Bijdrage Partij voor de Dieren AO Dier­proeven


23 september 2008

Voorzitter.
Ik heb zoveel te vertellen dat ik het op prijs zou stellen als de voorzitter mij een minuut voor het einde van mijn termijn een waarschuwing geeft. Ik kan niet alle punten maken die ik zou willen maken.
Ik haak aan bij de beantwoording van de schriftelijke vragen. Ik maak er een punt van dat het kabinet structureel negeert dat het onderzoeksrapport, de evaluatie van de Wet op de dierproeven, uitwees dat er mogelijkheden zijn om zonder gevaar voor mensen of bedrijfsgegevens openbaarheid te betrachten over dierproeven. Er moet een verbetering komen bij de ethische toetsing. Het enige dat het kabinet herhaalt is dat onderzoekers rekening moeten houden met de angst die er bij mensen in de dierproefwereld leeft over meer openbaarheid. Dat kan geen reden zijn om een onafhankelijk evaluatierapport weg te schuiven onder de noemer: geen draagvlak, dus polderen. Dat is geen verantwoordelijke wetgeving. Ik weet dat er geen ruimte in zit en dat het kabinet niet van haar standpunt te brengen is. Ik wil het punt echter gemaakt hebben. Het is ook heel vervelend dat wij wachten op de herziening van de Europese richtlijn voordat wij wetgeving aanpassen aan ontwikkelingen die wij sinds de jaren zeventig in het bestuursrecht zien. Het kan toch niet dat wij met het wijzigen van verouderde wetgeving blijven wachten tot er een keer Europese consensus is.

Het kabinet vraagt zich af wat de Partij voor de Dieren bedoelt met de stelling dat er democratische controle uitgeoefend moet kunnen worden op dierproeven. Dat is niet zo ingewikkeld. Wij moeten weten wat er gebeurt en waarvoor, zodat de samenleving zich er een oordeel over kan vormen. De communicatie waar de heer Ormel op doelde met zijn motie zal slechts averechts werken als je geen echte openbaarheid betracht, niet eerlijk vertelt wat er aan de hand is en alleen een reclamefilm over dierproeven de samenleving instuurt. Ik geef nu alvast op een briefje dat dit het klimaat voor dierenrechtenactivisme, waarover de heer Ormel zich zo’n zorgen maakt, zeker niet ten goede zal komen. Ik druk mij dan nog voorzichtig uit.
Wellicht heeft de heer Ormel geen colleges over communicatie gevolgd. Ik toevallig wel. Het is algemeen bekend dat liegen tegen de samenleving altijd verkeerd uitpakt. In het licht van het klimaat voor dierenrechtenactivisme en in de wetenschap dat wij AIVD-adviezen in de wind hebben geslagen, is dit geen verstandige koers. Het is immers niet te controleren. Wij moeten mensen die openheid willen betrachten blijkbaar op hun blauwe ogen geloven. De heer Ormel kent de code openheid die de Vereniging van universiteiten heeft gepresenteerd. Daarin staat dat niet de originele documenten overlegd hoeven te worden. Het gaat om een samenvatting van wat zij willen vertellen. Vanuit de communicatietheorie levert dat problemen op, omdat mensen niet kunnen controleren of het waar is wat hen wordt voorgeschoteld. Ik zou adviseren om volledige openheid, openbaarheid en eerlijkheid te betrachten. Anders zie ik het niet goed komen.

In het schriftelijk overleg heb ik het kabinet gewezen op talloze onderzoeken, het evaluatierapport en de gesprekken met leden van de dierexperimentcommissies. Daaruit blijkt dat de ethische toetsing niet uit de verf komt. Het kabinet stapt daar iedere keer overheen. Ik wil graag dat dit serieus genomen wordt. De ethische toetsing is lastig. Er bestaat grote verscheidenheid tussen de DEC’s onderling. Er zijn geen ethische toetsingscriteria die gestandaardiseerd kunnen worden gebruikt. Ik wil dat het kabinet hier serieus naar kijkt. Mijn voorstel is om een landelijke toetsingsautoriteit op te stellen, zodat men niet meer afhankelijk is van de instituutgebonden DEC’s die zich maandelijks met een groepje vrijwilligers opsluiten om de stukken te beoordelen. Ik vraag het kabinet om de haalbaarheid en wenselijkheid van een landelijke DEC, met daaronder themacommissies, te onderzoeken ten opzichte van de huidige DEC-structuur. Je haalt zo de kennis in huis en kan vergelijkbaar onderzoek op dezelfde manier toetsen. Ook kan de onafhankelijkheid van de DEC worden gewaarborgd. Zo’n onderzoek lijkt mij alleszins redelijk. Dan hoeven wij niet meer te blijven botsen over aannames in wellesnietesspelletjes.

Ook heb ik vragen over de primaten. Bij de uitgevoerde motie over onderzoek naar het gebruik van primaten bij dierproeven blijkt dat 5% tot 10% van de gebruikte dieren niet uit fokcentra binnen de EU komen. Mijn vraag waar die dieren dan wel vandaan komen, kan het kabinet niet beantwoorden omdat het zegt geen gegevens te hebben. Dat kan toch niet? Dat staat onze wetgeving niet toe. Ik wil hier meer duidelijkheid over van het kabinet. Ik wil in ieder geval de toezegging dat dit alsnog wordt uitgezocht.

Ik stap over naar het punt van het aantal dieren dat gedood is in voorraad. Ook vragen daarover ontwijkt het kabinet een beetje. Het stelt dat bedrijfsmatige efficiency sowieso het aantal dieren remt dat wordt aangehouden. Hoe zit dat precies? Het zou bijvoorbeeld ook heel efficiënt kunnen zijn om dieren na geboorte te doden. Dat is immers voordeliger dan die lange tijd te moeten verzorgen. Ik wil daar meer over weten. Ik wil ook een ambitie van het kabinet bij het aantal dieren dat in voorraad wordt gedood. Dat aantal stijgt ieder jaar en zat al boven de 400.000 in 2006. Wij kunnen dat niet laten gebeuren zonder daarop beleid te zetten.

Nog even over de alternatieven. Het is goed als de kabinetsvisie wordt uitgewerkt in een werkplan met concrete doelen, resultaten en prestatie-indicatoren. Zo weten wij waarop wij het kabinet kunnen aanspreken en kunnen bijsturen. Mensen die onderzoek doen met proefdieren moeten een verplichte cursus proefdierkunde van twee weken volgen. Die is nogal generiek. Ook is er geen verplichte opfriscursus. Het kan heel zinvol zijn om terugdringen van het proefdiergebruik binnen instituten te door naast een generieke cursus te investeren in kennis van het eigen vakgebied met een jaarlijkse opfriscursus en nadere specialisaties. Kan het kabinet hierop reageren?