Bijdrage Ouwehand Wetge­vings­overleg Ramingen voor 2014


24 juni 2013

Eerste termijn

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Ik wil stilstaan bij twee punten. Dat betreft allereerst het feit dat wij hier lid zijn van het hoogste orgaan van onze parlementaire democratie. Wat is daarvoor nodig en welk goed voorbeeld zou de Tweede Kamer moeten geven?

Wij zijn dus het hoogste orgaan binnen onze parlementaire democratie. Wij vertegenwoordigen de burger.

Ik vind dat de burger daar wel een paar eisen aan mag stellen. Ik vind dat de geïnteresseerde burger goed moet kunnen volgen wat we hier doen, hoe we debatten organiseren, welke vragen we stellen en hoe we reageren op plannen van het kabinet. Ik vind dat de digitale infrastructuur daarvoor onder de maat is. Ik krijg zo vaak de opmerking -- andere collega's zullen dat vast herkennen -- dat mensen iets lezen in de krant over kabinetsplannen en dan willen weten wat wij gaan doen. Wanneer kunnen Kamerleden vragen stellen? Hoe werkt dat? Mensen willen, kort gezegd, het debat volgen over een onderwerp dat hen aangaat. Maar hoe kom je daar achter als je naar tweedekamer.nl gaat? Ik vind dat er prioriteit moet worden gegeven aan het kijken met de ogen van mensen die belangrijke ontwikkelingen willen volgen, maar niet precies weten hoe we dat hier intern hebben georganiseerd met commissies, Parlis en stukken. Zij weten niet wat er wanneer en hoe behandeld wordt. Er moet gekeken worden naar de toegankelijkheid van het Kamerwerk met de ogen van mensen die gewoon willen weten wanneer er over een plan wordt gesproken en wat hun partij gaat zeggen, mensen die willen meekijken naar wat hun volksvertegenwoordiger doet om te beoordelen of ze daar tevreden over zijn. De burger heeft daar recht op. Hij heeft zijn stem gegeven aan een van de Kamerleden hier. De burger moet kunnen bekijken of hij tevreden is met de manier waarop een Kamerlid met zijn stem omgaat.

Daar hoort ook bij dat je niet tegen burgers moet willen zeggen: beste mijnheer of mevrouw, ik hoor dat u zorgen hebt over de uitvoering van een bepaalde regeling en dat er geldt wordt uitgegeven aan iets wat u onzinnig vindt, maar ik kom er echt niet aan toe om het uit zoeken. Als hoogste orgaan in de parlementaire democratie hebben wij namelijk per Kamerlid minder ondersteuning dan een supermarktmedewerker. De kern van ons werk is het controleren van de regering. Daar is geld voor nodig. We zitten hier met z'n allen op een budget van nog geen 24 miljoen voor de ondersteuning van onze fracties een begroting te controleren die 260 miljard bedraagt. We weten allemaal, en dat blijkt ook uit onderzoek waarin Kamerleden dat anoniem hebben mogen zeggen, dat we te weinig ondersteuning hebben en dat we te weinig toekomen aan het uitzoeken en stellen van fundamentele vragen waarmee we bijvoorbeeld domme ICT-projecten of domme tunnels kunnen tegenhouden. Een mooi voorbeeld waaruit blijkt dat we soms wel succes hebben, is dat we niet de Olympische Spelen in 2028 gaan organiseren. Laten we dankbaar zijn dat die enorme kostenpost ons bespaard is gebleven. Dat is echter te danken geweest aan de vasthoudendheid van het parlement en de inzet van medewerkers. Dat kunnen we op andere projecten ook doen en daar kunnen we mogelijk behoorlijk wat kosten mee besparen die nu gemaakt dreigen te worden of die in regelingen zitten waarover burgers zeggen dat het niet goed gaat. Wij moeten hen echter antwoorden dat wij te weinig tijd hebben om het uit te zoeken en te weinig tijd hebben om daar kritische vragen over te stellen. En dat is zonde.

Mijn pleidooi, en dat schijnt een beetje taboe te zijn, is om als Kamer te gaan staan voor een goede ondersteuning van onze fracties. Ik zou heel graag zien dat onze Voorzitter daar een uitgesproken opvatting over heeft. Die vraag leg ik bij deze dan ook neer bij het Presidium. In vergelijking met andere landen wordt het Nederlandse parlement slecht ondersteund. Dat heeft gevolgen voor de kwaliteit van het werk dat we kunnen leveren namens de burgers die ons gekozen hebben. Ik haalde zojuist al even onderzoek aan waarin 70% van de Kamerleden anoniem heeft gezegd het daarmee eens te zijn en dat het budget omhoog moet. Maar als je het Kamerleden in de openbaarheid vraagt, zeggen zij dingen als "ik vind dat er meer geld voor ondersteuning moet worden uitgetrokken, maar laat mij erbuiten" of "ik ga er niet voor pleiten, want dan gaat mijn kop eraf". Daar zijn we bij de Partij voor de Dieren niet zo bang voor. Ik vind het jammer dat de heer Elias van de VVD er vandaag niet is. Hij heeft namelijk het lef gehad om in de publiciteit te zeggen dat de manier waarop de Kamer wordt ondersteund concreet betekent dat hij met anderhalve man en een paardenkop het volledige ministerie van OCW moet controleren. Ik geloof dat hij is teruggefloten door de VVD-fractie. Ik zou graag zien dat meer Kamerleden zich vrij voelen om gewoon toe te geven dat we wel erg slecht ondersteund worden voor het werk dat we namens het volk moeten doen.

(...)

Mevrouw Neppérus (VVD): Als VVD-woordvoerder wil ik toch even reageren. Iedereen moet de tering naar de nering zetten en voor de VVD is het helder dat de Kamer dat dan ook doet en dat we ons aan afspraken houden. Het kan echt best wat efficiënter af en toe, ook bij fracties. Laten we dat eerlijk toegeven. Je kunt prioriteiten stellen voor de onderwerpen die je wilt aansnijden. Is mevrouw Ouwehand ook van zins zelf prioriteiten te stellen in haar werk?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik doe niet anders. Als de VVD wil vasthouden aan de bezuinigingen, wat ik hier een beetje proef, kan ik nog opmerken dat uit onderzoek blijkt dat oppositiefracties hun controlerende taak beter uitvoeren. Zij doen beter hun best en werken beter om de regering te controleren. Het interessante is dat de hoogleraar empirische politicologie aan de Universiteit Leiden, Rudy Andeweg, zelfs heeft gesteld dat je dan de discussie zou kunnen voeren over het enigszins beter ondersteunen van oppositiefracties. Als de VVD graag budgetneutraal wil werken en toch de kwaliteit van het parlement wil handhaven, zou de VVD kunnen zeggen dat er wat meer geld moet worden geschoven naar de ondersteuning van de oppositiefracties, want die fracties blijken dat werk nog beter te doen ook!

Mevrouw Neppérus (VVD): De VVD heeft ook weleens in de oppositie gezeten. Kennelijk deed de VVD het toen beter. Er zijn heel goede hoogleraren in Leiden; zeker toen ik er nog studeerde waren die er. Kennelijk zijn er ook hoogleraren die de oppositie steunen. Ik neem daar kennis van. Ik wil van mevrouw Ouwehand eens weten of zij zelf genegen is om te bekijken of het af en toe wat efficiënter kan, ook binnen de eigen fractie, in plaats van alleen maar te vragen om meer, meer, meer. Dat wil namelijk elke burger in Nederland ook. Is mevrouw Ouwehand bereid om na te denken over het stellen van prioriteiten? Ik heb nog geen antwoord gehad op die vraag.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Dat antwoord heb ik wel gegeven. Ik heb tegen mevrouw Neppérus gezegd: "Ik doe niet anders." Als zij wil weten hoe dat in de praktijk gaat, mag ze best een dagje meelopen bij de Partij voor de Dieren, of een week of een maand. Misschien hebben wij nog wel wat klusjes uit te besteden. Laat ik het zo zeggen: als mevrouw Neppérus het niet gelooft, kan zij komen kijken. Wij zijn voortdurend bezig met het stellen van prioriteiten. Dat is helaas zo, denk ik. Wij moeten meer schrappen in de zaken die wij kunnen doen, waar wij kritische vragen over willen stellen, dan wij toekomen aan het daadwerkelijk beantwoorden van zorgvragen die burgers bij ons neerleggen. Dat is het punt dat ik wil maken. Ik wil dat met alle liefde aan mevrouw Neppérus laten zien, zeker als zij denkt dat zij het misschien anders zou doen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik vervolg mijn betoog. Laten wij onszelf serieus nemen. Wij zitten hier niet voor onze eigen eer en glorie, maar voor het volk dat ons gekozen heeft. Het is van groot belang om onze ondersteuning goed op peil te hebben.

Ik kom nu op onze voorbeeldrol. Het zal niemand verbazen dat de Partij van de Dieren in dat verband nadrukkelijk vraagt om duurzaamheid en maatschappelijk verantwoord gedrag, zoals dat zo mooi heet. Het is fijn dat de ChristenUnie ook al aandacht heeft gevraagd voor de FairPhone als een van de dingen die het parlement zou kunnen doen. Meer concreet: ik ben benieuwd of het Presidium een soort coherentie duurzaamheidsnota of een nota voor maatschappelijk verantwoord gedrag voor de Tweede Kamer wil maken. Ik heb er de afgelopen dagen namelijk een beetje naar gezocht en het staat her en der. Er zijn losse flarden. Het is volgens mij goed als wij eenduidig opschrijven en uiteen kunnen zetten wat wij hier doen om ons duurzaam te gedragen en rekening te houden met mensenrechten wereldwijd.

De Partij voor de Dieren heeft daar wel een aantal ideetjes voor. Wij zouden daar dus aan kunnen meewerken. De FairPhone is zojuist al genoemd. Bij voedsel zit een enorme duurzaamheidscomponent. Kunnen wij bijvoorbeeld met elkaar afspreken dat wij een groei laten zien in het aandeel biologisch? Consumenten in de supermarkten doen dit allang. Kunnen wij ons daarbij aansluiten? Verder moeten wij kijken naar de manier waarop wij ons verplaatsen. Een aantal Kamerleden heeft het al gehad over buitenlandse reizen. Ik ben dit jaar voor het eerst naar de Internationale Grüne Woche in Berlijn gegaan. Wat ik daarvan vind, zal ik verder achterwege laten. Ik wilde erg graag met de trein reizen. Ik vind het heel erg logisch om op zijn minst naar je buurlanden gewoon met de trein te gaan. Ik was heel verbaasd dat de afspraak is dat wij alleen met de trein reizen als de bestemming niet verder dan 500 kilometer is. Collega's gingen dus met het vliegtuig. Ik vind het onzin om met het vliegtuig naar Berlijn te gaan, dus ik ging met de trein. De grote grap was dat het vliegtuig niet wilde starten en dat ik er nog eerder was. Ik vraag het Presidium om de cirkel van 500 kilometer wat te vergroten. Het kan toch niet zo zijn dat je naar je buurlanden het vliegtuig pakt? Laten wij van die 500 kilometer 700 kilometer maken, zodat in elk geval Berlijn er ook in valt. Ik vind dat wij ook gewoon met de trein naar Londen moeten gaan. Ik weet niet of dat altijd gebeurt of dat men daarvoor ook af en toe het vliegtuig pakt. Wij kunnen op dit punt toch een beetje laten zien dat wij ons best doen om de milieubelasting zo klein mogelijk te houden?

Nogmaals, wij hebben daarover allerlei voorstellen, dus als er een coherente duurzaamheidsnotitie komt, willen wij daar graag aan meeschrijven.

Mijn laatste vraag betreft een kleinigheid. Ik merk dat ik er grote moeite mee heb dat wij als Kamerleden ongevraagd zo ongelofelijk veel spullen krijgen toegestuurd, vooral notities en boeken. Dat is allemaal goedbedoeld, maar het gaat huppakee de papierbak in. Als individueel Kamerlid kun je onmogelijk tegen iedereen zeggen: wil je mij iets sturen, doe het niet, want je weet niet wie van plan is om je iets te sturen. Kan het Presidium op internet communiceren dat iemand die Kamerleden iets wil sturen, dat digitaal kan doen, en waar zij te vinden zijn? Als Kamerleden alsnog de papieren versie willen hebben, vragen zij daar vanzelf wel om. Zou daar iets voor te regelen zijn? Ik vind het zo vreselijk zonde van al het werk, de moeite en de grondstoffen die zijn gebruikt, dat al die spullen maar blijven komen en dat het meeste ongelezen de papierbak ingaat.

Interrupties bij andere partijen

De heer Heijnen (PvdA): (...) Als bijdrage daaraan kom ik nu met een beschouwing over de dertigledendebatten. De lijst groeit geweldig. Ik meen dat het nu drie à vier maanden duurt voordat je aan de beurt bent als je vandaag een dertigledendebat aanvraagt. Dat moeten wij niet willen, daar moeten wij iets aan doen. Zou het een idee zijn om net zoals bij aangehouden moties een verzoek om een dertigledendebat na enige tijd te schrappen, tenzij de initiatiefnemer opnieuw aangeeft daaraan te hechten? Leidt dat niet tot een beperking van die lijst waardoor dertigledendebatten die immers met spoed worden aangevraagd, dan ook binnen een of twee maanden daadwerkelijk aan de orde kunnen komen? Nu besteden wij heel veel tijd om na te gaan of die verzoeken nog actueel zijn. Laat ons gewoon het regime van aangehouden moties volgen. Ik meen dat die na drie maanden vervallen. Bij de dertigledendebatten mag dat voor mij nog wat sneller, tenzij de initiatiefnemer zegt het nog steeds opportuun te vinden en het verzoek handhaaft. Het is een poging. Het Presidium kan de vraag afzonderlijk beantwoorden, of onderbrengen in de evaluatie van de parlementaire zelfreflectie.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik begrijp de frustratie over de lange lijst dertigledendebatten wel. Als de heer Heijnen dat punt aansnijdt, verwacht ik ook dat er gekeken wordt waar het misgaat in de commissies. Het is vaak een noodzaak voor partijen die wel iets willen agenderen maar in de commissie geen meerderheid daarvoor krijgen. Voelt de fractie van de PvdA er niet voor om het probleem via die route aan te pakken en ervoor te zorgen dat een minderheid debatten kan agenderen die niet voortdurend door de regeringspartijen geblokkeerd worden? Zou dat niet een veel heilzamer weg zijn?

De heer Heijnen (PvdA): Wij zitten daar principieel in als het gaat om rechten van minderheden. De ene dag kan immers heel anders zijn dan de andere en dat geldt voor alle partijen. Het is ook principieel voor de rol van het parlement als controleur van de regering. Het vergt de inzet van alle kanten om daarmee op een verstandige manier om te gaan. Als een minderheid voortdurend vraagt om over onderwerpen die al geagendeerd zijn tussentijds te debatteren, kan van een coalitiepartij niet de coulance gevraagd worden waarop mevrouw Ouwehand nu doelt.

Andersom, als het een zaak is waaraan een minderheid heel sterk hecht en die niet spoort met wetgeving die onderweg is of met grote beleidsdebatten die al aangekondigd zijn, heeft de minderheid recht op de coulance van de meerderheid om daarin te voorzien. Daartoe strekt mijn voorstel.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik begrijp dat allemaal wel, maar ik hoor nog steeds geen antwoord van de PvdA op het dilemma dat zich vaak afspeelt in commissies. De heer Heijnen is niet altijd bij de commissie EZ of bij de commissie Landbouw. Dat maakt trouwens niet uit, want het speelt in andere commissies ook. Een van de regeringspartijen is continu op volle sterkte aanwezig om de commissieagenda te bepalen. De partij van de heer Heijnen zou daar iets tegenover kunnen stellen door ook voortdurend op volle sterkte aanwezig te zijn om haar principiële keuze voor de rechten van minderheden in te brengen, maar dat doet de Partij van de Arbeid niet. Het gevolg is dat voortdurend voorstellen voor gewone commissiedebatten, die de plenaire agenda dus niet belasten, worden weggeveegd. Daardoor ziet de oppositie zich steeds vaker genoodzaakt om een onderwerp via een dertigledendebat toch te agenderen. Ik vind dat heel vervelend. Wat is het antwoord van de Partij van de Arbeid op die dynamiek?

De heer Heijnen (PvdA): Ik zal me daarin verdiepen. Als waar is wat mevrouw Ouwehand zegt, namelijk dat er door coalitiepartijen in de commissie systematisch debatten die over dieren gaan worden weggedrukt, dan zal ik me daarover met mijn collega's verstaan. Mevrouw Ouwehand weet dat er wat mij betreft niet vaak genoeg over dieren gesproken kan worden. Iemand die mij persoonlijk een beetje kent, weet dat ik dat het allerleukste vind van het Kamerwerk. Nee, dat is een grapje.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik doel niet alleen op de commissievergaderingen van Landbouw.

Beantwoording door het Presidium

Mevrouw Van Miltenburg: (...) Ik maak nog een opmerking over de fractiekostenregeling. Een aantal Kamerleden heeft daarover al iets gezegd. De huidige regeling is toe aan een update. Daar wordt op dit moment hard aan gewerkt en over onderhandeld door de fractiesecretarissen en ook door de ambtelijk secretarissen. De berekening van de hoogte van de bijdrage is complex want het aantal regels en toepassingsnormen is groot. Het eigentijds maken van de regeling, zoals die eerder was voorzien, is vertraagd door de verkiezingen, maar is nu weer ter hand genomen. Ik begrijp dat wij daarmee inmiddels in een vergevorderd stadium zijn, al is het nog niet afgerond. Het past mij nu niet, zoals een aantal Kamerleden heeft gevraagd, om daarin stelling te nemen. Het is in handen van de fracties. Zij zullen daarover binnenkort tot besluitvorming moeten komen. Wat ik interessant vind -- dat geef ik aan de hele Kamer mee ter overweging in deze onderhandelingen -- is dat er fracties, kleine fracties, zijn die zeggen dat zij niet toekomen aan hun controlerende taak omdat zij daar niet voldoende budget voor hebben, terwijl een grote fractie, toevallig de grootste fractie in huis, zegt dat zij al twee jaar in een rij geld heeft kunnen terugstorten. Misschien is dat ook een aardige bouwsteen voor de onderhandelingen die gaande zijn tussen de fracties. Nogmaals: de onderhandelingen vinden dus niet plaats vanuit het Presidium met de fracties, maar tussen de fracties onderling.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): De voorzitter van het Presidium, de Voorzitter van de Kamer, zegt aan de ene kant dat zij nog geen stelling neemt betreffende de fractiekosten omdat de Kamer daar zelf nog over spreekt. Aan de andere kant proef ik bij haar dat zij wel voelt voor de, neem mij niet kwalijk, redelijk simplistische redenering "er wordt bezuinigd, dus moeten wij dat ook doen". Ik zou graag een Voorzitter zien met een zelfstandige kijk op de waarde van het controlerende werk van het parlement en met een eigen oordeel over hoever je daarin kunt snijden, juist in tijden dat er heel grote veranderingen op stapel staan, gezien de bezuinigingen die er vanuit het kabinet komen. Er is alles voor te zeggen om je parlement niet te verzwakken, maar juist te verstevigen om goed en kritisch mee te kunnen kijken. Is de Voorzitter bereid om die rol op zich te nemen en om voor het parlement en haar werk te gaan staan?

Mevrouw Van Miltenburg: Natuurlijk sta ik voor het parlement en voor het werk en de kwaliteit van het werk dat het parlement verricht. De minister van Binnenlandse Zaken heeft het Presidium laten weten dat er voor de gehele rijksoverheid een bezuinigingstaakstelling geldt en dat er dus ook een bezuinigingsopdracht komt te liggen bij de Tweede Kamer. We hebben daarover in het Presidium gesproken. Het Presidium heeft vervolgens gezegd: het zal moeilijk zijn, maar wij vinden het wel belangrijk dat we met het oog op datgene wat de Kamer van de samenleving vraagt, ook kritisch naar onszelf kijken om te bezien of er nog dingen zijn waarbij wij ook met minder toekunnen. Ik spreek hier namens het gehele Presidium. Zo doen we dat namelijk in het Presidium. Ik zie het als een opdracht, als een inspanningsverplichting, dat wij meedoen met wat wij ook van anderen vragen. Zo heeft het Presidium dat ook in totaliteit verwoord.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik weet dat dat de uitkomst van het overleg in het Presidium is geweest. De Partij voor de Dieren is niet permanent vertegenwoordigd in het Presidium. Ik houd hier een pleidooi om gewoon op basis van de ervaring en de cijfers te zeggen dat het onverstandig is om te bezuinigen op de ondersteuning van de fracties in het parlement. Het zou kunnen dat het ons wordt opgelegd, maar we vinden het niet verstandig.

Mevrouw Van Miltenburg: Ik heb daar vanuit de Kamer vandaag geen eenduidige opmerkingen over gehoord. Ik heb u horen zeggen -- ik zeg dat via de voorzitter, ik merk nu hoe moeilijk dat is! -- dat dat moeizaam is, maar ik heb de woordvoerder van een andere fractie ook horen zeggen dat zijn fractie elk jaar geld terugstort. Vandaar mijn suggestie aan de ambtelijk secretarissen en de secretarissen van de fracties, die daar nu over onderhandelen, of daar misschien ook naar gekeken kan worden. Soms gaat het niet alleen over de vraag of iedereen meer geld zou moeten krijgen, soms gaat het ook over de vraag of een andere verdeling van de middelen mogelijk is. Ik heb in zijn algemeenheid bij de aanbiedingsbrief van de Staat van de Kamer en de Raming aangegeven dat het goed is dat wij het komend jaar met elkaar gaan praten over de taken die we doen in het parlement. Doen we dingen waarvan we met z'n allen vinden dat we ze moeten doen? Doen we ze goed genoeg? Zijn er misschien dingen die we nu doen, maar die we niet langer meer zouden willen doen? Een dergelijke takendiscussie lijkt mij op haar plaats. Het is niet aan de voorzitter, als één van de 150 leden van deze Kamer, om daar in haar uppie een standpunt over in te nemen. Het is aan de voorzitter om ervoor te zorgen dat we met elkaar tot een gedragen standpunt komen.

(...)

Mevrouw Van Miltenburg: (...) En het past heel erg bij het verhaal dat ik ook heb gehouden: als je ervoor zorgt dat mensen hier kunnen kijken, moet je er ook voor zorgen dat ze begrijpen wat hier speelt en dat ze weten wanneer er iets speelt.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Het is goed om te horen dat de voorzitter dit ontzettend belangrijk vindt. Dat wist ik eigenlijk ook wel. Ik ben erg voor open data. Dat is dus ook het probleem niet. Volgens mij moeten wij het ook breed bekijken. Ik merk dat mensen denken: een algemeen overleg, wat is dat? Mensen denken dat de Tweede Kamer debatteert. Misschien moeten we ook ons eigen jargon aanpassen en zeggen dat het commissiedebatten zijn en dat als daar moties bij worden ingediend, die in de plenaire zaal worden ingediend. Mensen snappen ook vaak niet waar de moties ineens vandaan komen die ze op Politiek 24 zien. Wordt er ook breed gekeken naar de vraag wat een burger verwacht van de Tweede Kamer en hoe die burger de informatie daarover kan vinden? Dat staat even los van de datasystemen waar inderdaad al voldoende moeite mee is.

Mevrouw Van Miltenburg: Daar wordt breed naar gekeken. Een van mijn medewerkers is een keer met een iPad op de publieke tribune gaan zitten. Hij werd meteen gespot als iemand die blijkbaar hoorde bij de Kamer, omdat hij wel een iPad mocht meenemen. Er ging een mevrouw naast hem zitten.

Zij wees naar de paal waar de datum op hangt. Die wordt weergegeven met een cijfer. Zij vroeg: moet je hier nummertjes trekken of zo? Wij weten wel dat dit de datum is, maar er staat geen maand of jaartal onder. Die mevrouw had geen idee wat dat nummertje was en vroeg zich af of je hier nummertjes moest trekken. Naar dat niveau moet je terug. Er zijn veel dingen die wij op een heel gemakkelijke manier veel begrijpelijker kunnen maken. Daarover denken we heel actief na.

(...)

De voorzitter: Ik herinner u nog even aan de vraag van mevrouw Ouwehand over de hoeveelheden papier die hier binnenkomen.

Mevrouw Van Miltenburg: Ja, mevrouw Ouwehand had een vraag over het papier, de dingen en de spullen die aan de Kamerleden worden toegestuurd. Ik vind het een charmante suggestie om bij de adreslijst op de website een soort disclaimer te plaatsen met "liever geen ongevraagde dingen toesturen". Ik zal kijken of we dat kunnen uitvoeren. Ik ben er niet verantwoordelijk voor dat organisaties daar ook gehoor aan geven. Het lijkt me echter een goede suggestie om daar als Kamer de aandacht op te vestigen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Dank. Het gaat echter ook om rapporten van de planbureaus en dergelijke. Daar zijn we op zich wel in geïnteresseerd en het is dus fijn om te weten dat die rapporten er zijn. Ik zou graag zien dat de Voorzitter in die melding verwijst naar de behoefte aan digitale informatie: stuur een mailtje ter kennisgeving, maar niet het rapport. Dan kunnen wij altijd nog op zo'n mail reageren en alsnog om het fysieke rapport vragen. De mogelijkheid dat mensen en organisaties dingen opsturen, moet wel blijven bestaan natuurlijk, maar liever geen ongevraagde grote hoeveelheden papier.

Mevrouw Van Miltenburg: Ik meende dat ik precies dit net aan u heb toegezegd. Ik herhaal dat nu. Ik zal zorgen dat die disclaimer ergens op de website komt te staan. Of mensen er ook gehoor aan geven, is niet in mijn hand.

Tweede termijn

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Ik wil graag drie moties indienen. De eerste motie is bedoeld om ervoor te zorgen dat wij als hoogste orgaan in de democratie het werk kunnen doen dat de bevolking terecht van ons verwacht.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik heb ook het punt geadresseerd dat de Kamer het beleid heeft dat mensen niet met het vliegtuig gaan als het een reis betreft binnen een straal van 500 kilometer van Den Haag. Dan zou je dus naar onze oosterburen al met het vliegtuig kunnen. Onder het motto "naar Berlijn ga je met de trein" dien ik de volgende motie in.

De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door de leden Ouwehand, Segers, Van Raak, Schouw en Heijnen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik ben toe aan mijn laatste motie. De Kamer heeft een voorbeeldfunctie als het gaat om duurzaamheid. Ik weet dat we ook zonnepanelen op het dak hebben. Dat is hartstikke mooi. We kunnen nog veel meer doen voor het klimaat. Als we met z'n allen een dag in de week geen vlees eten, zou dat een zelfde CO2-besparing opleveren als 4.000 m2 zonnepanelen. Er zijn nog meer mooie dingen over te zeggen. Ik doe het voorstel dus maar gewoon, want het Presidium heeft zoiets volgens mij nog niet eerder gehoord.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik merk nog op dat recepten verkrijgbaar zijn bij de Partij voor de Dieren.

De heer Heijnen (PvdA) De vrijdag?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): In de motie staat "vergaderdag". Dat is een dinsdag, woensdag of donderdag. Men mag kiezen!

Beantwoording door het Presidium

Mevrouw Van Miltenburg: (...) In de motie-Ouwehand op stuk nr. 15 wordt het Presidium verzocht, geen verdere bezuinigingen door te voeren op de ondersteuning van de Kamerfracties. Ik snap waar het verzoek vandaan komt. Ik laat het oordeel over deze motie over aan de Kamer zelf.

In de motie op stuk nr. 16 verzoekt mevrouw Ouwehand het Presidium, te bewerkstelligen dat de Kamer voor internationale werkbezoeken tot 750 kilometer in principe met de (snelle) trein reist. Er is eerder een vergelijkbare motie aangenomen met een cirkel van 500 kilometer. Als de Kamer dat zou willen, kunnen we die cirkel uitbreiden. Ik maak er wel twee opmerkingen bij, opmerkingen die de fracties mee kunnen nemen bij de beoordeling van de motie. De eerste opmerking is dat het niet alleen gaat om duurzaamheid, maar ook om de kosten. Het is namelijk niet zo dat het vliegtuig in alle gevallen duurder is dan de trein. In een substantieel aantal gevallen is de trein zelfs veel duurder dan het vliegtuig en dat kan de Kamer meenemen in haar oordeel.

Mijn tweede opmerking betreft het reizen naar Luxemburg. Omdat veel Europese instituties in Luxemburg zetelen, gaan er nog wel eens Kamerleden naar Luxemburg. Dit land is moeilijk bereikbaar per trein, als ik het zo mag uitdrukken. De indiener van de vorige motie heeft daarom aangegeven dat Luxemburg, net 490 kilometer bij ons vandaan, buiten die cirkel kon blijven. Dat was volgens de indiener een implicatie van de woorden "in principe" in de motie. Deze woorden staan ook in deze motie. Ik wijs daarop, want een dag reizen is vaak niet erg efficiënt voor een Kamerlid. Het oordeel over de motie laat ik verder aan de Kamer.

In de laatste motie, de motie op stuk nr. 17, verzoekt mevrouw Ouwehand om een vleesvrije vergaderdag in de Kamerrestaurants. Het oordeel over deze motie laat ik eveneens aan het oordeel van de individuele Kamerleden.