Bijdrage Ouwehand Monde­linge Vragen over ‘groen licht gasop­slag’


17 mei 2011

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. De minister van EL&I heeft plannen met de Bergermeerpolder, een beschermd natuurgebied. Het gebied moet een ondergrondse container voor Russisch gas worden. Dat gas wordt in de grond gepompt en er weer uitgehaald om te verkopen aan de Britse industrie. Die plannen zijn zeer omstreden. De bewoners van Bergen en Alkmaar hebben grote bezwaren tegen de aantasting van hun omgeving en de gevaren die door deze gasopslag kunnen ontstaan. Het gaat om een veld met seismische activiteit. Ook de Kamer heeft kritische vragen over het plan, de onderbouwing, de veiligheidsrisico's en de procedure. Na een hoorzitting met experts heeft de Kamer haar zorgen geuit over die risico's. Wij vroegen om extra onderzoek en drukten de minister op het hart om geen besluit te nemen voordat de Kamer zich over de uitkomsten had kunnen buigen. Dat gold ook voor het Gas Storage Agreement, waar mogelijk al in augustus 2009 vergaande afspraken over zijn gemaakt. De Kamer wil die kunnen controleren. De minister zegde toe dat hij de stukken naar de Kamer zou sturen voordat hij verder zou gaan met zijn besluit. Die stukken hebben wij niet gezien, maar wel een bericht van de rijksoverheid hedenmorgen: groen licht voor gasopslag Bergermeer. De minister heeft het definitieve inpassingsplan getekend. De minister moet uitleggen wat de status van dit besluit is. Kan hij er nog op terugkomen als de Kamer anders besluit? Is het waar dat de besluiten al op 29 april getekend zijn? Is het waar dat het betreffende onderzoek pas op 3 mei in de afrondende fase zat?

Minister Verhagen: Voorzitter. Over de gasopslag en de gasrotonde hebben wij meerdere malen met de Kamer gesproken. Wij hebben daarin steeds kunnen rekenen op een meerderheid in de Tweede Kamer. De weg die wij ten aanzien van Bergermeer bewandelen is geheel conform de lijn die wij in het algemeen overleg van 30 maart gevolgd hebben en de schriftelijke reactie die de Kamer op 5 en 18 april jongstleden heeft ontvangen. In het rapport van TNO en KNMI zijn alle door de Kamer genoemde punten meegenomen. Het is officieel 3 mei jongstleden gedateerd en toen vrijgekomen. Het woord "definitief" dat mevrouw Ouwehand gebruikt, is niet juist. Er is geen definitief besluit. Wij zitten in een traject waarin je bepaalde besluiten neemt waartegen beroep kan worden ingesteld. Ik heb het onderzoek willen afwachten voordat ik het eerste besluit zou nemen.

In de loop van mei zouden de besluiten ter inzage gelegd worden. Het was de bedoeling om 19 mei het besluit te publiceren in de Staatscourant. De rapporten zouden dan meteen ter inzage worden gelegd. Er is op 17 mei een klein bericht in een lokale krant verschenen. Op het moment dat je besluiten bekend wilt maken, kun je verwachten dat ze in de krant komen. Soms gebeurt dat een paar dagen eerder. Daarom hebben wij vandaag besloten het persbericht uit te geven dat ik voornemens was om op 19 mei het besluit in de Staatscourant af te drukken, zoals het hoort. De rapportage ligt dan ter inzage voor een periode van zes weken, waarna de volgende beroepen door de Raad van State worden behandeld.

Pas daarna, wanneer die beroepen zijn behandeld en al dan niet aanleiding geven tot wijziging van het besluit, wordt het besluit onherroepelijk. De definitieve besluitvorming waarnaar mevrouw Ouwehand verwijst, heeft dus niet plaatsgevonden.

De voorzitter: Mevrouw Ouwehand, uw vervolgvragen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Het is saillant dat de minister geen antwoord geeft op de vraag of het klopt dat hij het besluit op 29 april heeft ondertekend, dus voordat het onderzoek in zijn eigen handen lag en sowieso voordat de Kamer het onderzoek heeft gekregen. Daar heeft de Kamer om gevraagd en de minister heeft toegezegd dat hij niets zou besluiten voordat de Kamer daarover heeft kunnen spreken. Het bericht dat de minister heeft laten uitgaan, maakt wel degelijk melding van een definitief inpassingsplan. Dat heb ik dus niet zelf verzonnen. Het zou prachtig zijn als de minister hier zou kunnen zeggen dat het bericht over "groen licht voor gasopslag Bergermeer" iets te sterk is uitgedrukt omdat wij het er nog over moeten hebben en omdat hij de beraadslaging met de Kamer nog zorgvuldig aangaat. Dat is echter niet wat de minister suggereert. Mijn concrete vraag is of op die handtekening al op 29 april stond onder dat besluit waarover wij in de Kamer nog met de minister van gedachten kunnen wisselen en wat dus de status is van het besluit dat hij zojuist heeft genomen.

Minister Verhagen: In de week van 25 april heb ik de uitkomsten van het betreffende rapport gekregen, op 25 april. Daarmee heb ik uiteraard rekening gehouden bij de besluitvorming op 29 april waar mevrouw Ouwehand naar verwijst. De finale, gedrukte versie van het KNMI/TNO-rapport is gedateerd op 3 mei, maar die versie bevat geen enkel inhoudelijk verschil ten opzichte van de versie die ik op 25 april heb ontvangen. Voor het ter inzage leggen van een groot aantal besluiten is gewoon een normale procedure afgesproken. Dat betekent dat het ondertekenen van de besluiten ruim daarvoor moet plaatsvinden, juist om inzage en het op een normale manier voeren van beroepsprocedures mogelijk te maken. Ik wijs de suggestie van de hand dat ik in het algemeen overleg toezeggingen heb gedaan die ik nu niet nakom. Tijdens het algemeen overleg van 30 maart en de schriftelijke beantwoording die naar aanleiding daarvan heeft plaatsgevonden, heb ik aangegeven dat ik vanwege financiële schade, reputatieschade en de risico's voor de voorzieningszekerheid hecht aan zorgvuldigheid maar tegelijkertijd ook aan voortvarendheid in het project. Ik heb ook aangegeven dat de besluitvorming verder in gang gezet kan en zal worden na afronding van het stuk van het KNMI en dat ik verwachtte dat ik alle besluiten in de loop van mei ter inzage zou leggen. De Kamer heeft naar aanleiding van de schriftelijke rapportage van 5 april en van 18 april verder geen opmerkingen gemaakt. Vandaar dat ik de besluitvorming op de huidige wijze heb laten plaatsvinden. Ik zal het Gas storage agreement de komende week overigens nog vertrouwelijk ter inzage leggen voor de Kamer.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): De vraag blijft of de minister de Kamer tijdig de stukken heeft gestuurd waarom zij heeft gevraagd en of hij zich tot die tijd heeft onthouden van definitieve stappen. De vraag is nog steeds of er op 29 april is ondertekend.

Minister Verhagen: Ja.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Goed, dan weten we dat. De minister zegt dat hij het rapport op 25 april heeft gekregen. Dan vraag ik mij af waarom in de brief aan de Kamer op 26 april met geen woord wordt ingegaan op dat rapport. De Kamer heeft daar natuurlijk niet voor niets om gevraagd. Zij heeft niet alleen gevraagd of de minister alstublieft nog eens naar de risico's wil kijken. Nee, we willen daar ook ons eigen oordeel over kunnen vormen. Waarom heeft de minister de Kamer daartoe dus niet in de gelegenheid gesteld voordat hij zijn handtekening zette?

Minister Verhagen: Ik heb aangegeven dat ik de nulmeting in het stuk van het KNMI beschikbaar zal stellen alvorens de besluitvorming af te ronden. Om te beginnen hebben we ook de hele discussie en de procedure over beroep. Het verschil komt door uw opvatting dat er nu een definitief besluit is. Als dat zo zou zijn, zou er helemaal geen beroepsmogelijkheid meer zijn, zou het niet ter inzage gelegd moeten worden en zouden de daarop komende reacties niet meegenomen kunnen worden in de verschillende besluiten.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Het gaat nu om de Kamer. Het gaat erom of de Kamer hier nog iets aan kan doen en niet of de belanghebbenden nog inspraak hebben in het vervolgtraject.

Minister Verhagen: We hebben hier uitvoerig over gesproken. Ik heb een aantal toezeggingen gedaan, ook gelet op de discussie. Op basis van het verzoek was er zowel de nulmeting als de rapportage van het KNMI en TNO. Die toezeggingen ben ik nagekomen. Op basis daarvan heb ik ook in de Kamer gemeld dat ik de verdere besluitvorming voortvarend ter hand zou nemen. Dat is niets anders dan wat in de brieven en in het algemeen overleg met u is gewisseld. Ik heb dus niet toegezegd om de Kamer nog iets te sturen. Het TNO-onderzoek is naar de belanghebbenden gegaan voordat het in de Staatscourant staat.

De voorzitter: Nog één zin, mevrouw Ouwehand.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik heb expliciet gevraagd of de minister kon toezeggen dat er geen stappen zouden worden gezet voordat de risico's bekend zouden zijn en de Kamer daarover zou kunnen spreken. De minister zei: dat moet inderdaad daarvoor gebeuren. Wat hij nu suggereert, is een woordspelletje en daar ben ik niet van gecharmeerd.

Minister Verhagen: Voorzitter, ik maak hier formeel bezwaar tegen. Dit heeft niets te maken met woordspelletjes. Voordat de besluitvorming definitief is, weet iedere belanghebbende waar hij aan toe is en kan hij beroep aantekenen bij de Raad van State. Dat is een normale procedure, waarbij ook de stukken op een normale wijze ter inzage worden gelegd. Als hier gesuggereerd wordt dat ik spelletjes speel terwijl ik buitengewoon zorgvuldig heb geopereerd, wijs ik dat fel van de hand.

De heer Samsom (PvdA): De minister doet zijn werk en wil een voortvarend besluit nemen. Dat heeft hij aangekondigd. Hij heeft dat niet onder stoelen of banken gestoken.

De minister moet echter ook de Kamer in staat stellen om haar werk te doen en anders doet de Kamer dat zelf wel. De Kamer heeft dat rapport ter inzage gekregen, iets -- dus niet ver -- voor 20 mei. Na deze datum is er alleen nog maar beroep mogelijk. Dan kunnen de Raad van State en de rechtsstaat hun gang gaan, maar is de politieke discussie afgerond. Stel dat de Kamer naar aanleiding van het KNMI-rapport -- ik heb dat nog niet eens tot in de laatste details kunnen doorgronden vanwege het korte tijdsbestek -- met de minister van gedachten wil wisselen om nog een laatste wijziging aan te brengen in het besluit dat hij zou gaan nemen. Kan dat nog na 20 mei? Kan de minister zelf zijn eigen besluit, afgedrukt in de Staatscourant, nog wijzigen?

Minister Verhagen: Op basis van hetgeen wij hebben besproken in het algemeen overleg en hetgeen ik de Kamer schriftelijk heb laten weten in mijn brieven van 5 en 18 april, ging ik ervan uit dat ik tegemoetgekomen was aan de wensen van de Kamer. Het rapport van het KNMI heeft geen nieuw licht op de zaak geworpen, gezien het debat dat wij eerder hebben gevoerd. Ik mocht ervan uitgaan, mede omdat de Kamer niet meer heeft gereageerd op de brieven van 5 en 18 april, dat ik geheel in lijn met de instemming die geconditioneerd gegeven was tot deze besluitvorming kon komen. Zo heb ik het althans opgevat, zeer nadrukkelijk.

De voorzitter: Dank u wel voor uw beantwoording, minister.