Bijdrage Partij voor de Dieren aan debat over de wijziging van de Natuur­be­scher­mingswet


11 juni 2008

Voorzitter,

Ik wil de Kamer meenemen langs de scherven die langs de lijnen van het natuurbeleid onder minister Verburg zijn ontstaan. Ik begin met het interim-toetsingskader Ammoniak dat de activiteiten van de veehouderij zou moeten reguleren in relatie tot de vervuiling die deze activiteiten veroorzaken en de druk die deze leggen op de omliggende natuurgebieden. De natuurbeschermingsorganisaties zijn uit het overleg gestapt en de Raad van State heeft inmiddels de eerste vergunning al vernietigd. De Partij voor de Dieren heeft van tevoren gewaarschuwd dat dit zou gebeuren.

Dan is er het falende beleid ten aanzien van de mosselvisserij. Weer moest de Raad van State de minister terugfluiten, nu omdat zij onvoldoende zekerheid kan geven over de bescherming van het unieke Waddengebied, een cruciale schakel in een wereldwijd ecosysteem.

Vervolgens noem ik de inzet van Nederland om het verlies aan biodiversiteit tot stilstand te brengen. Vorige week behandelden wij het beleidsprogramma dat de minister daarvoor heeft opgesteld. In de nota naar aanleiding van het verslag op het wetsvoorstel dat wij vandaag behandelen, wees zij daar nog enthousiast en nadrukkelijk op: ik kom met een programma, let op, ik kom met doelstellingen. De IUCN zegt daarover intussen dat ook als het gaat om het Beleidsprogramma Biodiversiteit er in het geheel geen sprake is van een krachtig en coherent programma met een duidelijke aansturing en voldoende financiële middelen. Het is een tandeloze tijger. Dat schiet goed op.

De Algemene Rekenkamer bracht vanmorgen een rapport uit over het kabinetsbeleid voor duurzame intensieve veehouderij. Daar komt niks van terecht: geen evaluaties en geen eerbiediging van zeer basale beginselen van beleid, duidelijk toetsbaar en afrekenbaar. SMART noemen wij dat. Dat gaat niet alleen maar over dierenwelzijn, mevrouw Snijder. Het gaat ook over ammoniak. Daar spreken wij vandaag ook over, want dat is één van de grootste bedreigingen van onze natuur.

Bij het voorstel dat vandaag voorligt om de Natuurbeschermingswet te wijzigen, gaat de minister weer in tegen de Raad van State. De vraag is natuurlijk wie deze minister nog die heel belangrijke portefeuille natuur toevertrouwt. Natuur is het kostbaarste dat wij hebben en dat wij met ons allen zouden moeten beschermen. Ik zou u allen kunnen vragen om uw handjes in de lucht te steken, maar dat doen wij volgende week wel bij de stemmingen.

Wel wil ik een klemmend beroep doen op regeringspartij de ChristenUnie. Ik heb de bijdrage van de fractie van de Partij van de Arbeid in eerste termijn gehoord. Ik heb er vertrouwen in dat die partij de natuurbescherming serieus neemt. De vraag is of de ChristenUnie bereid is om het verschil te maken in dit kabinet-Balkenende ten opzichte van de voorgaande kabinetten-Balkenende. Wordt duidelijk dat er echt voor groen wordt gekozen?

De heer Jager (CDA):

Wij hebben het nu niet over de intensieve veehouderij. Mevrouw Ouwehand geeft haar mening weer. Dat is haar goed recht. De CDA-fractie heeft op het rapport over de duurzaamheid van de intensieve veehouderij gereageerd met de opmerking dat de minister op de goede weg is met de invulling en deze duurzaamheid. Het is wel een weg die je moet gaan. Dat betekent dat er twee verschillende meningen zijn, in ieder geval van mevrouw Ouwehand en mij. Dat mag ook geconstateerd worden.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Die constatering verbaast mij niet. De vraag is wel waar de waarheid ligt. Als de rapporten van de Rekenkamer objectief worden beoordeeld -- en wie weet gaat dat de komende weken nog gebeuren in de pers -- dan zullen wij wel zien wie het gelijk aan zijn kant heeft. In elk geval is het rapport van de Algemene Rekenkamer zeer relevant voor het debat van vandaag, want de Rekenkamer schrijft dat de kwetsbare natuur nog onvoldoende is beschermd in relatie tot de uitstoot van ammoniak. De Nederlandse natuur verdient dus meer bescherming en niet minder. Toch gaat de minister voor een versoepeling. Dat is raar, omdat de beschermingsregimes voor natuurgebieden en soorten zijn gestoeld op het voorzorgsbeginsel, zoals zij zelf schrijft in haar nota naar aanleiding van het verslag. Dat voorzorgsbeginsel luidt: nee, tenzij. De vraag is dan: tenzij wat? Tenzij de natuur kapot gaat? Of tenzij wij het eigenlijk een beetje lastig vinden dat wij de natuur zouden moeten beschermen?

Ook de Raad van State stelt terecht dat in Nederland het voorzorgsbeginsel geldt bij de uitwerking van een beschermingsverplichting. Toetsing vooraf door een bestuursorgaan is noodzakelijk. Voor dat "tenzij" dat zo nadrukkelijk onderdeel uitmaakt van het voorzorgsbeginsel worden geen garanties gegeven. De minister draait de bewijslast om en ondermijnt eigenlijk haar eigen bevoegdheden, terwijl wij als samenleving haar hebben toevertrouwd kwetsbare natuur en collectieve waarden te beschermen.

De vraag is hoe de minister dat kan verantwoorden. De vraag is ook welke garanties zij kan geven dat de natuur daadwerkelijk beschermd zal blijven als initiatiefnemers zelf mogen beoordelen wat de effecten van hun geplande project zullen zijn. Zijn zij voldoende deskundig? Zijn zij als belanghebbende onafhankelijk genoeg? Hoe komt een dergelijke beoordeling tot stand? Hoe zit het met de cumulatieve effecten? Kunnen zij daarover oordelen?

Hoe zit het met de rechtsonzekerheid voor de initiatiefnemers? Dit is een belangrijk punt, waar wij ook al op hebben gewezen bij de discussie over het toetsingskader ammoniak en bij de kwestie rond de mosselvisserij. Dit punt is ook hier aan de orde.

Creëer je een schijnzekerheid door allerlei zaken toe te staan waar je vervolgens repressief toezicht op moet houden, of die vervolgens, als er uiteindelijk beheerplannen worden vastgesteld, toch weer moeten worden teruggedraaid? Hoe ziet de minister het ongenoegen -- om maar even in de terminologie van de CDA-fractie te blijven -- met de voorstellen die zij nu wil laten goedkeuren door de Kamer?

Ik sluit mij aan bij de door de PvdA-fractie gemaakte opmerking dat dit niet het moment is om de Natuurbeschermingswet te wijzigen. Als wij dit al doen, dan zouden wij alleen de in verband met de Europese richtlijn noodzakelijke wijzigingen moeten doorvoeren en de rest van de besluitvorming over de Natuurbeschermingswet moeten aanhouden tot na de evaluatie.