kindermarketing die met enige regelmaat verstopt zit in lesmaterialen, gastlessen en excursies. Tevens vragen zij mij of ik erken dat het convenant «Scholen voor primair en voortgezet onderwijs en sponsoring» tot nu toe niet volledig heeft kunnen voorkomen dat door derden verzorgde lesmaterialen, gastlessen en excursies met enige regelmaat misleidende informatie bevatten. Zo nee, waarom niet?

Mij zijn geen signalen bekend dat medezeggenschapsraden niet altijd op de hoogte zijn van alle vormen van sponsoring, sluikreclame en kindermarketing. Ik wacht de evaluatie van het convenant af voordat ik een oordeel kan vormen over de werking van het convenant. De ondertekenaars van het convenant hebben afgesproken de werking van het convenant in 2018 te evalueren. Ik verwacht uw Kamer de evaluatie in de eerste helft van 2019 te kunnen toesturen.
Vervolgens vragen zij mij of ik de mening deel dat het inspecteren van het onderwijs ook tot doel zou moeten hebben dat er scherpe controle is op door derden geleverde lesmaterialen, gastlessen en excursies. En of ik de mening deel dat de bescherming van leerlingen tegen de lobby van de fossiele industrie niet afhankelijk zou moeten zijn van alerte ouders en leraren die de Reclame Code Commissie inschakelen? Zo, nee waarom niet?

Besturen, scholen en leraren zijn verantwoordelijk voor de beoordeling van de kwaliteit van lesmaterialen, gastlessen en excursies. Er zijn verschillende checks and balances om ervoor te zorgen dat dit gebeurt op een manier die bij de school past en uiteraard ook binnen de grenzen van de wet. Hierbij spelen met name ook het interne toezicht en de medezeggenschap een rol, en daarnaast ook de inspectie bij een eventuele overtreding van een wettelijk voorschrift.
De eerder genoemde leden vragen mij of ik bereid ben om er bij de inspectie op aan te dringen om in het jaarwerkplan 2019 en in de bijgestelde onderzoekskaders voor alle typen onderwijs aandacht te besteden aan de controle van lesmateriaal dat werd opgesteld door derden. Zo nee, waaruit blijkt dat dit niet nodig is?

Nee. Uiteraard vinden wij het belangrijk dat leerlingen en studenten het best mogelijke onderwijs krijgen, ondersteund door leermiddelen die de bekende feiten juist weergeven. Tegelijkertijd beslissen onderwijsinstellingen zelf of zij gebruik maken van door derden opgesteld lesmateriaal. Omdat de verantwoordelijkheid voor de inrichting van het onderwijsproces en de keuze van lesmaterialen is belegd bij het bevoegd gezag, is het niet aan de overheid om de kwaliteit van dit lesmateriaal te beoordelen, of aan de inspectie om hierop toe te zien. Wij zullen de inspectie dan ook niet verzoeken in het Jaarwerkplan 2019 of in de onderzoekskaders aandacht te besteden aan controle van lesmateriaal dat werd opgesteld door derden.
Mochten ouders of leerlingen klachten hebben over lesmateriaal dat afkomstig is van derden, dan kunnen zij hierover het gesprek aangaan met de school. Ook hebben ouders, leerlingen en leraren de mogelijkheid om bij de inspectie melding te maken van klachten over een school of onderwijsinstelling. De inspectie kan deze meldingen dan als signaal betrekken in haar toezicht.

Tot slot zijn de leden van mening dat het tijd is dat de inspectie al haar invloed gaat aanwenden om kinderen te beschermen tegen de schadelijke denkbeelden van de fossiele industrie. De eerder genoemde leden vragen mij of ik de oproep van deze leden aan de inspectie steun. Zo nee, waarom zouden leerlingen deze bescherming niet verdienen, zo vragen zij.

Zoals ik al aangaf: Besturen, scholen en leraren zijn verantwoordelijk voor de beoordeling van de kwaliteit van lesmaterialen, gastlessen en excursies. Er zijn verschillende checks and balances om ervoor te zorgen dat dit gebeurt op een manier die bij de school past en uiteraard ook binnen de grenzen van de wet. Hierbij spelen met name het interne toezicht en de medezeggenschap een rol. De inspectie kan hierbij een rol spelen, als de overschrijding van de grenzen van de wet (mogelijk) aan de orde is.