Bijdrage Partij voor de Dieren tweede termijn VWS-begroting 2010


10 november 2009

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter. Ik dank de minister voor zijn beantwoording. Ik wil nog even kort stilstaan bij de kwestie rond de Q-koorts. Ik ben mij ervan bewust dat er vanavond een AO is, maar ik wil het toch hier met de volksgezondheidsspecialisten van de diverse fracties in de zaal even over een belangrijke hoofdvraag hebben. Mijn stellige indruk is namelijk dat de minister van VWS zich in belangrijke mate laat leiden door de ambtenaren van LNV, ook weer getuige zijn antwoord op de vraag van vanmorgen. De minister zegt dat volksgezondheid prevaleert boven economische belangen, maar de 2100 zieken en de 6 doden vertellen toch samen echt een ander verhaal. Wat de uitkomst van het debat van vanavond ook is, de harde werkelijkheid is dat de duoverantwoordelijkheid tussen de minister van Landbouw en de minister van Volksgezondheid heeft geleid tot de situatie waarin mensen inmiddels al een paar jaar, en in toenemende mate, zijn blootgesteld aan grote risico's op besmetting uit de vee-industrie, zonder dat zij daarvan zelfs maar op de hoogte zijn gesteld. De Partij voor de Dieren vindt dat onverantwoord. Als de minister meent wat hij zegt, namelijk dat het beschermen van de volksgezondheid belangrijker is dan het beschermen van een sector die die volksgezondheid juist in gevaar brengt, moet hij ook de regie nemen.

De CDA-fractie was erg benieuwd naar de voorstellen van de Partij voor de Dieren op het gebied van gezondheid en welzijn van mensen. Ons voorstel is dat de minister van VWS doet waarvoor hij is aangenomen. Dat is in dit geval het beschermen van de volksgezondheid tegen de koers van LNV, die er duidelijk op is gericht om de industrie te sparen. Ik voeg daaraan voor het CDA toe, dat het voor de gezondheid van mensen allicht beter zou zijn als de CDA-fractie haar woordvoerder voor Volksgezondheid naar dit soort debatten zou sturen, in plaats van de hardcoreverdedigers van de intensieve veehouderij waarmee de CDA-fractie is gezegend. Dit ter overweging, zal ik maar zeggen.

Ik ga nu door met de punten die de grootste aandacht van mijn partij hebben gehad bij deze begrotingsbehandeling. Die gaan over alternatieven voor dierproeven en dierproevenbeleid.

Mevrouw Agema (PVV):

Los van de opmerking wie nu wie stuurt naar een debat, kan ik het pleidooi van mevrouw Ouwehand wel begrijpen. Zij stelt dat de minister van VWS eigenlijk het voortouw zou moeten hebben.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Dat is precies wat ik bedoel. De indruk bestaat dat de duoverantwoordelijkheid waar de minister het over heeft, er eigenlijk op neerkomt dat LNV de touwtjes in handen heeft en dat de minister van VWS mee mag doen. Ik zou denken dat het juist andersom zou moeten zijn. Nogmaals, er wordt vanavond indringender over gediscussieerd, maar ik denk dat het onderwerp hier, nu wij met de woordvoerders VWS bij elkaar zijn, niet mag ontbreken.
Dan de dierproeven. Ten onrechte kan de indruk bestaan dat als je pleit voor alternatieven het je dan alleen om de dieren te doen zou zijn. Natuurlijk, als er geen dierproeven worden verricht, is dat het meest welzijnsvriendelijke dat je kunt doen voor dieren, maar ook voor mensen is het goed nieuws. Als wij precies weten hoe wij de wereld moeten inrichten om witte laboratoriumratten gezond te houden, is dat leuk voor die ratten, maar dan hebben wij daar als mensen nog steeds niets aan. Het is niet het idee van de Partij voor de Dieren dat met dierproeven geen goede voorspellingen kunnen worden gedaan over de gezondheid van mensen, maar dat is de algemene consensus onder wetenschappers. Dierproeven is een model waar zij veel uit zeggen te halen, maar er blijven problemen bestaan. Kun je daarvan af? Als er technieken zijn die meer voorspellen over wat stoffen doen bij mensen en hoe geneesmiddelen werken bij mensen, dan is dat voor iedereen goed. Dat -- dit zeg ik ook richting de CDA-fractie -- maakt dat als je opkomt voor dieren, mensen daar ook wel bij varen.

Wat die alternatieven zelf betreft, het volgende. De minister heeft aangegeven dat hij in tweede termijn nog terugkomt op waar die 1 miljoen euro voor het ASAT-initiatief vandaan komt. Ik hoop zeer dat het additioneel is. Ik krijg hier nog een reactie op, maar dan nog is het te weinig. Het past niet bij de ambities van het kabinet om maar met 1 of 2 mln. per jaar alternatieven voor dierproeven te willen ontwikkelen. De minister heeft mijn amendement ontraden, waarin staat dat een aantal middelen op de begroting van EZ worden geoormerkt voor de ontwikkeling van alternatieven. Hij heeft daarbij gezegd dat dat budget al vastligt. Dat is echter niet correct, want op dat artikel is nog 20 miljoen ongebonden. Het kan dus wel. Als de minister echter bezwaar heeft tegen amendementen op een begroting van collega's, vraag ik hem waarom hij bij de onderhandelingen in het kabinet zelf niet heeft onderhandeld over een redelijke bijdrage voor het budget voor onderzoek naar alternatieven. Omdat de minister het amendement heeft ontraden, ga ik nu alsnog zoeken binnen de begroting van VWS, waarbij ik vooral de post voor de opmars naar de Olympische Spelen in 2028 voor ogen heb. Dat amendement volgt dus nog.

Dan meer inhoudelijk. De minister verwees mij wat betreft mijn vragen over de ontwikkeling van alternatieven in het fundamentele onderzoek, naar de programmeringstudie. Die wil ik best afwachten, maar ik zeg er nu vast bij dat ik de minister zal houden aan zijn toezegging dat hij ook de ontwikkeling van alternatieven in het fundamenteel onderzoek zal stimuleren. Wat de programmeringstudie zelf betreft, vind ik 2010 wel een erg brede termijn. Kan dat wat specifieker? Ik zou willen voorstellen: eerste kwartaal. Graag krijg ik hier nog een reactie op.

Dan het wetenschappelijk onderzoek dat door de overheid wordt gefinancierd. De minister sprak over een additionele toets, omdat er immers al een DEC-toetsing plaatsvindt als er sprake is van proefdieronderzoek. De klacht van dierexperimentencommissies is nu juist dat zij pas in een laat stadium in beeld komen en dat het onderzoek dan al ver gevorderd is. Dan loopt het onderzoek bijvoorbeeld al een jaar of vijf en is het onderzoek met proefdieren waarover die DEC moet adviseren een van de laatste onderdelen van het traject. Zeg dan nog maar eens nee tegen een aanvraag van een collega, als je weet dat die wetenschapper al vijf jaar aan een het onderzoek werkt en dat hij het niet zal kunnen afronden als het dierexperiment niet door kan gaan. Dat dilemma hebben de DEC's zelf naar voren gebracht toen de Kamer op werkbezoek was bij het LUMC. De vraag is en blijft of er niet in een eerder stadium een toetsing kan plaatsvinden om dit onderzoek te beoordelen. Dat biedt meer ruimte voor een bredere afweging van het maatschappelijk belang dat met het onderzoek wordt gediend en hoe dat zich verhoudt tot het eventueel opofferen van dieren. Ja, zeg ik tegen de minister, dat is dus soms additioneel, omdat als het onderzoek door gaat de uiteindelijke DEC-afweging nog moet plaatsvinden als het concrete dierexperiment wordt beoordeeld. Maar soms ook niet, omdat een afweging aan het begin kan betekenen dat het beter is als een wetenschapper met een ander onderzoek of een andere insteek aan de slag gaat.

Ik hoor vanuit de fractie van de VVD en misschien ook wel vanuit die van D66 de vraag opborrelen of wij onderzoek zullen tegenhouden. Nogmaals, het signaal komt van de dierenexperimentencommissies zelf. Zij zijn belast met de ethische toetsing van proefdieronderzoek en zij zeggen in sommige gevallen: als wij in een eerder stadium betrokken waren geweest, hadden wij misschien wel anders geoordeeld. Als het terugdringen van het aantal dierproeven het streven is, wat in elk geval in theorie geldt voor verreweg de meeste partijen in dit huis, dan moet dit signaal serieus genomen worden, zeker als het onderzoek betreft waarin overheidsgeld wordt gestopt. Daarom dien ik de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de afweging van het maatschappelijk belang van een
dierproef tegen het lijden van betrokken proefdieren op dit moment in een zeer laat stadium plaatsvindt;

overwegende dat dierexperimentencommissies aangeven dat door deze
werkwijze soms (te) weinig ruimte bestaat voor de beoordeling van de ethische toelaatbaarheid en de
maatschappelijke implicaties van een onderzoek vanwege het feit dat het betreffende onderzoeksprogramma in
veel gevallen al ver gevorderd is;

overwegende dat veel wetenschappelijk onderzoek door de overheid wordt gefinancierd en dat dit mogelijkheid geeft tot het instellen van een ethische toets bij de toekenning van financiering;

verzoekt de regering, de mogelijkheden te onderzoeken om de ethische afweging een prominente plaats te geven bij de beoordeling van aanvragen voor overheidssubsidies voor wetenschappelijk onderzoek waarbij gebruik wordt gemaakt van proefdieren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 69 (32123-XVI).

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter. De minister heeft gehoor gegeven aan de oproep van de Partij voor de Dieren tot een fundamentele discussie over de toelaatbaarheid van dierproeven. Daarmee ben ik heel blij. De PvdD-fractie heeft al gezegd voor het doel van cosmetica geen proefdieren meer op te willen offeren. Dat zouden wij wellicht voor meer doelen niet meer moeten doen: "lifestyleziekten", kwaaltjes die door de industrie tot ziekte worden "gepromoveerd" en al die producten met een gezondheidsclaim. Ik hoop dat de analyse waarmee de minister is gestart, een goed startpunt vormt voor deze discussie.

Dan kom ik op het punt van de overtollige proefdieren die in voorraad worden gedood. Het gaat daarbij om bijna een half miljoen dieren in het vorige jaar. Ook de minister is van dat getal geschrokken, maar ik wijs hem erop dat het aantal overtollige dieren al een paar jaar geleden explosief gestegen is en dat dit aantal al een paar jaar boven de 400.000 dieren per jaar ligt. Dat aantal komt dus bovenop het aantal dieren dat daadwerkelijk in een experiment is gebruikt. Vorig jaar hadden de fracties van het CDA, de VVD en ook de PvdA er nog geen behoefte aan om dit probleem aan te pakken, getuige hun afwijzing van de motie die ik op dat punt had ingediend. Dit jaar heeft de CDA-fractie in de vorm van Kamervragen gesteld dat het streven moet zijn dat het totale aantal gefokte proefdieren een dalende lijn laat zien, waarvoor dank. Ik denk dan maar: soms helpt het als een probleem in de krant komt.

De minister is nu dus ook geschrokken. Hij zegt dat hij zal uitzoeken hoe het komt dat er zo veel overtollige proefdieren worden afgemaakt en wat daaraan eventueel te doen is. Dat is op zichzelf niet verkeerd, maar ik vind dat het net iets steviger kan. Daarom dien ik de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het aantal dieren dat in voorraad wordt gedood zonder in
een proef te zijn gebruikt is verdubbeld in de afgelopen vijf jaar;

verzoekt de regering, doelstellingen te formuleren voor het terugdringen en het beheersen van het aantal dieren dat in proefdierfokkerijen en laboratoria in voorraad wordt gedood;

verzoekt de regering, met voorstellen te komen om deze doelstellingen te kunnen realiseren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 70 (32123-XVI).

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter. De volgende motie raakt aan dit onderwerp, want het kabinet heeft het in zijn communicatie over het dierproevenbeleid eigenlijk altijd alleen over het aantal dierproeven dat wordt uitgevoerd. Dat daalt ieder jaar met een paar procent. Dat is waar, maar het is een halve waarheid. Volgens mij moet in een maatschappelijk nogal beladen debat de hele waarheid worden verteld. Daarom dien ik de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat naast het aantal dieren dat wordt gebruikt in experimenten, een groeiend aantal proefdieren "in voorraad" wordt gedood en dat als gevolg daarvan het totaal aantal dieren dat jaarlijks in het kader van proefdieronderzoek wordt gedood, met 20% is gestegen ten opzichte van vijf jaar geleden;

overwegende dat het kabinet desondanks in zijn communicatie over dierproeven uitsluitend spreekt over een daling van het aantal dierproeven;

van mening dat hiermee een te rooskleurig beeld wordt geschetst van de werkelijkheid en dat dit in het kader van de maatschappelijke discussie over dierproeven ongewenst is;

verzoekt de regering, in het kader van haar dierproevenbeleid voortaan (ook) te spreken over het totale aantal dieren dat in het kader van proefdieronderzoek wordt gefokt en/of gebruikt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 71 (32123-XVI).

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Dan een motie over een vraag die ik vergat te stellen in mijn inleiding. Ik krijg veel mailtjes van mensen die het vervelend vinden dat zij, als zij geneesmiddelen aanschaffen of voorgeschreven krijgen, niet goed kunnen zien wat daar precies in zit. Dan blijken mensen onderdelen van eenden of onderdelen van varkens naar binnen te hebben geslikt, terwijl zij vegetariƫr of moslim zijn. Ik krijg graag een reactie van de minister op de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat voor de consument niet duidelijk is uit welke bestanddelen (homeopathische) geneesmiddelen bestaan;

overwegende dat dit vervelende situaties kan opleveren voor mensen die zich willen houden aan bepaalde dieetregels, zoals vegetariƫrs, veganisten en moslims;

verzoekt de regering, met voorstellen te komen voor de etikettering van de bestanddelen van geneesmiddelen,
en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 72 (32123-XVI).

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik wil nog een laatste afrondende opmerking maken. Ik ben bij de behandeling van de begroting van VWS altijd een beetje een vreemde eend in de bijt omdat ik heel gedetailleerde vragen heb over dierproeven. Dat zou natuurlijk niet moeten. Daarover zouden wij in AO's voldoende van gedachten moeten kunnen wisselen. Het is echter zo gegroeid. Vanuit het kabinet is er niet veel gekomen. De minister zegt dat de Kamer zelf over haar debatten gaat en daarmee heeft hij ook een punt. Ik denk echter dat wij vandaag een constructieve oplossing hebben gevonden met mijn voorstel om jaarlijks een beleidsbrief te sturen waarin het kabinet ingaat op de ontwikkelingen op dit dossier. Ik reken op de steun van de collega's om daarvoor dan ook jaarlijks een uitgebreid AO te plannen, zodat wij bij de behandeling van deze begroting iets meer op de hoofdlijnen kunnen ingaan.