Bijdrage Ouwehand Wetge­vings­overleg jaar­verslag LNV 2010


16 juni 2011

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Ik begin met het Faunafonds. De Partij voor de Dieren gelooft niet in het faunabeleid dat door dit kabinet wordt gevoerd. Wij zien dat er structureel dieren worden afgeschoten, maar dat is natuurlijk geen structurele oplossing. Het kost ook veel geld; dit jaar bijna 2 mln. meer dan vorig jaar. Het ganzenbeleid kost ook steeds meer geld. Blijkbaar nemen de aanvragen nog steeds toe, dus effectief is het ook niet te noemen. Dat het dierenwelzijn hierbij in het gedrag komt, hoef ik hopelijk niet uit te leggen. Ik maak mij echter zorgen over de geruchten die ik hoor dat ganzen straks weer vergast mogen worden; een dodingsmethode waarbij dieren aantoonbaar onnodig lijden. Ik krijg graag de toezegging van de staatssecretaris dat vergassing nu niet en nooit niet wordt toegepast als dodingsmethode.

De heer Koopmans (CDA): Ik probeer het even te begrijpen. Wij geven meer geld uit aan ganzenbeleid. Vindt de Partij voor de Dieren dat nu een goed idee of een slecht idee? Wij doen het namelijk omdat er meer ganzen zijn. Ik geloof dat mevrouw Ouwehand dat eigenlijk een goed idee vindt.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Wij vinden het vooral geen goed idee om van Nederland een soort ganzenluilekkerland te maken met vetgemeste weilanden. Ganzen komen daarop af, omdat het hier nu eenmaal goed toeven is. Vervolgens staan wij daar met het jachtgeweer omdat wij er toch wel een beetje last van hebben. Dat vinden wij geen goed idee. Wij vinden het ook geen goed idee om zo'n beleid te voeren en er bakken geld tegenaan te gooien als schadecompensatie terwijl er geen goed natuurbeleid wordt gevoerd dat zou resulteren in een wat natuurlijker populatiedynamiek.
Zowel het jachtgeweer als het geld ertegenaan smijten terwijl je geen goed onderliggend bronbeleid hebt, vinden wij niet verstandig.

De heer Koopmans (CDA): Moeten wij dan een soort bordjes maken waarop staat dat de ganzen linksaf kunnen slaan voor de wat rijkere weiden en rechtsaf om een beetje aan dor hout te knabbelen omdat de Partij van de Dieren dat eigenlijk fijner vindt? Wat is dat voor beleid? Wat moet de regering met die constatering?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): De regering zou er goed aan doen om te erkennen dat het mestbeleid totaal mislukt is en dat een van de symptomen daarvan is dat er in Nederland heel veel ganzen lekker zitten te knabbelen aan de eiwitrijke grassprietjes. Ik denk dat de heer Koopmans er met opzet een beetje gek bij kijkt, want hij weet heel goed dat het zo werkt. Het is een van de bronnen die niet door het kabinet wordt aangepakt. Het is het fameuze hoofdpijndossier. Het mestbeleid deugt van geen kanten. Zolang je daarvoor geen goede oplossing hebt, zul je ook niet scoren met je ganzenbeleid.

De heer Koopmans (CDA): Klopt de constatering dat als er van een diersoort minder komen, het in de ogen van de Partij voor de Dieren altijd de schuld is van de boeren, terwijl het ook de schuld van de boeren is als er van een diersoort meer komen?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Nee hoor, dat klopt helemaal niet. Wij zijn voor natuurlijke populatiedynamieken en natuurlijke evenwichten. Daarvan is in dit land, zeker met de natuurbezuinigingen, helemaal geen sprake. Zo simpel als de heer Koopmans het stelt, hoe grappig ook, is het dus niet. Gelukkig moet hij er zelf ook om lachen.

De heer Koopmans (CDA): Dat was om het antwoord van mevrouw Ouwehand.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Precies. Ik ben blij dat ik de heer Koopmans aan het lachen heb gemaakt vanavond. Voorzitter. Een heikel punt is het akkoord van de Ganzen-7. Ik roep de staatssecretaris op om dat akkoord te negeren. Grootschalig afschot vormt nooit de oplossing, noch bij ganzen, noch bij zwijnen. Ik krijg graag een toezegging van de staatssecretaris op dit punt.

Naar aanleiding van het jaarverslag van het Faunafonds heb ik een aantal concrete vragen. Wij lezen dat het Faunafonds 179 adviezen heeft gegeven, maar het wordt niet duidelijk wat daarin staat. In hoeveel adviezen werd afschot als maatregel genoemd? Hoeveel dieren zijn er afgelopen jaar afgeschoten omdat blijkbaar sprake was van belangrijke schade? Wat wordt daarmee precies bedoeld? Waarin verschilt "belangrijke schade" van gewone schade? Zijn er ook aanvragen voor het zogenaamde faunabeheer die door het Faunafonds zijn afgewezen? In hoeveel gevallen is dat zo geweest en waarom werd het verzoek afgewezen? Wij zien ook graag een uitsplitsing naar de gronden waarop ontheffingen worden verleend. Kan de staatssecretaris een overzicht geven van de ontheffingen die zijn verleend in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid, in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer en ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee en bossen? Ik zie dus graag een uitsplitsing waaruit ook blijkt om hoeveel dieren en welke kosten het gaat.

Mijn fractie schrok ervan dat het ministerie een financiële bijdrage blijkt te geven aan de leerstoel Faunabeheer, samen met de jagersclub van de Stichting De Eik. De database wordt ook nog eens door jagers gevuld. Het is dus een database gevuld met gegevens van jagers ten behoeve van onderzoek door de leerstoel die wordt betaald door de jagers en het ministerie. Het lijkt er niet op dat daaruit onafhankelijk onderzoek zal rollen dat daadwerkelijk kijkt hoe wij goed en zorgvuldig moeten omgaan met de fauna in ons land. Ik wil dat de staatssecretaris zegt dat hij daaraan niet meer meebetaalt. Ik vraag hem ook om zijn plannen met betrekking tot de decentralisatie van het Faunafonds toe te lichten. Ik zeg alvast dat de Partij voor de Dieren grote zorgen heeft en problemen ziet met jaagminnende provincies, zodat op de Veluwe straks de veldmuis wellicht het grootste dier zal zijn omdat de rest is afgeschoten.

Mijn volgende punt betreft de jaarverslagen. Het kabinet kiest ervoor om ingrijpende wijzigingen in beleid door te voeren, met name op het gebied van natuur. Een schema met concreet meetbare effecten ontbreekt. Ik heb er al vaker om gevraagd, maar ik wil heel graag een uitsplitsing van de kosten van natuurbeheer gerelateerd aan de kosten die kunnen worden voorkomen door het voeren van een zorgvuldig bronbeleid. Ik heb het dan natuurlijk over de vermesting en de verdroging. Er moet voortdurend beheer plaatsvinden om de gevolgen hiervan tegen te gaan. Dat zou efficiënter kunnen. Ik vraag de staatssecretaris simpelweg om dat inzichtelijk te maken.

De meeste doelstellingen zijn niet gehaald. Dat is een slecht cijfer voor de staatssecretaris. Duidelijk is ook dat de intensieve landbouw, met de vee-industrie aan kop, hiervoor verantwoordelijk lijkt te zijn. Het fosfaatoverschot groeit de pan dan wel de mestregisters uit. De staatssecretaris noemt dat een zorgpunt, maar dat zou hij natuurlijk ook wel wat steviger kunnen bestempelen, bijvoorbeeld als een overtreding van de richtlijnen. In het overzicht van de realisatie van de verschillende doelstellingen die al waren vastgesteld, lees ik dat de doelstelling ten aanzien van het schol- en tongbestand niet is gehaald. Dat betekent toch gewoon dat de visserijdruk nog steeds te hoog is? Kan de staatssecretaris dat bevestigen?

De subsidieregelingen worden niet of nauwelijks geëvalueerd, zo bleek vorig jaar al uit rapporten van de Algemene Rekenkamer. In 2011 is bijvoorbeeld 28,2 mln. uitgegeven aan luchtwassers. Dat is dus publiek geld dat rechtstreeks naar de verdere intensivering van de intensieve vee-industrie gaat: subsidie aan megastallen. Wat is daarvan het effect? Het doel zou moeten zijn om minder ammoniakuitstoot en andere schadelijke emissies te bereiken. Wij weten echter ook dat de verlaging van de druk als gevolg van luchtwassers wordt benut om extra dieren in de stallen te zetten. Kan de staatssecretaris dat bevestigen en een wat duidelijker inzicht geven in de effecten van deze subsidieregeling?

Mijn laatste punt betreft de VWA. De staatssecretaris wil daarvan de Nationale Voedsel en Waren Autoriteit wil maken. Dat zou een goed idee zijn, maar dan moet deze autoriteit natuurlijk wel voldoende capaciteit hebben. Wij kunnen de VWA niet op een schild gaan hijsen als er onvoldoende mankracht en geld beschikbaar is om de taken uit te voeren.

De heer Koopmans (CDA): Voorzitter. Bij het bespreken van een jaarverslag van de rijksbegroting past het in mijn ogen ook om te kijken hoe het met de sector is gegaan in 2010. Het is buitengewoon interessant om te zien dat de Nederlandse landbouwexport is gestegen van 60 mld. in 2009 naar 65 mld. in 2010. Dat is goed nieuws.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Vindt de CDA-fractie het, vanuit haar rol als zelfbenoemd rentmeester, misschien ook op zijn plaats om te kijken hoe het het afgelopen jaar met onze leefomgeving is gegaan?

De heer Koopmans (CDA): Ja. Ook dat geeft reden tot optimisme en enthousiasme. Wie de rapporten van het PBL op dat punt leest en daar rapporten naast legt van tien of twintig jaar geleden, ziet daarin een absolute verbetering van waterkwaliteit, luchtkwaliteit, dierenwelzijn en noem maar op. Het gaat absoluut de goede kant op.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Dan vraag ik de heer Koopmans wanneer hij jarig is, want blijkbaar zet hij roze brilletjes op als hij dit soort rapporten leest. Ik wil hem er eentje geven waardoor hij ziet dat het helemaal niet zo gaat als hij het nu doet voorkomen. Misschien kunnen wij dat buiten de microfoon om nog eens regelen.

Staatssecretaris Bleker: Mevrouw Ouwehand heeft vragen gesteld over de vergassing van ganzen. Er is een wijziging van regelgeving nodig om ganzen met CO2 te doden. Momenteel wordt onderzocht of het een middel is dat in de toekomst moet worden ingezet.

Er is ook een vraag gesteld over het G7-akkoord over de ganzen. Ik had gehoopt om van mevrouw Ouwehand eindelijk iets positiefs te horen over de Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging. De vereniging heeft gezegd niet mee te doen aan het akkoord omdat zij het niet passend vindt om in de periode van het jaar dat ganzen jonkies hebben, de ouders om zeep te helpen. Ik zie een non-verbale reactie; die complimenten zijn er. Dit is gewoon een verdraaid lastig onderwerp. Ik ben er nog niet uit of wij uit de voeten kunnen met de richting die de G7 heeft aangegeven. Het is evident dat wij populatiebeheer nodig hebben. Het aantal ganzen is fors toegenomen en ook de schadelast loopt op. Ik wil in de loop van de zomer kijken wat de provincies, voor wie het in de toekomst een belangrijke verantwoordelijkheid is, ervan vinden en dan bezien hoe het zou moeten. Het massaal afschieten van ganzen terwijl de jonkies in het nest om voer zitten te bedelen, vind ik ook helemaal niets. Dan moet je zoveel lef hebben om naar de nesten te gaan en die om zeep te helpen, maar je moet niet eerst de ouders om zeep helpen. Dat was even een persoonlijke ontboezeming, die ik van de voorzitter niet mag doen, maar tot nu toe ben ik redelijk op schema.

De omvang van het scholbestand ligt rond het niveau van de streefwaarde. De tong kruipt langzaam maar zeker naar de streefwaarde. De visserijbeperkende maatregelen van de afgelopen jaren hebben dus effect gesorteerd, zoals ook de Europese Commissie heeft geconstateerd. Daarmee moeten wij dus verdergaan: zorgvuldig, voorzichtig beleid ten aanzien van quota en dergelijke.

De ombuigingen bij de nationale VWA zijn geen doel op zich. Ombuigingen gaan steeds gepaard met maatregelen en aanpassingen. Tijdens het debat over de EHEC-crisis heb ik aangegeven dat wij de geraamde bezuinigingen op de VWA heel kritisch tegen het licht houden, gelet op datgene wat er beschikbaar moet zijn in noodsituaties. Ik heb het de vorige keer ook gezegd: de VWA kost geld, maar een VWA die als het erop aankomt onvoldoende capaciteit heeft, kost nog veel meer geld. Wij moeten er dus echt heel prudent mee omgaan.

Het mestbeleid heeft gefaald, zo stelde mevrouw Ouwehand. Ik ben het daar niet mee eens. Wij komen daarover nog te spreken, want ik kom in de tweede helft van dit jaar met een meerjarige mestvisie. Ik kan er nu wel een heel verhaal over houden, maar dan houd ik mij niet aan de afspraak met de voorzitter dat ik geen beschouwingen houd.
Ik kom bij de beschikbare middelen voor duurzame stallen. In artikel 68 staat dat hiervoor in 2011 3,4 mln. beschikbaar is, in 2012 8,4 mln. en in 2013 18,4 mln. Nationaal gaat het om 2 mln. in 2010 en 10 mln. in 2011. Er is dus vraag naar de regeling. De belangstelling is zodanig dat wij op schema zitten voor de realisatie van het percentage duurzame stallen, zij het niet voor alle sectoren. In een eerder debat is dat al gezegd. Voor sommige sectoren zitten wij op 10%, voor sommige op 3,5%. Het doel is 5% in -- ik meen -- 2013. Er is enige vertraging in verband met de investeringsbereidheid als gevolg van de economische crisis en de onzekerheden. Kortom, er zijn veel verplichtingen aangegaan maar de kasuitgaven aan duurzame stallen zijn enigszins vertraagd.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. De staatssecretaris heeft gezegd dat van het bedrag van 140 mln. dat voor 2011 is gereserveerd voor boetes, 60 mln. reserves betreffen. Hoeveel lucht zit daarin? Ik heb namelijk een paar plannetjes die ik graag wil financieren. Die hoeven echt geen 60 mln. te kosten, maar ik zou het graag horen.

Ik dien vier korte moties in onder de motto's: geen vergassing, geen massaal afschot, geen faunaleerstoel en wel inzicht in kosten.

Staatssecretaris Bleker: De aanvaarding van de motie op stuk nr. 7 moet ik ontraden. Deze motie is prematuur. Wij onderzoeken momenteel of deze methode kan worden geïntroduceerd. Alleen als het echt nodig is en als het aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van dierenwelzijn, kan zij eventueel worden ingevoerd. Het doden met CO2 is op zichzelf een dodingsmethode die ook bij varkens, duiven en eendenkuikens wordt gehanteerd. De methode wordt dus niet an sich als onaanvaardbaar vanuit het oogpunt van dierenwelzijn gezien. De vraag is of dit type maatregel past bij het beheer van de ganzenpopulatie. Dat gaan wij onderzoeken en wij komen er later op terug.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Kan de staatssecretaris bevestigen dat het vergassen van ganzen wel degelijk verboden is? Hij zegt dat de motie prematuur is omdat deze methode nog wordt onderzocht. Kan hij dan garanderen dat de Kamer niet wordt geconfronteerd met een beleidswijziging die het verbod op het vergassen van ganzen opheft terwijl de Kamer niet de mogelijkheid heeft gehad om er een uitspraak over te doen?

Staatssecretaris Bleker: Als wij het bestaande beleid in dezen willen wijzigen na onderzoek, zal daarover met de Kamer worden gesproken voordat wij het beleid wijzigen. De Kamer zal dan ook kennis hebben kunnen nemen van het onderzoek.

Voorzitter. De motie op stuk nr. 8 betreft het Ganzen 7-akkoord. De regering wordt verzocht, niet in te stemmen met het massaal afschieten van ganzen zoals voorgesteld in het Ganzen 7-akkoord. Als er zou staan "het massaal afschieten van ganzen in de periode zoals voorgesteld in het ganzenakkoord", zie ik het als ondersteuning van beleid. Op dat onderdeel stem ik er namelijk niet mee in. Het gaat mij dan om het afschieten van ganzen in de voorjaarsperiode terwijl zij jongen hebben. Op dat punt ben ik het dus eens met mevrouw Ouwehand van de Partij voor de Dieren en de Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging.

De heer Houwers (VVD): Dat staat niet in deze motie. Hoe moeten wij daarmee omgaan? Ik kijk dan ook even naar mevrouw Ouwehand. Zal zij naar aanleiding van de opmerking van de staatssecretaris haar motie aanpassen?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik weet nog niet of ik de motie aanpas. Volgens mij is de staatssecretaris duidelijk geweest met zijn toevoeging. Misschien wil hij daar zelf nog op reageren. Ik beraad me nog of ik de motie als zodanig wil wijzigen.

Staatssecretaris Bleker: Oké. Ik ontraad de aanneming van de motie in haar huidige vorm. Als zij wordt gewijzigd zoals ik heb gesuggereerd, zie ik haar als ondersteuning van beleid. Voorzitter. Met de motie op stuk nr. 9 wordt de regering verzocht, niet langer bij te dragen aan de leerstoel faunabeheer. Ik ontraad de aanneming van deze motie. Ik vind het echt van den dolle dat een leerstoel die wordt medegefinancierd door de Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging ineens besmet wordt verklaard. In wat voor land leven we? Met de motie op stuk nr. 10 wordt de regering verzocht, de Kamer uiterlijk op 1 september 2011 inzichtelijk te maken welke vormen van effectgericht beheer nodig zijn om de effecten van vermesting en verdroging tegen te gaan en welke kosten hiermee samenhangen. Ik heb gezegd dat wij met een mestvisie komen. Ik ben ook niet van plan om een onderzoeksrapportage te leveren zoals in de motie wordt gevraagd. Ik ontraad derhalve de aanvaarding van deze motie.