Bijdrage Ouwehand Nota­overleg Duurzame Gewas­be­scherming


1 juli 2013

Eerste termijn

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Ik heb vijf minuten spreektijd voor een nota die bol staat van de omissies. Doelen worden niet gehaald en Nederland staat in de top 3 van landen ter wereld met het meeste gifgebruik per hectare. We hebben veel water, we zijn dus kwetsbaar en de normen worden niet gehaald. In plaats van het aanscherpen van het gebruik van landbouwgif worden de normen gewoon doodleuk tien jaar vooruitgeschoven.

Ik heb een twintigtal voorstellen om dat te verbeteren, maar ik heb maar vijf minuten. Ik houd het in eerste termijn bij het staccato opsommen van wat er allemaal moet veranderen en ik heb in tweede termijn een stapeltje moties.

We moeten af van het preventief gebruik van landbouwgif. Herbicente, resistente gewassen: niet doen in Nederland! Rondom watergebieden: teeltvrije zones instellen zodat er geen gif het water in kan lopen. Er moeten emissienormen komen voor de landbouw. Het glyfosaatverbod moet per 2015 ingaan. Dat kan gewoon. Het moet worden uitgebreid naar overig groen. Particulier verbod moet worden ingesteld, zoals ook in een door de Kamer aangenomen motie wordt gevraagd. Sowieso moeten chemische bestrijdingsmiddelen per 2015 verboden worden voor verkoop aan particulieren.

Ik kom te spreken over fungiciden. Er zijn resistente schimmels aangetroffen bij mensen. Zij kunnen daaraan overlijden. En wat een toeval: die schimmels lijken op de fungiciden die in de landbouw worden gebruikt. We hebben daar Kamervragen over gesteld, maar nog geen antwoorden gekregen. Die vijf stoffen moeten van de markt. Er moet een aanpak komen met betrekking tot resistente schimmels. Die was trouwens beloofd in het kader van deze nota, maar die is er niet in opgenomen. Waarom niet? Voor het gif dat dan overblijft, zal een heffing moeten worden betaald. Wie vervuilt, moet betalen.

De normen voor de residuen op voedsel zullen naar beneden moeten, zodat we ook ongeboren kinderen voldoende kunnen beschermen. Mensen die in de buurt van landbouwgebieden wonen, moeten worden beschermd tegen het gebruik van gif en verdamping. Mensen die in een bollengebied wonen, moeten ook gewoon een groentetuintje kunnen aanleggen en van hun eigen groenten kunnen eten. De Kaderrichtlijn Water moet worden gerespecteerd en het Ctgb moet bevoegdheden krijgen om gebruiksvoorschriften aan te passen, zoals eerder al eventjes in een interruptiedebatje met mevrouw Lodders is gewisseld.

Ik hoor graag toezeggingen op de verschillende punten. Anders komt er in tweede termijn een motiestroom.

Interrupties bij andere partijen

Mevrouw Lodders (VVD): Ik ben ook zo'n particuliere gebruiker en ik gebruik dat middel juist niet op de planten in mijn tuin, want dan heb ik geen planten meer. Ik ga daar dus zorgvuldig mee om. Ik denk dat de meeste particulieren dit doen. Mevrouw Jacobi daagt mij uit. Ik zou eigenlijk direct zaken met mevrouw Jacobi moeten doen en dat middel zowel voor de particulier als voor de professionele gebruiker moeten verbieden. Juist omdat de professionele gebruiker nog een stap verder moet door een licentie bij zich te dragen, door bijscholingsmaatregelen en dergelijke, zou het helemaal te gek zijn om hem dit middel te verbieden. De uitdaging is groot, maar ik ga er niet op in. Mijn fractie is van mening dat zowel de particulier de middelen die beschikbaar zijn via tuincentra als de professionele gebruikers in staat zijn om de middelen op een verantwoorde manier te gebruiken. In de mening van mijn fractie kan dat ook. (...)

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik ben benieuwd naar welke voorwaarden de VVD zou willen stellen, als mevrouw Lodders zegt dat de professionele gebruikers weten wat ze doen. Is de VVD voor de certificatieplicht die het kabinet eerder voorstelde? Vindt de VVD dat je die middelen gewoon op de markt kunt laten als er met certificaten wordt gewerkt? Wil de VVD die lijn volgen?

Mevrouw Lodders (VVD): We kennen nu het systeem van licenties. Professionele gebruikers die dit soort middelen willen gebruiken, dienen een licentie bij zich te dragen en dienen met enige regelmaat te worden bijgeschoold over het gebruik van deze middelen en met betrekking tot allerlei andere voorwaarden die aan de licentie worden gesteld. Naar de mening van mijn fractie is dat voldoende, want dit valt goed te controleren. Ik weet ook uit ervaring dat dit wordt gecontroleerd.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Dan hebben we wel een beetje een probleem. De certificatieplicht voor de toepassing van Roundup is onlangs geschorst door het College van Beroep voor het bedrijfsleven. De lijn die het kabinet volgde, vooruitlopend op het verbod op het gebruik van glyfosaat, schijnt helemaal niet mogelijk te zijn omdat ons Ctgb, het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden, die bevoegdheid niet heeft. Zou de VVD-fractie in dat geval niet aan het kabinet moeten vragen dat het Ctgb in ieder geval de bevoegdheid krijgt om strengere eisen te stellen aan lopende toelatingen, zodat de zorgvuldigheid waar de VVD zo vóór is, daadwerkelijk in de praktijk kan worden bewerkstelligd?

Mevrouw Lodders (VVD): Mevrouw Ouwehand stelt daarmee zelf een vraag aan de staatssecretaris. Over de licentie voor de gebruikers van middelen worden in de nota een aantal opmerkingen gemaakt. Mijn fractie pleit ervoor om dat erin te zetten en om dat te gebruiken als mogelijkheid voor professionele gebruikers om dit soort middelen daadwerkelijk te blijven gebruiken.

(...)

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik ben benieuwd hoe de ChristenUnie staat tegenover de oproep van bijvoorbeeld Vewin om wat serieuzer te kijken naar teeltvrije zones. Voelt de ChristenUnie ervoor om de nota op dit punt iets aan te scherpen? Denk aan het nu instellen van een zone van een meter om dit vervolgens na twee jaar te evalueren.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie): Volgens mij zijn er op dit punt voorstellen gedaan in de nota. De ChristenUnie wil op dit moment geen verdere aanscherping. Over een aantal jaar komt er een evaluatie. Dan spreken wij verder.

Beantwoording door de staatssecretarissen

Mevrouw Ouwehand (PvdD): De staatssecretarissen hebben mij gevraagd om een aantal moties aan te houden, totdat deze nota er lag. In een van die moties wordt gevraagd om te waarborgen dat relevante, onafhankelijke wetenschappelijke studies worden meegenomen bij de beoordeling en toelating van gewasbeschermingsmiddelen. Ik kan het nummer van de motie zo nog even noemen, maar ik ben benieuwd naar de reactie van de staatssecretaris daarop. Deze motie was mede ingediend door de heer Schouw. Mijn andere vraag over het Ctgb heeft betrekking op de aangehouden moties over een nationaal moratorium op neonicotinoïden en fipronil, dat bijengif. De staatssecretaris blijft volhouden dat je daar geen stappen in kunt zetten, omdat dat juridische problemen zou geven. Dat vind ik vervelend, want ik hoor van fracties die overwegen om die moties te steunen, dat hun door het ministerie wordt verteld dat het niet zou kunnen. Ik heb de brief erbij gezocht waarin het Ctgb duidelijk uiteenzet hoe je op nationaal niveau zou kunnen ingrijpen. Ik hoor graag dat de staatssecretaris in dit openbare debat erkent dat we de reguliere procedure kunnen starten zonder juridische consequenties en dat dit geen blokkade voor die moties zou opleveren.

Staatssecretaris Dijksma: Twee dingen. Allereerst stelde mevrouw Ouwehand een vraag over de andere wetenschappelijke rapporten. Mij lijkt het prima. Als er gevalideerde wetenschappelijke rapporten zijn, dan kan het Ctgb die er natuurlijk prima bij betrekken. Bij mijn weten staat hun ook helemaal niets in de weg om dat te doen. Over de kwestie van imidacloprid en water, die recent speelde, zijn wel degelijk ook verschillende rapporten in omloop. Overigens kijken wij daar ook naar.

Het tweede punt betreft de neonicotinoïden.

Allereerst moet ik het misverstand wegnemen dat mijn ministerie mensen iets zou vertellen. Als er iets verteld wordt, doe ik dat. Overigens doe ik dat altijd met open vizier. Ook in alle brieven ziet u precies staan wat er wel en wat er niet kan en wat in mijn ogen politiek en juridisch haalbaar is. Op dat vlak zitten wij niet helemaal op één lijn. U zegt: je moet sowieso een procedure starten om alle neonicotinoïden op voorhand in dit land te verbieden. Ik zeg u dat ik het verstandig vind om daarvoor evidence te hebben. Dat zijn wij in een rap tempo aan het verzamelen, veel sneller dan menigeen had verwacht, zo zeg ik er maar even bij. Van een aantal neonicotinoïden hebben wij inmiddels al een EFSA-boordeling en een Ctgb-beoordeling liggen. Van een komt er nog een beoordeling aan en ten aanzien van twee andere heb ik middels een spoedbrief aan de Europese Commissie gevraagd om, sneller dan zij van plan is, te komen tot een herbeoordeling. Ik vind het belangrijk om een evidence based basis te hebben alvorens te komen tot een verbod in Nederland. Je wilt immers dat het verbod standhoudt. Dat is de verantwoordelijkheid die ik wil nemen. Ik leg die in uw midden neer. Als u daar anders over denkt, is dat uw goed recht, dat is prima. Het is echter niet zo dat mijn ministerie iets vertelt. Ik vertel het hier, keer op keer, en altijd redelijk duidelijk, zoals u van mij gewend bent. Wellicht kan dat sommige fracties overtuigen. Ik hoop dat ook. Het is niet zo dat wij achter de schermen communiceren. Die sfeer sluipt er nu een beetje in en dat moeten wij niet hebben.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Akkoord. Feit blijft dat de voorstellen van de Europese Commissie 85% van het gebruik van de neonicotinoïden in Nederland buiten schot laten. Ook op de nieuwe voorstellen is de PvdD, zoals u zich vast kunt indenken, niet zo gerust. Ik wil in dit debat bevestigd hebben dat de reguliere procedure kan worden gestart -- het Ctgb zegt dat -- als er aanwijzingen bestaan dat niet langer wordt voldaan aan de toelatingscriteria of als bepaalde doelstellingen van de kaderrichtlijn water in gevaar komen. En, zo zegt het Ctgb, indien na een procedure van hoor en wederhoor blijkt dat deze aanwijzingen kloppen, dient de toelating gewijzigd of ingetrokken te worden. Ik wil graag dat de staatssecretaris erkent dat er geen juridische problemen zijn bij het aannemen van mijn moties, dat de procedures gestart kunnen worden voor het grote neonicotinoïdengebruik in Nederland, met alle gevaren voor de bijen van dien, en dat die procedures ruimte laten voor wederhoor. Als blijkt dat de middelen of toepassingen niet gevaarlijk zijn voor bijen, is er geen vuiltje aan de lucht.

Staatssecretaris Dijksma: Ik vind het goed en terecht dat u het hele verhaal voorlas. In die twee overwegingen zit precies de kern van de discussie, namelijk dat je moet bewijzen dat iets een probleem is. In het EFSA-verhaal -- het Ctgb heeft dat voor een deel van de stoffen overgenomen -- acht men voor een deel van de toepassingen de bewijzen aanwezig, maar voor een deel ook niet. Je kunt dus wel een procedure beginnen, maar als je ziet dat zowel EFSA als het Ctgb op een aantal punten zegt "deze toepassing kan wel", dan weet je ook waar die procedure eindigt. Dat is precies mijn punt. Dit debat heeft vrij lang weinig beweging gekend, laat ik het zo zeggen. Toen ik aantrad, kreeg ik de herbeoordeling door EFSA al heel snel onder ogen. Wij hebben meteen vastgesteld: hier moeten wij snel werk van maken. Dat hebben wij ook gedaan. Juist als je een verbod op toepassing in Nederland voor elkaar krijgt, wil je ook dat dit verbod standhoudt, dat het overeind blijft. Ik kies ervoor om het scherp te doen, en wel zo dat ik weet dat ik het kan onderbouwen en dus voor elkaar kan krijgen. Ik zou niet graag voortdurend in de weer zijn met het opzoeken van verboden waarvan ik op voorhand gewoon kan zien dat het lastig zal zijn om ze te laten standhouden. Dat geef ik u in overweging.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik wil mijn tweede interruptie hieraan wijden. Zo belangrijk vind ik het. Ik doe dit, omdat ik weet dat er in de Kamer een meerderheid is die de bijensterfte een halt wil toeroepen. Het is echt van belang dat we dit met z'n allen goed hebben. Ik hoor mevrouw Jacobi instemmende geluiden produceren.

Het gaat mank in de redenering van de staatssecretaris. Het Ctgb schrijft de Kamer zelf dat het in deze procedure in eerste instantie een relatief lichte bewijslast heeft. Het Ctgb "hoeft alleen aan te tonen dát er objectiveerbare aanwijzingen zijn dat niet meer aan de criteria wordt voldaan". Dat lijkt me evident. "In het kader van de hoor- en wederhoorprocedure ligt vervolgens de bewijslast om aan te tonen dat een gewasbeschermingsmiddel wél voldoet, grotendeels bij de toelatinghouder." Het is relevant dat, als de procedure tot een einde komt en "Nederland een toelating op grond van dit artikel intrekt of wijzigt, de overige lidstaten uit dezelfde zone in principe dienen te volgen en de Commissie geïnformeerd moet worden". Met andere woorden: als Nederland de reguliere procedure start en als daaruit blijkt dat de toepassingen die nu nog worden toegelaten, toch gevaarlijk zijn voor bijen, dan hebben wij de ellende voor de lidstaten om ons heen en voor de Europese Commissie opgelost, omdat wij vervolgens hebben gezegd: dit is gevaarlijk, dit moeten we niet doen.

Staatssecretaris Dijksma: Misschien is het lastige nu, ook voor mevrouw Ouwehand, dat de EFSA het al beoordeeld hééft en dat de evidence er al ligt. Ze redeneert alsof er nog niets onderzocht zou zijn, ook niet door de EFSA. Dat is niet zo. Het ligt er al. Er is heel precies bekeken: wat wel, wat niet. Eigenlijk zegt mevrouw Ouwehand nu: voor een deel hebben we ons gelijk gehad -- heel fijn en bedankt, EFSA -- en voor het deel waarin we ons gelijk niet hebben gehad, moet Nederland alsnog een zelfstandige procedure gaan starten. De bewijslast die er ligt, zal door mensen die het er niet mee eens zijn, echter onmiddellijk worden ingebracht in het verhaal. Zoals we soms ook bij andere procedures zien, kan het Ctgb het niet altijd staande houden. Als je op dit onderwerp echt stappen wilt zetten, is het belangrijk dat je niet alleen blaft, maar ook zeker weet dat je aan het eind van de dag kunt bijten. Dat is mijn inzet. Daar ga ik voor.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Als de EFSA het goed onderzocht zou hebben, dan hebben we geen enkel probleem als we onze procedure zelf starten, behalve dan dat het Ctgb en de toelatinghouder dan wat werk hebben gedaan. De staatssecretaris weet echter ook dat de Europese Commissie nu nog uitzonderingen toelaat, bijvoorbeeld de coating van gewassen die niet schadelijk zouden zijn voor bijen. De restanten van de neonicotinoïden zitten zes jaar in de bodem. De kans dat daarop andere gewassen gaan groeien die wel aantrekkelijk voor bijen zijn, is levensgroot. De kans dat het uitspoelt naar de bodem en naar het water, is levensgroot. Het zou dus zomaar kunnen dat de EFSA een aantal dingen over het hoofd heeft gezien. Waarom zouden wij dat dan niet willen onderzoeken in het land waar de bijensterfte in vergelijking met andere landen in Europa een van de schrikbarendste vormen heeft aangenomen, een land dat ook nog eens extra kwetsbaar is vanwege de grote hoeveelheid water? Waarom zouden we die zorgvuldigheid niet willen betrachten? Waarom zouden we hier in Nederland niet gewoon tegen de toelatinghouder zeggen: je krijgt de kans om je verweer in te brengen, maar wij hebben hier de wetenschappelijke rapporten in de hand, we willen het zekere voor het onzekere nemen en niet straks nog een keer met een besluit van de Europese Commissie komen te zitten waarin weer drie kwart van de toepassingen buiten beschouwing wordt gelaten?

Staatssecretaris Dijksma: Het wordt wel lastig als mevrouw Ouwehand nu dingen door elkaar gaat klutsen. Ten aanzien van imidacloprid en water -- we zullen daarop zo meteen nog terugkomen -- stelt het kabinet al maatregelen voor, ook naar aanleiding van recente onderzoeken. Daarnaast merk ik het volgende op. Je kunt niet selectief gaan winkelen in de mate waarin je de EFSA wel of niet serieus neemt. Je kunt dus niet de EFSA gebruiken als bewijslast voor het verbod op een aantal toepassingen en dan vervolgens, als je dat hebt binnengehaald, zeggen: daar waar ze er anders over denken, hebben ze het niet goed onderzocht. Het is van tweeën één. Ik weet dat een deel van de Kamer een wat gemankeerde verhouding met de EFSA heeft. Dat mag allemaal. Het kan echter niet zo zijn dat je haar de ene dag serieus neemt en de volgende dag weer iets anders zegt. Zo werkt het gewoon niet.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik rond kort af. De staatssecretaris weet heel goed dat we liever onafhankelijk onderzoek naar de effecten van neonicotinoïden op de bijensterfte hebben dan een onderzoek van de EFSA. Dit is echter het traject dat het kabinet heeft gevolgd. Daar was ook een meerderheid voor. Dat is prima, maar het neemt niet weg dat je over de manier waarop de EFSA het heeft gedaan, ook nog weer kritische vragen zou kunnen stellen. We kunnen dat oplossen door gewoon een nationaal regulier traject te starten.

Staatssecretaris Dijksma: Volgens mij ben ik op dit dossier verder gekomen dan mevrouw Ouwehand ooit had gedacht. Ik zou haar dus willen vragen of zij misschien één keer -- het is lastig; ik weet het -- kan vaststellen dat dit gebeurd is, in een paar maanden tijd. Dat zij niet alles krijgt wat zij graag wil, snap ik, en dat zij daarvoor zal doorstrijden tot het bittere eind, siert haar. Zij zegt dat hier Kamerleden zijn die een einde willen aan de bijensterfte. Dat wil ik ook, en dat is precies de reden waarom ik heb gedaan wat ik heb gedaan en waarom we deze zomer nog een actieplan gezondheid bijen gaan maken, zodat we dat aan het eind van het jaar aan de Kamer kunnen voorleggen. Er moet namelijk nog veel meer gebeuren dan alleen kijken naar de neonics; het is een bredere agenda. Ook hierbij geldt dus dat niet alleen mevrouw Ouwehand van bijen houdt. Volgens mij heeft zij heel veel meer medestanders dan zij denkt, maar niet iedereen gaat zo ver als zij. Dat hoeft zij misschien niet accepteren, maar zij kan het op zijn minst respecteren. Dat zou al een hele stap zijn.

(...)

Staatssecretaris Dijksma: In het blokje "overig" begin ik met enkele vragen van mevrouw Ouwehand.

Moeten normen voor residuen van gewasbeschermingsmiddelen in voeding omlaag om ongeborenen te beschermen? De wettelijk toegestane residuniveaus in levensmiddelen worden Europees vastgelegd met een zorgvuldige methode. In de EU wordt een MRL (Maximum Residue Limit) alleen vastgelegd als is aangetoond dat er geen risico is voor de volksgezondheid. Tijdens de beoordelingsprocedure worden alle toxische eigenschappen van de werkzame stoffen beoordeeld, inclusief de mogelijke effecten op de ontwikkeling van volgende generaties.

De volgende vraag betreft de schimmels, de fungiciden. Mevrouw Ouwehand vraagt of we vijf stoffen van de markt willen halen. Die aanpak was toegezegd. Mevrouw Ouwehand heeft op 21 juni een aantal Kamervragen gesteld over fungiciden en resistente schimmels. Op dit moment werk ik samen met mijn collega van VWS aan de beantwoording van deze vragen en ik zou mevrouw Ouwehand daarnaar willen verwijzen. Wij hebben namelijk om wetenschappelijk advies gevraagd om de vragen goed te kunnen beantwoorden. Daarom is het niet gelukt om voor dit notaoverleg de antwoorden al aan de Kamer te sturen. Wij nemen het dus serieus en we vragen advies, maar het kan niet vanavond.

(...)

Staatssecretaris Mansveld: (...) Ik kom bij het particuliere gebruik, en voor groen en recreatie. Van verschillende kanten, overigens binnen en buiten de Kamer, dringen partijen aan op een verbod van het gebruik van onkruidbestrijdingsmiddelen op basis van glyfosaat, ook voor particulieren. Ik sprak hierover al eerder, in een ander AO, met mevrouw Ouwehand. Particulieren gebruiken minder dan professionals, maar kennen de risico's weer minder goed. Het zou vreemd overkomen als een professional het niet zou mogen gebruiken maar een particulier wel. Ook dat heb ik eerder aangegeven. Er is een aantal dingen gezegd over jaartallen en dergelijke. Ik vind dat er heel goed moet worden gekeken naar de voor- en nadelen van een dergelijk verbod en naar de mogelijke risico's die eraan vastzitten. Ik wil onderzoeken wat ervoor nodig is om het verbod ook voor particulieren, openbaar groen en recreatiegebieden te doen gelden, en wat daarvan de impact is. Een verbod op grondig beoordeelde, toegelaten middelen kan er namelijk toe leiden dat de particulier overstapt op niet-beoordeelde middelen, die mogelijk schadelijker zijn. Ik wil ook een duidelijke juridische grondslag. Mijn collega gebruikte net het woord "evidencebased". Ik denk dat dit ook geldt voor het glyfosaatdossier. Dat onderzoek zal in de komende maanden worden gestart. Ik zal de Kamer daarover uiteraard informeren.

Ik wil wel even terugkomen op het jaartal 2015, waarover veel partijen wat hebben gezegd. Ik acht dit niet reëel, omdat ik voldoende alternatieven beschikbaar wil hebben en de juridische basis op orde moet zijn. Het kan niet zo zijn dat er claims van producenten gaan komen vanwege onzorgvuldige procedures. 2015 is over anderhalf jaar en ik denk dat dit te kort dag is. Ik wil dus vasthouden aan 2018. (...)

Mevrouw Ouwehand heeft gezegd dat professionele gebruikers van glyfosaat niet alleen een bewijs van vakbekwaamheid en opleiding moeten hebben maar ook een certificaat. Op 11 juni heeft de rechter het certificaat geschrapt. Mevrouw Ouwehand heeft gevraagd of ik voornemens ben het certificaat opnieuw in te voeren en of ik per direct een verbod wil invoeren op het gebruik van glyfosaat. De uitspraak van de rechter respecteer ik. Tussentijdse wijziging mag niet van de rechter. Een herbeoordeling van de toelating vindt plaats in 2015 door het Ctgb. Dan kan die certificatieplicht alsnog aan de orde komen. Belangrijker is wat mij betreft dat de nota die nu voorligt een verbod aankondigt per 1 januari 2018. In dat geval is een certificaat niet meer aan de orde . Een verbod per direct is onredelijk. Toepassers moeten een redelijke termijn krijgen om over te stappen op niet-chemische technieken en om hun apparatuur af te kunnen schrijven. Dat is het respect dat ik naar alle partijen wil hebben om tot een definitief verbod te komen.

Mevrouw Ouwehand heeft verder gevaagd of ik het Ctbg bevoegdheden wil geven om de gebruiksvoorschriften aan te passen. Dat gaat dan om het gebruik van glyfosaathoudende onkruidbestrijdingsmiddelen te koppelen aan een certificaat. Ik heb zo-even al gezegd dat de rechter enkele weken geleden de verplichting van het certificaat heeft geschrapt. De wet geeft in dit geval geen bevoegdheid om de toelating tussentijds aan te passen. Inmiddels is de Europese verordening voor toelating van gewasbeschermingsmiddelen in werking getreden. Inhoudelijk maakt dat geen verschil. De toelating kan niet tussentijds worden aangevuld met die certificatieverplichting.

Mevrouw Lodders heeft gezegd dat volgens een onderzoek van de Universiteit van Amsterdam niet-chemische technieken niet per definitie beter voor het milieu zijn. Ik ben daar zojuist al op ingegaan. Ik heb een review laten uitvoeren. Dat betekent dat ik de conclusies van de quickscan van de UvA niet kan overnemen.

(...)

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Het lijkt erop dat de staatssecretaris vooral voorzichtig wil zijn met de branche, maar niet met de volksgezondheid. Ook lijkt het erop dat zij, nu zij de Kamer tegenover zich ziet, snel een uitvlucht zoekt. Ik ben er niet heel erg blij over. Als zij die brief stuurt, zou ik nu wel willen weten hoe groot de kans is dat wij 1 januari 2015 nog gaan halen. Ik wil ook dat zij uitlegt waarom het zo lang heeft geduurd om überhaupt aan de slag te gaan met alles wat zij nu wil gaan doen, zoals overleggen met de branches. Dat kon in 2011 ook al. Ik wil een heldere scheiding tussen wat nu precies de juridische onmogelijkheden zouden zijn en -- wat zij daar doorheen laat lopen -- wat de branche haar vertelt, namelijk waar deze geen zin in heeft. Dat moeten wij wel helder weten.

Staatssecretaris Mansveld: Ik heb aangegeven dat ik een datum vaststel waarop in de breedte dat verbod gaat gelden, of de branche er wel of geen zin in heeft. In de afgelopen jaren zijn er twee onderzoeken uitgevoerd. Die zijn beschikbaar gekomen. Ik weet dat het nu 2013 is. Ik heb in ieder geval getracht om daadkracht te tonen waar ik invloed had, door dit op deze manier aan de Kamer voor te leggen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik baal ervan, want deze staatssecretarissen proberen hiermee een verhaal te vertellen waardoor de fractie van de Partij van de Arbeid zich niet vrij voelt om gewoon te doen wat zij eigenlijk wil, namelijk gewoon de datum van 1 januari 2015 aanhouden. Ik voel het al aankomen: dan moeten wij meteen na het zomerreces een nieuw debat voeren. Ik wil echt dat de staatssecretaris de mogelijkheid openhoudt dat wij 1 januari 2015 toch nog zouden kunnen halen. Ik wil dat zij dit hier toezegt.

Staatssecretaris Mansveld: De procedures zijn gecheckt, met alles wat wij in het werk kunnen stellen om het per 1 januari 2015 mogelijk te maken. Ik heb zojuist aangegeven dat dit onmogelijk is. Ik wil gaan staan voor 1 januari 2018. Ik heb zojuist ook toegezegd dat ik de Kamer in de breedte informeer over de vraag wat ik daarvoor ga doen en of het eerder mogelijk is. Ik herhaal: of het eerder mogelijk is. Als ik kijk naar de strekking van de motie en het moment van indienen ervan, denk ik dat ik mijn uiterste best doe om zo veel mogelijk daadkracht te tonen om de motie daadwerkelijk uit te voeren. (...)

Mevrouw Ouwehand heeft gezegd dat de nota moet aansluiten bij de Kaderrichtlijn Water. Het kabinet heeft ervoor gekozen de doelen van de Kaderrichtlijn Water gefaseerd te realiseren, uiterlijk in 2027. Het doel van de voorliggende nota is om in 2023 nagenoeg geen normoverschrijding te hebben. Dat past bij het doel van de Kaderrichtlijn Water om geen normoverschrijding meer te hebben in 2027. (...)

Mevrouw Ouwehand vroeg of ik voornemens ben om naast de zuiveringstechniek in de glastuinbouw ook doelvoorschriften op te nemen voor de emissienormen. Onderzoek heeft aangetoond dat men met de zuiveringsmaatregelen bij de lozing door glastuinbouwbedrijven in staat is de emissie naar het oppervlaktewater tot vrijwel nul te reduceren. Ik zie in dat perspectief niet welke toegevoegde waarde emissienormen dan nog hebben. Het invoeren van emissienormen zal leiden tot een enorme verhoging van de administratieve lasten voor de sector, onder andere door de monitoring. Ik zou deze weg dus niet willen opgaan.

(...)

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik heb gevraagd naar de mogelijkheid van een groentetuintje voor mensen die naast een bollenperceel wonen. Er wordt gif gebruikt dat niet is toegestaan op voedselgewassen, maar het komt wel terecht op de groentes van de mensen met hun tuintje. Vindt de staatssecretaris dat normaal? Zij zet in op communicatie. Vindt zij het redelijk dat de communicatie als volgt luidt? U moet u was binnenhalen, de schapen die u daar hebt staan kunnen niet geaaid worden door uw kinderen, sluit uw deuren en ramen en zorg ervoor dat u niet buiten koffie zit te drinken als wij hier 35 keer per jaar spuiten op ons lelieveld. Je kunt inzetten op communicatie, maar de vraag is wat een redelijke eis is die je aan omwonenden kunt stellen qua inperking van hun persoonlijke vrijheden.

Staatssecretaris Mansveld: Ik denk dat het goed is dat er gecommuniceerd wordt tussen bedrijven en omwonenden. Door verwaaiing of wat dan ook kan een middel op een verkeerde plek belanden. De landbouwsector neemt zijn maatregelen om ervoor te zorgen dat het binnen de percelen blijft. Wat de wijze van communicatie met de omwonenden betreft: die teksten laat ik maar even aan u.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Het gaat niet om de teksten of de manier waarop ze uitgesproken worden, het gaat erom dat dit de maatregelen zijn die je als omwonende kunt nemen nadat je gecommuniceerd hebt met je buurman die graag wil spuiten. Dan krijg je te horen: als je je wilt beschermen tegen gif, kun je beter binnen zitten. 35 keer per jaar gaat er met de gifspuit over zo'n lelieveld. Vindt de staatssecretaris het redelijk dat mensen die daar wonen zichzelf in vergaande mate in hun persoonlijke vrijheden moeten beperken om te voorkomen dat ze ziek worden van dat gif?

Staatssecretaris Mansveld: Mijn uitgangspunt is dat de sector zelf de maatregelen neemt die nodig zijn om ervoor te zorgen dat er goed gespoten wordt en dat materialen et cetera goed gebruikt worden. Ik vind het belangrijk dat er gecommuniceerd wordt tussen bedrijven en omwonenden over wat wanneer plaatsvindt en wat dat betekent et cetera. Mijn uitgangspunt is dat er conform regels en afspraken gespoten wordt.

Tweede termijn

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Ik begin meteen met mijn moties.

Beantwoording door de staatssecretarissen

Staatssecretaris Dijksma: (...) Bij de moties van mevrouw Ouwehand kom ik pas bij de motie op stuk nr. 168 aan de orde, dus de voorgaande moties worden door mijn collega van een advies voorzien. In de motie op stuk nr. 168 wordt de regering verzocht, het profylactisch gebruik van bestrijdingsmiddelen niet langer toe te staan. Ik ontraad deze motie. Er is op dit moment geen nieuw wetenschappelijk bewijs dat er risico's voor de volksgezondheid of onaanvaardbare risico's voor het milieu zijn. Als mevrouw Ouwehand dat nieuwe bewijs wel heeft, moet zij dat overleggen, maar ik ontraad deze motie.

Dat geldt ook voor de motie op stuk nr. 169 met het verzoek om niet in te stemmen met de toelating voor teelt van herbicidenresistente gewassen. Daarbij geldt eigenlijk dezelfde argumentatie. Hiervoor is nu geen nieuw wetenschappelijk bewijs.

Bij de moties op de stukken nrs. 170 en 171 vraag ik aan collega Mansveld om u een advies te geven.

Dan komen wij als vanzelf bij de motie van mevrouw Ouwehand die als twaalfde is ingediend en waarin de regering wordt verzocht, maar liefst vijf stoffen -- ik lees ze niet allemaal voor -- per direct van de markt te halen en de toelating in te trekken. Deze motie ontraad ik ook omdat hiervoor eveneens nieuw wetenschappelijk bewijs ontbreekt.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Dit gaat over de fungiciden waarvan de Radboud universiteit opnieuw heeft gewaarschuwd dat zij voor resistentie kunnen zorgen bij mensen. Ik heb het bij de beantwoording net een beetje laten lopen maar wij hebben hierover eerder vragen gesteld en daarbij is beloofd om dit op te nemen in de nota. De staatssecretaris heeft zich geen moeite getroost om ook maar uit te leggen waarom het überhaupt niet in de nota terecht is gekomen.

Staatssecretaris Dijksma:

Dat heb ik volgens mij wel gedaan. Ik heb namelijk aangegeven dat ik samen met mijn collega van VWS daarmee aan de slag ben gegaan. U krijgt nog antwoord. Uiteraard is het zo dat wij, als er nieuw bewijs of nieuw onderzoek beschikbaar is, dit erbij zullen betrekken. Nu vraagt u op voorhand om stoffen van de markt te halen, maar dat gaan wij niet doen.

In de motie-Ouwehand op stuk nr. 172 staat dat het Ctbg te alle tijde de bevoegdheid moet hebben om lopende toelatingen te wijzigen dan wel in te trekken uit oogpunt van milieu, biodiversiteit en/of dier- en volksgezondheid. Deze motie is overbodig, want deze bevoegdheid heeft het Ctbg al bij wet.

In de motie-Ouwehand op stuk nr. 173 wordt de regering verzocht, de toetsing van bestrijdingsmiddelen aan recente wetenschappelijke inzichten aan te passen en de Aanvaardbare Dagelijkse Inname (ADI) te bepalen op de effecten op ongeboren kinderen. Werkzame stoffen worden voor de toelating uitgebreid beoordeeld, inclusief de effecten op ongeboren kinderen. De wettelijk toegestane residuniveaus in levensmiddelen moeten alle bevolkingsgroepen, dus ook ongeborenen, beschermen. Als er nieuwe wetenschappelijke inzichten zijn die hiertoe aanleiding geven, zullen de MRL's in Europees verband worden herzien. Vooralsnog wil ik dus ook deze motie ontraden.

In de motie-Ouwehand op stuk nr. 174 wordt de regering verzocht om een plan van aanpak om het gebruik van azolen binnen en buiten de landbouw drastisch terug te brengen. Ik zou mevrouw Ouwehand willen vragen om deze motie aan te houden, want er moet meer wetenschappelijk onderzoek beschikbaar komen. Daaruit moeten wij kunnen concluderen of er wel of geen noodzaak is om maatregelen te beoordelen en of er dan dus eventueel een plan van aanpak moet komen. Vooralsnog echter niet. Als mevrouw Ouwehand de motie in stemming brengt, moet ik deze ontraden.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Komt de staatssecretaris hierop terug bij de beantwoording van de Kamervragen over de fungiciden?

Staatssecretaris Dijksma: Ja, aan het eind van het reces of meteen na het reces.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik laat de Griffie voor de stemmingen weten of ik deze motie aanhoud, maar dank voor de beantwoording van de vraag.

Staatssecretaris Dijksma: Dat horen wij dan. Ik ontraad de aanneming van de motie-Ouwenhand op stuk nr. 175 over de heffing op chemische bestrijdingsmiddelen. Ik heb gezegd dat wij een kabinetsreactie voorbereiden op een onderzoek daarnaar. Wij komen daar na het reces mee.

(...)

Staatssecretaris Mansveld: Voorzitter. Ik begin bij de motie-Ouwehand/Schouw op stuk nr. 164, waarin de regering wordt verzocht het gebruik van glyfosaat door particulieren per 2015 te verbieden. Ik zal een brief sturen waarin een aantal dingen terugkomen, zoals de volgende vragen. Hoe breed is het verbod? Wat is nodig aan onderzoek? Wat is het wettelijk traject? Zou ik een onderscheid kunnen maken en een algeheel verbod in kunnen stellen voor particulieren? Welke ingangsdata passen waarbij anders dan 1 januari 2018? Hoe ga ik met betrokkenen in gesprek? Als ik deze motie lees en daarbij de brief in gedachten houd, wil ik vragen om deze motie aan te houden tot de brief. Als de motie wordt ingediend met het jaartal 2015, moet ik haar ontraden.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Als de motie na de zomer in stemming wordt gebracht, gaan wij 2015 dan nog halen?

Staatssecretaris Mansveld: 2015 wordt in de breedte sowieso een probleem. Ik ga voor 1 september bekijken of er een schifting is aan te brengen tussen verschillende groepen en, zo ja, van welke datum dan sprake is. Dus ik kan niets garanderen. Dat heb ik ook duidelijk aangegeven.

De voorzitter: Houdt u uw motie aan, mevrouw Ouwehand?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Nee.

De voorzitter: Nee, de motie wordt niet aangehouden.

(...)

Staatssecretaris Mansveld: (...) Wat betreft de moties op stuks nr. 165, 166 en 167 kom ik op hetzelfde punt uit. In de motie op stuk nr. 165 staat het moment van 2015 vermeld. Ik zou willen adviseren om die motie aan te houden, maar daar gaat mevrouw Ouwehand over. Anders ontraad ik de motie. De motie op stuk nr. 166 waarin de regering wordt verzocht om het professioneel gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen uit te breiden naar overig groen. Ook dat wil ik meenemen in de brief. Hetzelfde geldt voor de motie op stuk nr. 167.

Ik zeg er nadrukkelijk bij dat als mevrouw Ouwehand 2015 in de breedte blijft hanteren als doelstelling -- ik heb al uitgelegd dat de daadkracht iets later in het proces komt na indiening van de motie-Grashoff -- het wat mij betreft heel vervelend of onverstandig zou zijn om op deze manier aan het doel, namelijk het brede verbod, voorbij te schieten. Dat in ieder geval op een aantal punten niet kan worden voldaan aan 2015, heb ik al toegelicht. Dat zeg ik er volledigheidshalve bij.

Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 170 met betrekking tot de 20 meter. In de tweede nota staan acties vanuit de sector om actief te communiceren met de omwonenden en maatregelen te treffen om omwonenden te beschermen. De sector is hier nu al mee begonnen. Verder heb ik om advies gevraagd over dit onderwerp bij de Gezondheidsraad. Ik verwacht dit in 2013. Op basis van dat advies zal ik, indien nodig, vervolgactiviteiten formuleren. Op dit moment zie ik geen aanleiding om te verhogen naar 20 meter en ontraad ik de motie.

Wat de motie op stuk nr. 171 betreft, worden alle middelen op gevaar voor de gezondheid getoetst. Daarnaast worden residunormen voor gewassen vastgesteld die alle bevolkingsgroepen moeten beschermen. Deze normen worden elke tien jaar geëvalueerd. Wat mij betreft is deze motie overbodig. Ik ontraad haar daarom.

De voorzitter: Is het oordeel Kamer of ontraadt u de motie?

Staatssecretaris Mansveld: Wat mij betreft is de motie overbodig en dus ontraad ik haar.

(...)

De voorzitter: Hiermee zijn wij gekomen aan het einde … Dat dacht ik, maar mevrouw Ouwehand wil nog iets vragen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Mevrouw Ouwehand gaat nog even zeggen dat zij haar moties op stukken nrs. 164, 165, 166 en 167 onder protest aanhoudt.

De voorzitter: Op verzoek van mevrouw Ouwehand stel ik voor, haar moties (27858, nrs. 164, 165, 166 en 167) aan te houden.