Bijdrage Partij voor de Dieren aan VWS-begroting 2008, tweede termijn


14 november 2007

Voorzitter. Ik heb met opzet spreektijd bewaard voor mijn tweede termijn. Er valt immers heel veel te zeggen over het Nederlandse beleid ten aanzien van dierproeven. Ik realiseer mij dat een aantal collega's denkt: daar komt ze weer met haar spreekbeurt. Het zij zo.

Ik wil het graag hebben over het streven naar een daling van het aantal dierproeven, want dat is niet alleen een verplichting die voortvloeit uit de wet, maar ook de wens van burgers, wetenschappers en industrie. Als er al onderzoek naar alternatieven wordt verricht, blijven de resultaten vaak onbenut omdat de boel versnipperd is.

Aan de validatie van dierproeven zijn zeer zware voorwaarden verbonden, terwijl de dierproeven zelf niet gevalideerd zijn of hoeven te zijn. Dierproeven worden beschouwd als de gouden standaard, niet omdat daar een wetenschappelijke basis voor is, maar vanwege het simpele feit dat ze altijd al zijn gebruikt. Alternatieven die worden ontwikkeld, zijn in veel gevallen aantoonbaar beter dan het diermodel, maar ze moeten zich in een moeizaam en kostbaar acceptatieproces bewijzen ten opzichte van die zogenaamde gouden standaard. Dat is bureaucratisch, geld- en tijdverslindend en moreel gezien volstrekt ontoelaatbaar.

De minister heeft met dit dossier geen makkelijk dossier te pakken gekregen, dat geef ik meteen toe. Nederland heeft zitten slapen wat alternatief beleid betreft. Er is geen visie, geen budget, geen coördinatie, geen aanpak. Wij juichen het dus toe dat er een visie ontwikkeld wordt. Ik kijk er reikhalzend naar uit.

De minister doet nu net alsof hij wordt overvallen door de consequenties van REACH, de Europese verordening voor registratie, evaluatie en autorisatie van chemicaliën waarvoor 30.000 stoffen opnieuw moeten worden getest, maar de eerste plannen voor REACH dateren al uit de jaren negentig. Het Europees Parlement heeft twee jaar geleden al een resolutie aangenomen die stelt dat de ontwikkeling, validatie en acceptatie van alternatieven voor dierproeven meer prioriteit moet krijgen. En de wet schrijft, nogmaals, een daling van het aantal dierproeven voor. Dat zijn allemaal redenen om de handen uit de mouwen te steken en wel meteen.

Ik zei het in eerste termijn al: het belang van alternatieven valt nauwelijks te overschatten. Wie nu de koppositie verovert, heeft veel te winnen. Diervriendelijkheid gaat hand in hand met investeren in innovatie, de kenniseconomie en een verlaging van de lastendruk in het bedrijfsleven. Mooier kan het niet, zou ik denken. Daarom wil ik de minister dringend vragen om niet het hoofd te laten hangen en achter de feiten aan te lopen, maar een ambitieus beleid te presenteren. Ik dien daarover de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat uit de Wet op de dierproeven de verplichting voortvloeit om het aantal dierproeven op termijn te verminderen;

voorts constaterende dat in de VWS-begroting voor 2008 de langetermijndoelstelling voor het gebruik van het aantal proefdieren is gesteld op 600.000 dieren in 2010, wat een daling betekent van nog geen 2% ten opzichte van 2005;

verzoekt de regering, een ambitieuzer streven te formuleren ten aanzien van de daling van het aantal dierproeven en dit streefcijfer op te nemen in de kabinetsvisie alternatieven voor dierproeven,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 64 (31200-XVI).

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

De minister heeft gezegd dat hij zich door REACH overvallen voelt en dat die een opstuwende uitwerking zal hebben op het aantal dierproeven dat moet worden verricht. Dat geeft in mijn visie slechts aan dat wij nu moeten doorpakken met alternatieven. Er liggen veel innovatieve voorstellen klaar, dus ik vermoed dat het kan. Bij een ambitie behoort natuurlijk ook een passend budget. Ik dank de minister dat hij heeft gezegd dat hij die mening ook heeft. Toch wil ik de wens van de Kamer zo duidelijk mogelijk in een motie vastleggen. Vorig jaar, aan de vooravond van de verkiezingen, hebben nagenoeg alle fracties in dit huis aangegeven dat zij van mening zijn dat het budget voor alternatieven voor dierproeven drastisch moet worden verhoogd. Ik kan mij niet voorstellen dat zij hun kiezers op dat gebied teleur willen stellen. Daarom dien ik de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat investeren in de ontwikkeling, validatie en implementatie van alternatieven voor dierproeven maatschappelijk, wetenschappelijk en economisch van groot belang is;

constaterende dat een behoudende inschatting van de programmacommissie "Dierproeven begrensd" van ZonMw aangeeft dat een realistisch budget voor innovatief en effectief onderzoek op dit terrein rond 10 mln. per jaar ligt;

van mening dat een structureel en substantieel budget voor het beleid ten aanzien van alternatieven voor dierproeven om deze redenen gewenst is;

verzoekt de regering om het budget dat gepresenteerd zal worden bij de kabinetsvisie Alternatieven voor dierproeven te laten aansluiten bij de visie van de Programmacommissie van ZonMw,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 65 (31200-XVI).

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik licht het door mij ingediende amendement toe. Ik kan mij niet voorstellen dat wij pas met de begroting voor 2009 aan de slag kunnen. Wij bespreken de kabinetsvisie inzake de alternatieven voor dierproeven immers komend jaar en er zal meer duidelijkheid komen over het initiatief dat Unilever heeft geïnitieerd om alle testen voor toxicologisch onderzoek te laten vervangen door dierproefvrij onderzoek. Het amendement heeft duidelijk tot doel om in 2008, wanneer wij duidelijkheid hebben, aan de slag te gaan en niet met de duimen te draaien. Ik zou het fijn vinden als de minister zei dat hij dat amendement met open armen ontvangt.

Het moet mij van het hart dat het onverantwoord is dat de minister een afhoudende houding aanneemt als het gaat om het formuleren van een aanpak van voor de mens gevaarlijke dierziekten. Ik noem de vogelpest en MRSA. Wij zijn er onvoldoende gerust op dat een ministerie dat vooral de sectorbelangen centraal stelt, het voortouw neemt en dat de minister van VWS er achteraan loopt. Ik dien daarom de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat dierziekten en bacteriële en virale besmettingen van dieren, zoals aviaire influenza (H5N1), MRSA, Q-koorts en Stafylokokken, ook een gevaarlijke besmettingsbron voor mensen kunnen zijn;

constaterende dat voor mensen gevaarlijke virussen en bacteriën steeds vaker voorkomen op veehouderijbedrijven;

constaterende dat de huidige verantwoordelijkheid voor de preventie en de aanpak van voor de mens besmettelijke dierziekten op het beleidsterrein ligt van de minister van LNV;

constaterende dat de huidige aanpak van het dierziektenbeleid in belangrijke mate is gericht op het voorkomen van economische schade en dat daardoor de kans bestaat dat sectorbelangen prevaleren boven het algemene belang van onze volksgezondheid;

verzoekt de regering om de minister van VWS primair verantwoordelijk te maken voor de preventie en de aanpak van de dierziekten die ook een gevaarlijke besmettingsbron voor mensen kunnen zijn,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 66 (31200-XVI).

Mevrouw Ouwehand:

Tot slot sta ik stil bij de recente inzichten in de overconsumptie van vlees. De minister heeft gesproken over het aansluiten bij de richtlijnen van 2006 en gezegd dat hij niet veel voelt voor voorlichting over de negatieve effecten. Naar mijn idee is de urgentie heel groot. De minister heeft gezegd dat vlees bouwstoffen kan bevatten die kinderen nodig hebben. Daartegen maak ik bezwaar. Naar mijn idee kunnen kinderen die vegetarisch eten goed en gezond opgroeien. De minister doelt bovendien met name op ijzer als bouwstof. Die stof is jarenlang gepropageerd als heel gezond en heilzaam. Juist dat ijzer blijkt nu de oorzaak te kunnen zijn van het ontstaan van kanker.

Ik verzoek de minister om deze signalen serieus te nemen en niet te lang te wachten met nieuwe richtlijnen. Mijn laatste motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Nederlanders gemiddeld 30% te veel aan dierlijke eiwitten eten en dat dit negatieve effecten kan hebben voor de gezondheid, waaronder overgewicht;

constaterende dat wetenschappelijk onderzoek aantoont dat overmatige consumptie van rood vlees leidt tot een verhoogde kans op darmkanker;

overwegende dat in voorlichtingsprogramma's over gezonde voeding, informatie over de negatieve aspecten van het eten van vlees, een belangrijke preventieve werking kan hebben ter voorkoming van ziekten en obesitas als gevolg van het overmatig eten van vlees;

constaterende dat deze aspecten nog niet voldoende aan bod komen in de huidige voorlichtingsprogramma's van het ministerie van VWS over gezonde voeding en voedselveiligheid;

verzoekt de regering om informatie over de gezondheidsrisico's als gevolg van overmatige vleesconsumptie onderdeel uit te laten maken van het VWS voorlichtingsprogramma over gezonde voeding en voedselveiligheid,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 68 (31200-XVI).

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik heb ook een amendement ingediend om dit veilig te stellen. Ik heb het gevoel dat de budgetten van het Voedingscentrum te weinig ruimte bieden om de nieuwe inzichten in te passen. Ik heb er daarom geld voor vrijgemaakt. Voorts is er de motie, om het Voedingscentrum zijn campagne te laten aanpassen. Wij kunnen beide kanten op.