Bijdrage Partij voor de Dieren AO Visse­rijraad


11 december 2007

Voorzitter. Vorige week kwam de Europese Rekenkamer met een kritisch rapport over de controle van de visvangsten in de EU. Volgens dit rapport hebben de lidstaten geen zicht op de hoeveelheid vis die jaarlijks wordt gevangen. Controles en inspecties schieten tekort. De vangstcijfers zijn volledig onbetrouwbaar en de vissersvloot is veel te groot. Ook was er de recente onrustbarende publicatie in Science van 13 Europese onderzoeksinstituten waarin wordt aangetoond dat er bij verschillende soorten zeevis genetische veranderingen plaatsvinden die zeer waarschijnlijk gevolg zijn van de visserijdruk.

Vlak vóór het uitkomen van het rapport van de Europese Rekenkamer is de Europese Commissie gekomen met voorstellen voor de nieuwe totaal toegestane vangsten (TAC’s) voor 2008. De vraag is wat deze TAC’s nog betekenen wanneer de lidstaten geen idee hebben wat er daadwerkelijk binnengehaald wordt. Het gaat nog altijd slecht met de visbestanden. Ondanks allerlei beperkingen en technische maatregelen zijn veel van de visbestanden beneden biologisch veilige niveaus gezakt. In het algemeen liggen de TAC’s bovendien hoger dan de quota die visserijbiologen van het ICES adviseren.

Voorzitter. Ik wil ingaan op de voorgestelde vangstquota voor de verschillende vissoorten. Voor Noordzee kabeljauw is door de Commissie een TAC verhoging van 11% afgesproken. Voor de kabeljauw is de toestand ondanks een lichte stijging nog steeds zeer ernstig en zou eigenlijk een moratorium ingesteld moeten worden. Het is onverantwoord om bij een kabeljauwbestand dat nog steeds onder het voorzorgsniveau zit nu al een verhoging van het quotum af te spreken. Het is juist van belang de nu aankomende jaarklassen de kans te geven om te reproduceren voordat ze gevangen worden. Ook moet er serieus gewerkt gaan worden aan een sterke reductie van ongewenste bijvangst in de gemengde visserij. Is de minister bereid zich in Europa hard te maken voor een handhaving van de huidige kabeljauw TAC voor enkele jaren om deze soort een kans op duurzaam herstel te geven?

Wat betreft de vangst van schol en tong; de minister is tevreden met de door de Commissie voorgestelde TAC-verlaging van 2% voor de scholvangsten en 15% voor tong. Zij vindt het echter jammer dat Noorwegen niet bereid is te komen tot een meerjarenafspraak voor de schol. Zij streeft ernaar dat dit begin volgend jaar gaat gebeuren. Volgens de cijfers van de ICES zitten de tongbestanden bij de laatste bestandsbeoordeling beneden veilige biologische niveaus. Dat betekent in het beheerplan dat de beperking op de TAC niet meer geldt. De voorgestelde reductie van 15% is daarom niet in lijn met de voorzorgsbenadering en het advies van de ICES is een reductie van 35%. Daarnaast moet er een oplossing gezocht worden voor de hoge bijvangst van schol in de tongvisserij. Dit kan bereikt worden door een vergroting van de minimum maaswijdte voor tong van 80 mm naar 100 mm. Hierdoor wordt de hoeveelheid ondermaatse vis, zowel schol als tong, gereduceerd. Met de huidige TAC zullen naar verwachting de gestelde doelen die gericht zijn op het bereiken van groei van de paaibestanden van tong en schol dus niet bereikt worden. Wat is de mening van de minister over het vergroten van de minimum maaswijdte voor de tongvisserij? Is de minister bereid in een meerjarenplan voor de schol in te zetten op een vergroting van de minimum maaswijdte om de vangst van ondermaatse vis en discard terug te dringen in het belang van een gezonder bestand?

De minister toont zich bijzonder teleurgesteld ten aanzien van de haring TAC, waarvoor een verlaging van 41% is afgesproken. De pelagische Regionale Advies Raad had een daling van 35% geadviseerd.
De Partij voor de Dieren is relatief positief is de overeenkomst met Noorwegen over een reductie van de haringquota met 41%, ondanks het voorstel van de Pelagische RAC. Het ICES- advies dat door Noorwegen werd gehanteerd was een reductie van 50%. De reductie van 41% biedt perspectief voor herstel van de haring. Wij vinden daarom dat de minister geen reden heeft om teleurgesteld te zijn.

De minister geeft aan dat zij de voorgestelde verlaging door de Commissie van 10% ten aanzien van het aantal zeedagen te ver vindt gaan. Deze weerstand hiertegen is strijdig met eerdere uitspraken die zij heeft gedaan. In de aanbiedingsbrief bij het Imaresrapport over discards in de Nederlandse visserij spreekt zij nog over het verminderen van de visserijinspanning, dus het aantal dagen/uren dat de schepen op zee zijn. In de agenda geeft zij echter opeens de voorkeur aan stabiliteit, met hooguit een lichte daling. Wij zijn van mening dat de voorgestelde verlaging van 10% juist een zeer belangrijke bijdrage kan leveren aan het herstel van de visbestanden. Hoe verklaart de minister haar tegenstrijdige uitlatingen over het verminderen van de toegestane visserij inspanningen? Wat is nu het standpunt van de minister over de reductie van het aantal zeedagen?

Het voorstel voor het kleinschalig toestaan van de pulstechniek in de boomkorvisserij moet wat de Partij voor de Dieren betreft aan voorwaarden worden verbonden. Over deze methode is nog veel onduidelijkheid, met name met betrekking tot duurzaamheid. Niet voor niets wordt vanuit Brussel maar met mondjesmate vergunning verleend voor deze nieuwe techniek. Voorwaarde voor het beperkte toestaan van de pulstechniek moet dan ook zijn dat gelijktijdig onderzoek gedaan wordt, niet alleen naar de commerciële voordelen, maar ook naar de duurzaamheid. Hierbij moeten o.a. aspecten als bijvangst, verstoring van het bodemleven, effecten op haaien en roggen en indirecte effecten zoals die van het trawlerspoor nader onderzocht worden. Wij verwachten dat de minister breder zal inzetten op onderzoek naar de duurzaamheid van nieuwe vistechnieken. Wij vragen de minister dan ook of er al concrete cijfers zijn te geven over de effecten van de pulstechniek met betrekking tot duurzaamheid? Is de minister bereid zich in te zetten voor het stellen van voorwaarden aan het toestaan van de pulstechniek door dit verplicht te combineren met onderzoek naar duurzaamheidsaspecten?

Daarnaast vinden wij het nog altijd van belang om alternatieve, duurzame vangstmethoden te combineren met de sanering van de destructieve boomkorvisserij. De saneringsideeën waar de minister tijdens het vorige a.o. over sprak klinken veelbelovend maar hebben weinig te maken met duurzaamheid als het slechts gaat om een vermindering van het aantal schepen in de boomkorvisserij. Zeker als daarbij vervolgens de overgebleven schepen, op dezelfde destructieve manier per stuk méér mogen vangen, of mogen vissen met nog niet op duurzaamheid onderzochte alternatieven.

Voorts wordt in de agenda nog vermeld dat Duitsland de noodzaak van een gemeenschappelijke actie ten aanzien van haaien aan de orde stellen. Dat lijkt ons een erg goede zaak, maar de minister geeft in haar brief niet aan wat zij ervan vindt. Gaat ze Duitsland steunen in haar voorstel haaien beter te beschermen?