Bijdrage Ouwehand Debat Wijziging Wet gewas­be­scher­mings­mid­delen en biociden (land­bouwgif)


9 februari 2011

Bekijk de bijdrage via debatgemist.nl

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Nederland is een uniek landje. We liggen aan zee. We hebben wereldberoemde bollenvelden en we zijn een waterland. Op zichzelf is daar natuurlijk niets mis mee, maar als je de boel gaat bekijken in de wetenschap dat we in onze landbouw nogal wat bestrijdingsmiddelen gebruiken, wordt dat wel een ander verhaal. Middelen kunnen hier gemakkelijker verwaaien en er is sprake van langdurige blootstelling voor degenen die rondom percelen wonen die al jarenlang op dezelfde plek liggen en in gebruik zijn. Dat is misschien ook anders dan in andere landen. Bovendien hebben we hier veel oppervlaktewater dat we ook graag zouden willen drinken en het liefst een beetje schoon. Dan denk je: als we hier bestrijdingsmiddelen willen gebruiken, is dat misschien niet zo verstandig en moeten we daar misschien voorzichtig mee zijn. Het tegengestelde is echter het geval. Nederland is kampioen gifspuiten. Het enige waar onze overheid voorzichtig mee lijkt te willen zijn, is het kiezen van de woorden die ze gebruikt als het gaat over bestrijdingsmiddelen. Die moeten we van de chemische industrie, die hier veel geld aan verdient, namelijk gewasbeschermingsmiddelen noemen. Dat klinkt minder erg.

Aan zo'n positieve framing doet de Partij voor de Dieren niet mee. We spreken vandaag over een wetsvoorstel dat officieel heet Wijziging wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Bij ons op de fractie noemen we het gewoon de wet gif. Het lijkt hierbij te gaan om een simpele wijziging van een Nederlandse wet om Europese regels te implementeren. Het stond ook gewoon als hamerstuk op de agenda. Dus je zou denken: niets bijzonders. Maar dat is niet zo. Er is veel meer aan de hand dan implementatie. Vandaar ook dat de Partij voor de Dieren heeft verzocht om het niet als hamerstuk te agenderen maar om er over te debatteren. Vandaar ook een relatief ruime spreektijd voor mijn fractie vandaag. Ik ben blij dat meerdere woordvoerders zullen meedebatteren over de wijziging.

Met het hoge gebruik van bestrijdingsmiddelen schiet de Nederlandse landbouw in haar eigen voet, zei een wetenschapper de vorige week op de radio. Daarin heeft hij natuurlijk groot gelijk. Nederland kent het hoogste gifgebruik in de wereld. Naast de intensieve veehouderij is Nederland vooral goed in teelten die verschrikkelijk afhankelijk zijn gemaakt van een hoog gebruik van chemische middelen. Ik noem de bollenteelt, de glastuinbouw en de fruit- en uienteelt: alle compleet verslaafd aan enorme hoeveelheden zeer toxische middelen. Het hoge gifgebruik trekt een zware wissel op de leefomgeving van mensen en dieren en daardoor op de biodiversiteit en de volksgezondheid. Op termijn brengt dit dus ook de landbouw zelf in grote problemen.
Daarom nu even een korte duiding van de context waarin wij deze wetswijziging bespreken. De enorme hoeveelheden landbouwgif die in Nederland worden gebruikt, zorgen voor een achteruitholling van onze biodiversiteit. Daar zijn talloze alarmerende rapporten over verschenen. Een onderzoeksproject van negen Europese universiteiten concludeert al dat verdubbeling van de reguliere agrarische productie in een bepaald gebied leidt tot een halvering van het aantal wildeplantensoorten. Een halvering!

Een andere conclusie van dat onderzoek is, dat het negatieve effect van bestrijdingsmiddelen in de akkerbouw op de biodiversiteit doorslaggevend en blijvend is. Voor vogels geldt dat het grote gebruik aan middelen de hoeveelheid en de verscheidenheid aan planten en insecten op de akkers sterkt terugbrengt. Zo blijft er voor de vogels minder te eten over. Boerenlandvogels kunnen dus bijna niet meer overleven op onze akkers. Er brengen ook minder vogels de winter door in Nederland. Dat is zeer verontrustend, gezien de achteruitgang van de biodiversiteit waarover we internationale afspraken hebben gemaakt. Die afspraken waren al niet zo ambitieus; die zijn alleen maar bedoeld geweest -- vorig jaar had dat moeten gebeuren -- om de achteruitgang, het verlies van plant- en diersoorten te stoppen. Niet eens herstel, niet eens zorgen dat er meer biodiversiteit komt, nee, zorgen dat het voortdurende verlies een keertje ophoudt.
We hebben dat niet gehaald. Dat zijn dan papieren ambities. We hebben hierover ook niets gelezen in het wetsvoorstel.

De Partij voor de Dieren vraagt zich af: als je doelstellingen formuleert voor behoud en herstel van biodiversiteit en je produceert een mooie kleurenfolder, wat zijn die ambities dan waard, als je bij plannen waar je echt iets kunt doen, zoals gewasbeschermingsmiddelen of bestrijdingsmiddelen, als er regelgeving voorbijkomt, niet ook een stap maakt om die ambities waar te maken. Obligate ambities, daar kopen we helemaal niets voor. De onderzoekers stellen ook dat de afname van de biodiversiteit als gevolg van het gebruik van insecticiden en fungiciden de mogelijkheden voor biologische bestrijding doet afnemen. Met andere woorden, we helpen alle slimme helpers van de boeren om zeep, omdat we blijkbaar liever loyale fans blijven van de chemische industrie. Dat is onvoorstelbaar dom, want biodiversiteit is van levensbelang voor onze voedselvoorziening. Deze is ook nog eens gratis, maar vergis je niet, als we de diensten die de natuur ons gratis levert, kapotmaken, zoals we nu op grote schaal en in een ijzingwekkend tempo aan het doen zijn, zullen we de hoogste prijs moeten betalen. Het gaat wereldwijd slecht met de insecten. Vooral in gebieden met intensieve landbouw is de insectensterfte hoog. Vooral het landbouwgif van de groep neonicotinoïden, zoals imidacloprid, draagt bij aan de enorme sterfte. Dat is een extreem giftig bestrijdingsmiddel, dat het zenuwstelsel van insecten aantast. Dit type gif is bij uitstek geschikt voor het uitroeien van insecten die in kolonies leven, zoals muggen, bijen, hommels en mieren. Het is een systemische insecticide, zoals dat heet. Het wordt door de plant zelf opgenomen, omdat het zaadje al in een giftige coating is gedompeld, en het wordt ook uitgestoten door de plant. Het middel maakt de hele plant giftig, dus ook het stuifmeel en de nectar waarmee de bestuivende insecten de larven in hun nest voeden. Dit middel is volgens wetenschappers daardoor mogelijk nog kwalijker dan DDT, dat in de jaren zestig werd verboden vanwege zijn grote giftigheid. Ondanks alle oproepen tot een verbod van deze middelen en ondanks het goede voorbeeld van Frankrijk en Italië in dit opzicht gebruiken steeds meer groente- en fruittelers en akkerbouwers neonicotinoïden op hun gewassen. Vanaf 2004 is het gebruik explosief gestegen. Intussen gaat de bijenstand zorgwekkend snel achteruit. Niet alleen natuurwetenschappers maken zich zorgen over de bij, ook de economen van nota bene de Rabobank trekken in een rapport aan de bel. Zelfs de EU dringt aan op maatregelen.

Als we niet snel drastische maatregelen nemen, zullen we onze gewassen binnenkort met een kwastje moeten bestuiven, want zonder bijen geen fruit, nauwelijks groente en geen bloemen, dat weet ieder kind. Einstein voorspelde dat als de bij uitsterft, de mensheid nog een jaar of vier te gaan heeft. Wanneer gaat onze overheid de gevaren van het verlies aan biodiversiteit, van de natuurlijke processen waarvan we met z'n allen volledig afhankelijk zijn, serieus nemen? Met welke arrogantie denkt dit kabinet dat we wel even al het leven kunnen blijven wegspuiten en vertrappen, op de manier zoals we nu doen, en kunnen blijven doen alsof we ook wel zonder kunnen? Begin dit jaar is er een internationale petitie gelanceerd die oproept tot een verbod van pesticiden die gevaarlijk zijn voor honingbijen. Een week na de start van die petitie hadden al meer dan een miljoen mensen een handtekening gezet. Eerder had een Nederlandse petitie die oproept tot een verbod op neonicotinoïden in no time al 40.000 handtekeningen verzameld. De partijen die hier aan de macht zijn, blijven echter pal achter producenten als Bayer staan. Zij denken er niet aan de ecologische waarschuwingssignalen serieus te nemen. Ik vraag mij echt af waarom. We hebben vele, vele vragen gesteld, dus een aantal non-antwoorden zijn bekend. De link tussen de voortgaande, onrustbarende bijensterfte en deze neonicotinoïden zou niet bewezen zijn. De toelatingsprocedure zou hier rekening mee houden. Bijensterfte zou te wijten zijn aan de varroamijt en aan de beperkte drachtmogelijkheden van de bij.

Dat laatste is natuurlijk waar, maar dat is niet het hele verhaal. Bijen worden dermate verzwakt door het gebruik van die superinsecticiden dat zij ziekten en plagen niet meer kunnen afweren, maar er juist extra bevattelijk voor worden. Om het in Q-koortstermen te zeggen, er is sprake van onderliggend lijden. Waar miljoenen bijen sterven aan schimmels en plagen, is duidelijk dat er meer aan de hand is, dat er onderliggende oorzaken zijn van die sterfte. Graag een andere reactie dan: we zijn onderzoek aan het doen. Er is onderzoek gedaan en wetenschappers hebben hun conclusies getrokken. Ik noem Apimondia, het grootste bijencongres ter wereld, waar in 2009 veel aandacht was voor de wereldwijd toenemende bijensterfte. De experts waren het eens, bijensterfte is afhankelijk van verschillende factoren en neonicotinoïden zijn een van de hoofdoorzaken. Het is een samenstel van varroa, monoculturen, dus veel te eenzijdige gewasbeplanting en een te eenzijdig stuifmeel dat daarvan het gevolg is, imkerpraktijken, de wereldmarkt van bijenkoninginnen waardoor genen van bijen worden geïntroduceerd die niet aan lokale omstandigheden zijn aangepast, watergebrek, virussen en schimmels èn chronische blootstelling aan pesticiden. Dit laatste is volgens de onderzoekers een belangrijke oorzaak van de bijensterfte. Vooral in intensieve landbouwgebieden vormt het huidige gebruik van neonicotinoïden een duidelijke verklaring voor de verhoogde bijensterfte in die gebieden. Meermalen is aangetoond dat deze middelen de navigatie van bijen verstoren waardoor zij de kast niet kunnen terugvinden. Dat type effecten wordt in de Verenigde Staten en in Europa in de huidige risicobeoordeling bij de toelating van bestrijdingsmiddelen niet meegenomen. Waarom eigenlijk niet?

Het hoge gebruik van gif in de landbouw en trouwens ook op onze straten en in onze tuinen, getuigt van een zeer kortetermijnperspectief. In de uitzending van Zembla over gif in de Bollenstreek zagen wij al een deel van dit probleem treffend in kaart gebracht. Wij hebben van onze teelten een soort intensive care gemaakt met kwetsbare kasplantjes die zo ver zijn doorgeteeld dat zij simpelweg niet kunnen overleven zonder een enorme lading beschermingsmiddelen. Net als in ziekenhuizen moet je met deze beschermingsmiddelen goed oppassen om geen resistenties te veroorzaken met alle gevolgen van dien. Ons hoge gebruik van gif is kortom zeer contraproductief, de nuttige insecten worden uitgeroeid, het onkruid en de plagen worden resistent en het platteland wordt steeds eentoniger en steeds stiller. Krijgen wij binnenkort weer een silent spring? Daar lijkt het wel op. Het is tijd om in te grijpen. Zouden wij dat niet doen om onze biodiversiteit te beschermen, dan wel om onze eigen gezondheid te waarborgen, want dat gif is niet alleen enorm schadelijk voor insecten en daarmee voor vogels, het is dat ook voor ons. De mens kan langs een aantal routes te maken krijgen met de schadelijke effecten van bestrijdingsmiddelen. Ten eerste via ons drinkwater. In Nederland is de kwaliteit van het drinkwater zeer hoog, maar het is de vraag of wij dit op lange termijn kunnen volhouden. Door het hoge gebruik van chemische middelen, niet alleen in de landbouw, maar ook op bestratingen en in particuliere tuinen, neemt de vervuiling van ons oppervlaktewater toe. Veel van ons drinkwater wordt uit oppervlaktewater geproduceerd, maar de productie van veilig drinkwater komt steeds meer in gevaar. Het onkruidbestrijdingsmiddel glycosaat geldt al jaren als probleemstof nummer één voor de bereiding van drinkwater uit Maaswater. In 2006 constateerde RIWA-Maas al dat de drinkwaternorm voor deze stof op bijna alle locaties in het Maasstroomgebied regelmatig en soms schrikbarend wordt overschreden. Een deel van deze vervuiling komt uit het buitenland, maar voor een ander deel zijn wij echt zelf verantwoordelijk. Ook voor andere stoffen wordt de drinkwaternorm voortdurend overschreden en vaak ook fors.

De voorliggende wetswijziging schrapt de verplichting om voordat een bestrijdingsmiddel voor gebruik wordt toegelaten, te bekijken of het is terug te vinden in het oppervlaktewater. Als een bestrijdingsmiddel in een ander Europees land is toegelaten, dan geldt die toelating ook in ons land. Bestrijdingsmiddelen verwaaien en spoelen door regen en beregening van de akkers uit en komen zo in het oppervlakte- en grondwater terecht. Om te voorkomen dat die uitgespoelde bestrijdingsmiddelen in de natuur terechtkomen en schade kunnen veroorzaken, zijn in andere landen spuitvrije zones ingesteld. In Nederland is dat nauwelijks werkbaar door de hoeveelheid waterwegen en de manier waarop alle sloten, kanalen en rivieren met elkaar in verbinding staan. Door spuitvrije zones zou er gewoonweg geen landbouw meer mogelijk zijn in Nederland, hoorden wij al vaker. Daarom is in Nederland gekozen voor een ander systeem. Bij toelating, bij het besluit of een landbouwgif op de markt mag worden gebracht, wordt vooraf getoetst aan het maximaal toelaatbare risiconiveau, een getal dat aangeeft hoeveel van een bestrijdingsmiddel ten hoogste in het oppervlaktewater aanwezig mag zijn om geen schade aan flora en fauna toe te brengen. Dit getal wordt voor ieder bestrijdingsmiddel vastgesteld en als dit nog niet door Europa wordt gedaan, dan wordt het in ieder geval in Nederland gedaan. De wetswijziging die wij vandaag bespreken, zal daarin verandering brengen. Er hoeft dan niet meer vooraf gekeken te worden of de toelating van een middel zal leiden tot overschrijding van het maximaal toelaatbare risiconiveau. Een overschrijding zal pas achteraf door de waterschappen moeten worden geconstateerd.
Die waterschappen maken zich daarover grote zorgen, geef in de bewindslieden mee,. Zij hebben gewaarschuwd voor de grote gevolgen die het schrappen van die artikelen zal hebben voor de waterkwaliteit in Nederland en ook het kabinet heeft in antwoord op onze eerdere, schriftelijke vragen al laten weten dat het bijna niet mogelijk is om achteraf vast te stellen wie verantwoordelijk is geweest voor die overschrijding.

Ik heb daarom een amendement voorbereid dat regelt dat de watertoets wordt gehandhaafd in ons systeem voor de toelating van bestrijdingsmiddelen. Ik hoop van harte dat het kabinet deze mogelijkheid overeind zal houden en het amendement dus zal omarmen. Dan nog vinden wij dat de mogelijkheden om ons drinkwater te beschermen onvoldoende zijn. Ik vraag de staatssecretaris daarom de wettelijke bescherming van drinkwatergebieden te regelen. Binnen deze zones moeten wij maatregelen kunnen treffen, zoals het instellen van brede spuitvrije zones, een verbod op het gebruik van bestrijdingsmiddelen, een verbod op verhardingen, het stimuleren van toepassingen van emissiereducerende maatregelen en een monitoringsprogramma. Zijn de staatssecretarissen bereid om deze voorstellen over te nemen? Ik overweeg een motie op dit punt.

Dan nu de tweede route waarlangs mensen in contact kunnen komen met gevaarlijk landbouwgif: de residuen op onze groente en fruit. In de Weet wat je eet gifmeter van 2010 werd opnieuw een groot aantal normoverschrijdingen geconstateerd bij groente en fruit in de supermarkten. Een deel was import, maar ook de Nederlandse producten ontsprongen de dans niet. Nederlandse aardbeien, appels, peren en sla zijn regelmatig zelfs ernstiger vervuild dan dezelfde producten uit het buitenland. Laatst hebben wij kunnen lezen dat zelfs Rusland zegt: producten uit Nederland zijn te vaak te smerig. De Russen hebben daarom aangedrongen op steviger controle. Ik zie dat de PVV-fractie niet bij dit debat aanwezig is, maar je zou bijna zeggen: Veel gekker moet het niet worden in dit land! Het is toch zeker de eer te na van de staatssecretarissen dat wij van Rusland het signaal moeten krijgen dat wij in onze landbouw schoner en beter moeten gaan werken.

De heer Koopmans (CDA): Dergelijke opmerkingen zijn inderdaad wel eens door Rusland gemaakt. Heeft mevrouw Ouwehand ook wel eens bedacht dat die opmerkingen ook gemaakt zouden kunnen worden om Russische marktbelangen te beschermen?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik sluit helemaal niets uit. Ik vond het gewoon een erg opvallend bericht.
De heer Koopmans (CDA): Dan verzoek ik mevrouw Ouwehand om zich hierin te verdiepen, want er zijn tal van voorbeelden dat Rusland opmerkingen maakt louter en alleen om zijn markt te beschermen. Rusland stelt zelf overigens veel minder strenge eisen. Zij vinden het gewoon fijn om prachtige Nederlandse producten met een volstrekt onredelijke eis de deur te wijzen! Daarom is het ook zo goed dat oud-minister Veerman, oud-minister Verburg en staatssecretaris Bleker regelmatig aan de Russische deur kloppen om Rusland te wijzen op tekortkomingen in zijn toelatingsbeleid.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Het is toch wel een grappig debat door de bochten waarin het kabinet zich dwingt om er maar voor te zorgen dat de Russen niet alleen onze groente en fruit, maar ook onze vlees- en landbouwproducten in brede zin toelaten. Ik constateer dat de Russische voedselautoriteit heeft gezegd dat 18,2% van groente en fruit uit Nederland te zwaar vervuild is. Als ik dat koppel aan onze eigen gifmetingen, dan blijft het een opmerkelijk bericht.

Voorzitter. De derde route. Tijdens het spuiten zelf zijn er ook risico's voor de volksgezondheid. Dat weten wij natuurlijk ook wel, want de gebruiker moet zich natuurlijk tijdens het spuiten niet voor niets beschermen met mondkapjes en dergelijke. Voor omwonenden van een veel bespoten bollenveld is er niets geregeld. Zijn of haar gezondheid wordt niet eens meegenomen bij de besluitvorming over de toelating tot de markt van een nieuw landbouwgif. Ik heb hierover al twee keer eerder met een staatssecretaris van Landbouw van gedachten gewisseld, maar een helder antwoord blijft uit. De brief die de Kamer zo voortvarend werd toegezegd, deed er ook wel erg lang over om de Kamer te bereiken. En dan nog: hij is niet geschreven door de minister van Volksgezondheid, ook al heb ik daar expliciet om gevraagd. Ik wil weten waarom zij hierbij niet betrokken is. De oproep van de wetenschappers in de Zembla-uitzending laat zien dat het de hoogste tijd is voor grootschalig gezondheidsonderzoek. Wij lopen tien jaar achter in onze toelatingsprocedures op de huidige wetenschappelijke kennis. Wij moeten er met andere woorden gewoon voor gaan zorgen dat wij mensen niet onnodig blootstellen aan gevaarlijk landbouwgif. Ik krijg graag alsnog een reactie van de minister van Volksgezondheid op deze problematiek. Waarom kan dat toch niet? Kunnen deze staatssecretaris daar misschien alvast hun licht over laten schijnen?

Erkend wordt dat het ongewenst is dat het risico voor omwonenden niet wordt meegenomen in de toetsing. Tegelijkertijd verwijst men wel naar Europese besluitvorming op dat punt. Ik begrijp dat niet. Als je erkent dat het risico voor omwonenden nu niet in de toetsing zit en als je erkent dat hieraan gevaren kleven, dan zou je, als je het Europees wilt regelen, in elk geval een moratorium moeten instellen op nieuwe toelatingen totdat die toetsing wel in orde is. Dat geldt ook voor datgene wat ons eigen toetsingscollege, het Ctgb, erkent, namelijk dat op dit moment niet wordt gekeken naar de effecten van de stapeling van gifmengsels, de zogenaamde mengseltoxiciteit. Zolang dat niet in de beoordeling zit, kunnen wij geen nieuwe middelen toelaten. Ik vraag de staatssecretarissen opnieuw om een toezegging. Ik overweeg een motie op dat punt. Verder vind ik dat de middelen die op dit moment al zijn toegelaten op de markt opnieuw moeten worden beoordeeld op die twee punten. Ook daarover heb ik een motie in voorbereiding.

Zoals ik zojuist heb betoogd, is de situatie van Nederland uniek: het hoogste gifgebruik ter wereld, iets waarop wij niet trots hoeven te zijn, heel erg veel oppervlaktewater dat wij ook nog graag willen gebruiken als drinkwater en een zeer intensieve akkerbouwsector die inderdaad graag tot in de slootkanten wil telen en dus spuiten. Dat vereist specifieke maatregelen die ons en onze leefomgeving beschermen tegen de kwalijke gevolgen die dit gifgebruik met zich kan meebrengen. Dat vereist ook een toelatingsinstantie die haar burgers en hun leefomgeving serieus neemt en in elk geval de wettelijk geregelde mogelijkheid heeft om voor de specifieke Nederlandse situatie te toetsen op het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Met het wetsvoorstel dat wij vandaag bespreken wordt geprobeerd om het bestrijdingsmiddelenbeleid Europees strak te trekken: harmonisatie. Dat kan niet; wij zullen voor onze eigen situatie moeten beoordelen wat de risico's precies zijn. In dit licht wil ik opgemerkt hebben dat ik de rol van ons eigen College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden bijzonder opmerkelijk vind. Kan de staatssecretaris van Landbouw bevestigen dat dit college er is om een beoordeling te maken van de veiligheid en risico's van bestrijdingsmiddelen en niet om op eigen houtje te bedenken wat markttechnisch gezien het handigste zou zijn? Tijdens het rondetafelgesprek viel ik bijna van mijn stoel toen ik het college hoorde pleiten voor het snellen van nationale koppen. Dat zou administratief allemaal ongelukkig zijn en onze marktpositie in de weg zitten. Daar zijn zij niet voor, voorzitter. Wij moeten op hen kunnen vertrouwen als het gaat om de veiligheidsbeoordeling. Wat moet ik er nu van denken dat zo'n college zelfstandig zegt dat het ook wel wat minder kan omdat onze concurrentiepositie anders in gevaar komt? Hebben wij daar wel de juiste mensen zitten? Die vraag wilde ik maar even gesteld hebben.

Mijn fractie is niet blij met de Europese regels die in dit wetsvoorstel worden geïmplementeerd. Zonale toelating, een van de systemen die nu worden voorgesteld, is naar de mening van de Partij voor de Dieren veel te grof om goed rekening te houden met de specifieke kenmerken van de plaats van bestemming van het landbouwgif. Hoewel de richtlijn ruimte laat om specifieke kenmerken van bijvoorbeeld kwetsbare gebieden mee te nemen en daarvoor aanvullende nationale regels te stellen, vragen wij ons af wat wij daarvan in de praktijk zullen merken. Nederland wordt straks gedwongen om toelatingen van andere toelatingsinstanties binnen onze zone te accepteren, terwijl die niet gekeken zullen hebben naar de specifiek Nederlandse situatie. Ik wil graag precies weten wat ons College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden in zo'n situatie zal doen. Hoe wordt zo'n toelating beoordeeld? Hoe wordt beoordeeld of het niet nodig of wenselijk is dat wij in Nederland aanvullende gebruiksvoorschriften hanteren? Op welke basis kunnen wij de toelating alsnog weigeren? Ik kom bij het schrappen van de regeltjes die ervoor bedoeld waren om onze gezondheid en die van onze leefomgeving te garanderen. Ik geef een paar voorbeelden. De staatssecretarissen mogen ze natuurlijk aanvullen, mochten zij daar zin in hebben. Over de watertoets heb ik het gehad. Dat zou volgens ons college gaan om een nationale kop die gesneld moet worden. Dat is niet waar, zo vertellen mij welingelichte bronnen. Het terugplaatsen van deze bepaling in de wet, waarvoor ik een amendement heb ingediend, was inderdaad heel moeilijk. Het is gewoon een voorgeschreven bepaling in de verordening dat er wordt getoetst aan de gevolgen voor drinkwater. Dat andere lidstaten die niet goed hebben geïmplementeerd en dus niet uitvoeren, kan waar zijn. Dat is natuurlijk geen reden voor ons om ons niet aan de voorschriften te houden. Verder valt mij op dat er nauwelijks meer regels worden gesteld aan de verkopers en adviseurs van bestrijdingsmiddelen. Graag krijg ik meer inzicht in de plannen voor het verplichte nationale actieplan dat wij in 2012 moeten indienen. Welke ideeën, ambities en doelen worden daarin vastgelegd? Welke concrete streefcijfers, kwantitatieve doelstellingen en maatregelen worden hierin opgenomen? Op welke manier zal dit actieplan verband houden met de stroomgebiedbeheersplannen onder de Kaderrichtlijn Water?
Wat nu voorligt is veel meer dan een relatief simpele implementatie van Europese regels, al wil het kabinet anders doen vermoeden. Wat nu voorligt is de afbraak van ons beleid om de leefomgeving en de volksgezondheid te beschermen tegen de schadelijke gevolgen van gif. Dat lijkt de fractie van de Partij voor de Dieren niet de bedoeling.

Ik heb een aantal amendementen ingediend. Ik heb zojuist de watertoets genoemd. Ik heb een amendement ingediend voor een verplichte toetsing van de effecten op omwonenden bij de toelating. Graag krijg ik daarop een reactie. In een aantal bepalingen van de nu voorliggende wetswijziging staat dat er regels gesteld kunnen worden. Het lijkt ons wenselijk dat op een aantal gebieden daadwerkelijk regels van kracht worden. De staatssecretaris kan een amendement op dat punt tegemoet zien. Tot slot noem ik een amendement voor een verbod op het spuiten van gif in openbare ruimten waar kwetsbare groepen of een breed publiek kan komen. Allereerst denken wij daarbij aan speelpleinen, maar ook aan parkjes en sportparken. Een aantal andere landen kent al een dergelijk verbod. De gevaren van bestrijdingsmiddelen zijn bekend. Als iemand van de gemeente spuit, moet hij zichzelf beschermen, maar de kinderen die vervolgens een potje willen knikkeren op een zojuist bespoten plein zijn nergens tegen beschermd. In België is al geregeld dat een aantal gemeenten onkruid spuitvrij bestrijdt. Wij hebben gisteren een persbericht gekregen waarin staat dat de gemeente Eindhoven dat doet. Hoera daarvoor! Ik wil het graag wettelijk regelen. Graag krijg ik een positieve reactie van het kabinet.

De heer Koopmans (CDA): Ik ben benieuwd of in het amendement dat door mevrouw Ouwehand is aangekondigd, wordt geregeld dat particuliere tuinen er ook onder vallen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Dat is niet in dit amendement geregeld. Dat gaat over openbare ruimten. Ik moet een beetje glimlachen, want ik hoor de CDA-fractie vaker over particulier gebruik, behalve als ik met echte voorstellen kom. Ik wil het particulier gebruik echter ook sterk aan banden leggen. Daarover zal ik een motie indienen. Ik ga ervan uit dat de heer Koopmans die vol overtuiging gaat meetekenen.

De heer Koopmans (CDA): Ik stel deze vraag, omdat ik gewoon benieuwd ben naar de redenering achter het amendement en omdat een amendement, mocht het worden aangenomen, op de een of andere manier moet worden gehandhaafd. U gaf als definitie van openbare ruimte een plaats waar kwetsbare personen vaker vertoeven. Ik denk dat het van groot belang is om te bezien hoe je dit handhaaft, want met een algemene formulering kom je er niet. Ik wil er serieus naar kijken en ben benieuwd hoe u dit alles weegt en hoe u het ziet.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik heb het amendement wel ingediend, maar het is nog niet rondgedeeld. Dat is misschien een beetje lastig. Wij sluiten aan bij omschrijvingen van kwetsbare groepen, zoals al eerder vastgesteld in de verordening. Dat is niet nieuw en het is handhaafbaar. Verder is het heel eenvoudig. Waar het beheer van de openbare ruimte een publieke taak is, mag onkruidbestrijding door de gemeente niet gebeuren met chemische bestrijdingsmiddelen. Ik hoop dat wij dat hier samen kunnen vaststellen en dat u het amendement zult steunen. Wat particulieren in hun tuinen doen, daarover wil ik ook wel heel graag nog een hartig woordje met u wisselen. Maar dat zit niet in het amendement. Ik denk dat wij dat scherper moeten aanpakken. Het liefst verbied ik bestrijdingsmiddelen natuurlijk helemaal; dat weet u ook. Wij gaan in elk geval vragen om strengere eisen en minder veelvuldige verkoop vanuit de tuincentra en noem alle plekken maar op waar je de meest gevaarlijke spullen kunt kopen. Ik ga afronden. Ik heb de amendementen even kort toegelicht. Ik hoop dat ze zo direct kunnen worden rondgedeeld. Ik heb nog een aantal vragen. Wij willen zo snel mogelijk een verbod op neonicotinoïden in verband met de bijensterfte. Graag krijg ik daarover een toezegging. Ik heb daarover een motie in voorbereiding. Ik heb zojuist, ook in een interruptiedebatje met de heer Koopmans, al het voorbeeld van België genoemd. In België is aangekondigd dat over een aantal jaren geen chemische bestrijdingsmiddelen meer mogen worden gebruikt in de openbare ruimte. Nu al is er in België een enorm actieplan. Een gemeente kan in België voor een verbod kiezen of voor een afbouwproces. De middelen die je gebruikt, worden dan hooguit nog gedoogd. Waarom hebben wij dat hier niet? Is het kabinet daartoe bereid en kunnen wij een datum afspreken waarop wij er echt vanaf zijn? Ik wil de regels voor de etikettering van bestrijdingsmiddelen aanscherpen. Ik ben ook heel benieuwd naar het aantal dierproeven dat wordt gedaan voor landbouwgif. Kan het kabinet dit inzichtelijk maken en er een plan van aanpak bij formuleren om de proeven af te schaffen? Ik sluit af. Ik heb dus een aantal amendementen op dit wetsvoorstel ingediend. De watertoets is heel belangrijk, evenals het verbod op gif spuiten in publieke domeinen waar kwetsbare groepen komen, zoals schoolpleinen voor kinderen. Ik kan mij eigenlijk niet anders voorstellen dan dat het kabinet er serieus naar wil kijken en de amendementen wil omarmen.

[…]

Staatssecretaris Bleker: […] Naar mijn vaste overtuiging moet het wel zeer uitzonderlijk zijn, wil er voor Nederland aanleiding zijn om met betrekking tot een eenmaal langs die zorgvuldige weg toegelaten middel op nationale schaal nadere invulling te geven aan die toelating. De vraag is dan of je in de uitzonderlijke omstandigheid die zich zouden kunnen voordoen, in het belang van de volksgezondheid of in het belang van de sector, bij voorbaat de desbetreffende optie zou willen blokkeren, door te zeggen: nee, dan willen wij niet aan de bal. De stelling van de regering is: die optie moet je niet bij voorbaat blokkeren. Het gaat niet om de optie om een nationale kop op Europese regelgeving of standaarden of toelatingen te zetten, maar om een specifieke invulling aan een en ander te kunnen geven, die past bij de omstandigheden in ons land en waarmee kennelijk onvoldoende rekening is gehouden, hoewel dat laatste niet goed voorstelbaar is. Die mogelijkheid is bedoeld met de bepalingen waarop met name het amendement van de heer Koopmans betrekking heeft: artikel 36 en artikel 28. Ik zie dit als een mogelijkheid in een uiterste situatie, die naar mijn gevoel niet vaak voorkomt en uitzonderlijk is. Maar wij hebben dan wel het recht om het te doen. Daarom vind ik het niet wijs om het amendement over te nemen. Als wordt bedoeld dat er geen nationale plussen worden toegevoegd, begrijp ik het heel goed. Dat willen wij ook niet. Het gaat om het gebruik van dit artikel met het doel zoals ik het zojuist formuleerde.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik dank de staatssecretaris. Voordat wij de hele discussie gaan voeren over hoe het "aan de bal zijn" gaat, had ik hem willen vragen hoe hij staat tegenover het amendement van de heer Koopmans, mevrouw Snijder-Hazelhoff en de niet aanwezige mevrouw Gerbrands. Ik kan mij voorstellen dat de staatssecretaris zegt: ik raad de aanneming van het amendement ten zeerste af, want er komen grote problemen als de Kamer het amendement wel aanneemt of als de indieners het in stemming brengen.

Staatssecretaris Bleker: Voorzitter. Wij zitten nu nog in de fase van de uitwisseling van argumenten, van de dialoog, het gemeen overleg of hoe het dan ook allemaal heet. Ik probeer aan te geven dat de artikelen waarop het amendement doelt, een zeer uitzonderlijke situatie betreffen. Verder is het niet bedoeld om een kop te realiseren, maar om een specifieke Nederlandse invulling vanwege de specifieke omstandigheden te garanderen. Om die reden vind ik het geen verstandig amendement. Bovendien is het ook juridisch gezien een kwetsbaar amendement, want er staat in dat Nederland niet zou mogen afwijken van Europese regelgeving. Daarom is het op zich al een overbodig amendement: wij mogen niet afwijken van Europese regelgeving.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik maak uit het amendement op dat het kabinet met handen en voeten gebonden zal zijn aan dat Europese voetbalspelletje, om even in de termen van de staatssecretaris te blijven. Mij is in elk geval nog onduidelijk wat de garanties zijn dat de specifieke Nederlandse situatie doorslaggevend kan zijn. Ik denk dat het een compromis wordt tussen de toetsingsautoriteiten in een bepaalde zone. Stel nu dat onvoldoende is beoordeeld wat de effecten voor Nederland zijn, dan is het kabinet door dit amendement met handen en voeten gebonden en zeggen CDA, VVD en eigenlijk ook PVV: u mag niet optreden om de volksgezondheid of de waterkwaliteit te beschermen. Zo moet ik het toch zien?

Staatssecretaris Bleker: Voorzitter, volgens mij is dit een vraag aan de indiener van dit amendement.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik vraag natuurlijk naar het oordeel van de staatssecretaris, want hij moet bepalen wat het wettelijke gevolg van de eventuele aanneming van dit amendement is.

Staatssecretaris Bleker: Voorzitter. Ik kan mij niet voorstellen dat een toelatingsprocedure zoals zo-even geschetst, ertoe kan leiden dat bijvoorbeeld het volksgezondheidsaspect in alle landen in deze zone, dus in België, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Denemarken, voldoende zou zijn geborgd, maar niet in Nederland. Gelet op de procedure die wordt gevolgd, is het toch een volstrekt irreële veronderstelling dat een dergelijke situatie kan optreden?

De voorzitter: Tot slot, mevrouw Ouwehand. Houdt u het kort.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Dat kan de staatssecretaris zich misschien niet voorstellen, maar hij legt ook niet uit hoe het in zijn werk zou gaan. Bestaat de mogelijkheid dat het een compromis tussen de verschillende toetsingsautoriteiten wordt? Welke garantie is er dat de veiligste normen, dus die voor Nederland indien de situatie daar specifiek anders dan die in de andere landen in de zone wordt geacht, leidend zullen zijn? We hebben het Ctgb al een gekke draai zien maken. De staatssecretaris heb ik hierop nog helemaal geen concreet antwoord horen geven. Zo die garantie er is, wil hij die dan ook geven?

Staatssecretaris Bleker: Zoals ik net al zei, leiden deze richtlijn en het richtsnoer tot het aanscherpen van de eisen voor de volksgezondheid die door alle lidstaten moeten worden gehanteerd. We zijn dus niet aan het "terugboeren", maar zetten dankzij deze Europese regelgeving een stap vooruit. Dat is de situatie. Op dat punt wordt het strenger en strakker.

[…]

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Voorzitter. Ik kom ook even op dat artikel 128, waarover het gaat. Wij hebben zelf opgeschreven wat daar nu nadrukkelijk in staat: "… nadere regels te geven voor een nadere invulling aan de uniforme Europese beginselen". Juist de twee woorden "nadere invulling" houden wel degelijk het grote risico in dat Nederland, zodra de toelatingsprocedure in de zone is doorlopen, nadere regels gaat stellen op grond van het zinnetje dat wij hebben opgenomen en dat inhoudt dat wij op een aantal onderdelen niet hoeven te harmoniseren. Dat gaan wij dan dus niet doen. Dat het ernaar uitziet dat wij zelf een toets krachtens de Kaderrichtlijn Water gaan invoeren, is hiervan een voorbeeld. Dat doet geen enkele lidstaat, maar Nederland wel. Dat wenst de VVD niet.

Staatssecretaris Bleker: Voorzitter. Collega Atsma gaat natuurlijk in op de toets uit hoofde van de Kaderrichtlijn Water. Je zou het ook zo kunnen formuleren dat die nadere regels alleen maar in dat zeer uitzonderlijke geval aan de orde zullen zijn. Dan gaat het niet om nadere eisen, maar om een specifieke invulling, omdat met de omstandigheden in ons land in onvoldoende mate rekening zou zijn gehouden, hetgeen ik zeer uitzonderlijk acht. Dat is de redenering. Wat je vervolgens wel zou kunnen doen -- misschien kan dat in het vervolg van het debat iets helpen -- als het gaat om het stellen van regels die betrekking hebben op zaken die het richtsnoer niet dekt, is in dat geval de mogelijkheid openhouden om nadere regels te stellen. Dan is één ding zeker, namelijk dat je een nationale kop op een Europees richtsnoer introduceert. Dat zou denkbaar zijn. Dus dan heb je de zeer uitzonderlijke situatie dat het hele toelatingsproces niet met je omstandigheden rekening houdt. Dan heb je het slecht gedaan. Dan heb je kennelijk geen vrienden gehad in België, Duitsland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Denemarken. In de tweede plaats zou je dan kunnen zeggen: mocht zich dat voordoen, dan zou je nog kunnen voorstellen dat je dan die nadere regels alleen maar hanteert voor zover het richtsnoer die niet regardeert.

De heer Grashoff (GroenLinks): Voorzitter, ik heb twee verschillende vragen. Mag dat? Ten eerste zou ik graag van de staatssecretaris een korte reactie krijgen op het amendement van CDA en VVD. Nu de Europese richtlijn het nadrukkelijk toestaat om voor bijzondere omstandigheden zelf nadere regels te stellen, is het dan niet in strijd met de richtlijn om in de implementatie in de nationale wet daarvoor een blokkade op te nemen? De staatssecretaris heeft aan het begin van zijn betoog aangegeven dat er heel sterk vergelijkbare landen ons heen liggen en dat het daarom niet zo voor de hand ligt te zeggen dat zich heel bijzondere situaties voordoen in Nederland. Dan wil ik hem toch de vraag stellen hoe hij aankijkt tegen de specifieke situatie van het laaggelegen poldergebied in Nederland, waar de waterhuishouding mijns inziens significant afwijkt van de overwegende waterhuishouding in België, Duitsland, Engeland en de rest van Nederland.

Staatssecretaris Bleker: Het antwoord op de eerste vraag is dat het verbieden, het blokkeren inderdaad juridisch een problematisch fenomeen is. Waar het gaat om de reactie op het amendement heb ik aangegeven dat ik een uitweg zie. Waar het, ten derde, gaat om de specifieke fysieke hydrologische omstandigheden wijs ik erop dat we heel uniek zijn, maar dat er een beetje over de grens, richting Duitsland of België, ook Delta-achtige situaties zijn. Ik kom bijvoorbeeld uit het Dollardgebied in Noord-Groningen. Daar zijn ook laaggelegen gebieden, direct met de zee verbonden. Laten wij wel wezen, het lijkt mij lastig om nu bij voorbaat te duiden dat er één specifieke fysieke omstandigheid is die ook bij voorbaat moet leiden tot een afwijking, tot een aanvulling. Als wij die nu al kennen, zou ik zeggen dat wij dan alle middelen in handen hebben om dat ook in het toelatingsproces in te brengen. Dat lijkt mij een valide redenering. Als wij die bijzondere omstandigheid kennen, zijn wij ook in staat om daar rekening mee te laten houden.

De voorzitter: Mijnheer Grashoff, tot slot.

De heer Grashoff (GroenLinks): Ik neem daar met belangstelling kennis van. Dit is op zich een opening die ik zie, maar het neemt mijns inziens niet weg dat het uitgestrekte polderlandschap met zijn bemaling, in combinatie met heel intensief grondgebruik in de glastuinbouw en de bollenteelt, ook nadrukkelijk de directe reden is van heel hoge concentraties van een aantal gewasbeschermingsmiddelen in het grond- en oppervlaktewater. Is het daarmee niet voldoende aangetoond dat die bijzondere situatie bestaat?

Staatssecretaris Bleker: Het is in ieder geval een bijzondere situatie en nu wij die kennen, kunnen wij een middel -- mocht dat worden toegelaten in Denemarken of door de Duitse of Belgische autoriteit -- dus ook vanaf het begin inbrengen.

De heer Koopmans (CDA): Ik denk dat de stelling die de staatssecretaris neerzet dat het juridisch moeilijk is als wij als wetgever hierin gaan opnemen dat bij de toepassing van de wet Europese normen gehanteerd worden geen hout snijdt en ook niet houdbaar is, want dan zou ik het tegenovergestelde ook wel eens willen voorleggen. Als wij in de Natuurbeschermingswet opnemen dat wij lekker gaan afwijken van die normen, kan dat dan wel? Nee, en dus denk ik dat de stelling die de staatssecretaris neerzet echt geen hout snijdt. Wij zijn hier juist met elkaar neergezet om zo precies mogelijk te formuleren waar deze wetgeving bij de toepassing toe leidt. Mijn tweede vraag gaat over het volgende. De staatssecretaris suggereert dat, als er geen richtsnoeren zijn, er sprake zou kunnen zijn van een andere toepassing. Daarmee lopen we het risico dat we nog jarenlang een nationale kop hebben op een aantal terreinen waarop geen sprake is van richtsnoeren. Dat lijkt ons geen goed idee. Daarom sluit ik aan bij de redenering van de staatssecretaris zelf. Hij zei: we gaan natuurlijk aan de bel trekken en we zitten er zelfs bij als anderen onze specifieke omstandigheden er onvoldoende bij betrekken. Om die reden lijkt het mij juist goed als wij dit amendement in deze vorm aannemen. Wij zitten er immers zelf bij.

Staatssecretaris Bleker: Ja, maar je moet je dan wel afvragen wat de toegevoegde waarde van het amendement is. Als je er zelf volop bij bent, hoef je toch ook niet te vrezen voor de situaties waarover wij nu spreken? Je hoeft dan ook niet te vrezen voor de uitzonderlijke situatie waarin dit wel optreedt. Het zou heel onverstandig zijn om dit dan bij voorbaat uitgesloten te hebben. Er is immers een Nederlands belang mee gediend. Wij spreken vaak over het Nederlands belang binnen Europa. In een ultieme situatie is het mogelijk dat het voor Nederland van belang is om toch van de mogelijkheid gebruik te maken die Europa biedt om er zelf een nadere invulling aan te geven. Die mogelijkheid moet je je niet bij voorbaat uit handen laten slaan. Ik zie niet in welk Nederlands belang ermee is gediend om je die mogelijkheid bij voorbaat uit handen te laten slaan.

De heer Koopmans (CDA): Ik had nog twee andere vragen gesteld, maar ik wil hierop wel eerst reageren. Hiermee ontstaat de mogelijkheid dat de Nederlandse regering dit in ruime mate gaat doen. De staatssecretaris heeft het wel over "zeer uitzonderlijke gevallen" en over "ik kan me bijna niet voorstellen dat …", maar nader wordt dit niet geformuleerd, ook niet in het wetsvoorstel.
Staatssecretaris Bleker: Uiteindelijk is dat natuurlijk de bevoegdheid en de vrijheid van de regering en de Kamer te zijner tijd en het is dan aan hen om dat te beoordelen. Ik zeg nogmaals dat dit naar mijn vaste overtuiging alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden aan de orde zal zijn. Die opvatting deelt de heer Koopmans met mij. Als het aan de orde is, zal er een wezenlijk Nederlands belang mee gemoeid zijn. Ik ken de heer Koopmans als een Eurorealist. Hij hecht groot belang aan het Nederlands belang. Het zou onverstandig zijn om, als het Nederlands belang aan de orde is, bij voorbaat de mogelijkheid buitengesloten te hebben om een en ander te verdisconteren in een nadere invulling. Ik vraag hem daarom om zich ook nog eens over dit punt te beraden. Ik zal mij ook beraden over het amendement en de precieze tekst ervan. Wij moeten zoeken naar mogelijkheden om elkaar te vinden.

De voorzitter: De staatssecretaris vervolgt zijn betoog.

Staatssecretaris Bleker: Ik heb gesproken over de systematiek en over het amendement. De vraag hoe de beoordeling verder loopt, laat ik even voor wat die is. Mijn oordeel over het amendement van mevrouw Ouwehand heb ik daarmee ook gegeven. Ik ben toe aan het deel over het toelatende orgaan.

De heer Koopmans (CDA): Het lijkt mij dienstig als de staatssecretaris wat specifieker ingaat op het amendement van mevrouw Ouwehand.

Staatssecretaris Bleker: Ik ontraad de Kamer het aannemen van dit amendement.

De voorzitter: Het is gebruikelijk om te zeggen waarom, staatssecretaris.

Staatssecretaris Bleker: O, excuses, dan moet ik de papieren er even bij zoeken. Het gaat om het amendement op stuk nr. 11 over de mogelijkheid van het stellen van regels op lager niveau door een verplichting. Waarom ontraadt de regering het aannemen van dit amendement? De regels waarover het gaat, zien voor een groot deel toe op de mogelijkheid om zaken nationaal in te vullen voor zover wenselijk of nodig ter uitvoering van de EU-regelgeving. Eerder heb ik al aangegeven dat de systematiek al impliceert dat met specifieke omstandigheden, geldend voor Nederland, rekening wordt gehouden. Dit amendement houdt in dat we meer regels ter uitvoering van de verordening zouden introduceren in Nederland en dat wensen wij in het geheel niet. Naar aanleiding van het amendement van de heer Koopmans heb ik al aangegeven dat wij alleen wensen dat zeer specifieke omstandigheden bij het toepassen van de verordening een nadere invulling krijgen. Hier gaat het echter om het verbreden en het toevoegen van regels ter uitvoering van de verordening en dat is overbodig en niet goed. Reden waarom wij dit amendement ontraden.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): De staatssecretaris zegt precies waar ik bang voor was en waarmee we al ervaring hebben, namelijk andere wetgeving die kwetsbare belangen moet beschermen, zoals de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Daarin staan leuke bepalingen zoals: we kunnen regels stellen voor dit en we kunnen regels stellen voor dat, maar 17 jaar later is te zien dat er niets is gebeurd. Ik beluister bij de staatssecretaris dat de bepalingen die nu in de wetstekst staan, namelijk dat er regels gesteld kunnen worden, eigenlijk ook geschrapt kunnen worden, omdat we dat helemaal niet gaan doen. Het gaat dan over de eisen die gesteld worden aan de mensen die gewasbeschermingsmiddelen en bestrijdingsmiddelen verkopen en aan de etiketten die we daarop plakken, omdat die duidelijk moeten zijn? Bedoelt de staatssecretaris dat en bedoelt hij ook dat hij dat als optie openhoudt in de wet? Zo ja, dan kunnen we beter eerlijk zijn tegen de burgers. Dan schrappen we dit, we gaan niets extra's doen en we laten Brussel dicteren hoe wij hier handelen.

Staatssecretaris Bleker: We gaan niets extra's doen als dat niet nodig is. Echter, als de zeer specifieke omstandigheden van Nederland onvoldoende in de toelating zijn betrokken, dan wil de regering graag de mogelijkheid hebben om in die uitzonderlijke situatie nadere invullingsregels te stellen. Overigens betekenen de regels die in het richtsnoer staan of in het richtsnoer komen al een aanscherping in het algemeen. Tot zover over de wet en de systematiek.

[…]

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik heb de staatssecretaris ook gevraagd naar de rol van het Ctgb. Is dat het beoordelen van de veiligheid van de bestrijdingsmiddelen, of zijn er nog andere rollen?
Staatssecretaris Bleker: Een en ander is wettelijk verankerd. Het Ctgb is gehouden aan de Europese richtsnoeren bij de beoordeling van de toelating van middelen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): We hebben het Ctgb een actieve lobby zien voeren met betrekking tot het schrappen van nationale koppen, gedreven door marktargumenten. Hoort het bij zo'n college, door ons in het leven geroepen, om de veiligheid van toelatingen te beoordelen en daarmee de risico's te beperken?

Staatssecretaris Bleker: Als de schets van mevrouw Ouwehand van wat er mogelijk aan uitspraken is gedaan, is gebaseerd op de werkelijkheid, dan plaats ik daar een kanttekening bij.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Hoe krijgt die een vervolg?

Staatssecretaris Bleker: Ik wil precies weten wat er is gezegd. Als de schets van mevrouw Ouwehand juist is, dan moet je je afvragen of dat past bij de rol en taakopvatting van het Ctgb. Dat ben ik met haar eens, maar een ieder heeft zijn eigen beeld van een vergadering.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): We hebben het op papier. Ik kan het de staatssecretaris toesturen.

De voorzitter: Prima, maar we hebben ook nog een tweede termijn.

[…]

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik heb een algemene vraag. Is de staatssecretaris van mening dat wij in Europa en Nederland zorgvuldiger zijn dan in de Verenigde Staten? Wij hebben in dit huis immers wel eens discussies over de vraag of de milieuregelgeving daar minder stringent is dan hier.
Staatssecretaris Bleker: Met de beschermingsmiddelen die wij gebruiken en die mogelijk effecten hebben op de bijenpopulatie, zijn wij zorgvuldig in Nederland. Ik hoef geen vergelijkend warenonderzoek op dat punt. Wij zijn zorgvuldig. Wij doen het goed.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Twee weken geleden heeft het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden een nieuw middel toegelaten met als werkzame stof spirotetramat. Dat is een jaar geleden in de Verenigde Staten door de rechter verboden omdat het schadelijk is voor bijen. Hoe kan dat? En wat betekent "wij moeten alert zijn" precies? Ik zie namelijk geen acties van het kabinet waaruit blijkt dat die sterke signalen serieus worden genomen, behalve de woorden die de staatssecretaris net sprak: wij doen het goed met die coatings.

Staatssecretaris Bleker: Er wordt op grote schaal onderzoek gedaan, ook onderzoek dat door de regering (financieel) wordt ondersteund. Wij hebben specialisten in huis die dat onderzoek beoordelen. Wij zien niet alleen toe op het middel zelf maar ook op de juiste toepassing van de middelen waar ik zojuist over sprak. Bovendien is er de afgelopen twee jaar sprake van een afname van het aantal meldingen van bijensterfte dat gerelateerd is aan het gebruik van gewasbestrijdingsmiddelen. Daarmee wil ik niet zeggen dat er geen probleem is. Dat zou makkelijk zijn. En volgend jaar kan er ook een toename zijn. Maar dat zijn de dingen die wij doen en die doen wij heel zorgvuldig.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Nu daagt de staatssecretaris mij enigszins uit. We doen onderzoeken en financieren die. We hebben in Nederland aan de Universiteit Utrecht een wetenschapper zitten die expert is op dit gebied. Hij zegt dat die middelen gevaarlijk zijn. Utrecht krijgt volgens mij geen geld. Echter, we financieren wel Wageningen. We weten dat daar leerstoelen worden gefinancierd door Bayer. Het spijt mij wel dat ik dit hier moet uitspreken. Het blijft namelijk maar hangen: steeds maar weer nieuw onderzoek, steeds maar weer nieuw onderzoek. We zouden de hele zaal kunnen vullen met wetenschappers die zeggen dat dit aantoonbaar slecht voor bijen is. Waarom wil de staatssecretaris zich niet verbreden en niet ook die mensen serieus horen?

Staatssecretaris Bleker: Ik vind dat hiermee de integriteit ter discussie staat van instituten en onderzoekers waarmee wij samenwerken en die ons adviseren. Dat vind ik niet passend. Wij doen onderzoek. Er wordt zorgvuldig toegelaten. Er is een werkgroep van belanghebbenden, waarin ook de Bijenbond en allerlei andere organisaties zijn vertegenwoordigd. Die meldt mij dat het aantal meldingen van gevallen van bijensterfte in relatie tot het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen steeds verder afneemt. In 2010 kon in geen enkele melding een verband worden gevonden tussen de gemelde bijensterfte en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Dat is ook een deel van de werkelijkheid, waarbij ik niet zeg: stil maar, wacht maar en slaap maar lekker, want het komt allemaal goed. Nee, we blijven zeer alert, we blijven onderzoek doen en we blijven die toepassingen kritisch volgen.

De voorzitter: Tot slot, mevrouw Ouwehand.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Misschien kan het kabinet de Universiteit Utrecht voortaan financieren door het budget van het ene onderzoeksinstituut te halveren en aan het andere te geven. Het duurt mij namelijk echt te lang. Er is geen goede verklaring waarom uitgerekend Wageningen en deze staatssecretaris de wetenschappelijke consensus, waar steeds meer wetenschappers zich achter scharen, niet willen overnemen.

Staatssecretaris Bleker: Het ministerie van OCW bekostigt voor een zeer groot deel Universiteit Utrecht.

[…]

Staatssecretaris Bleker: Ik denk dat het goed is dat we dat (een specifiek uitgewerkte brief van de regering ) in nader verband bespreken. Het heeft namelijk ook te maken met teeltvrije zones, met de waterkwaliteit en mogelijkerwijs ook met het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid in de toekomst. De heer Atsma en ik hebben afgesproken dat we op een nader moment in meer algemene zin de Kamer daarover informeren.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):Dan zou ik toch eerst van de staatssecretaris van Milieu de reactie namens het kabinet willen horen met betrekking tot de watertoets, voordat wij nu al allerlei brieven gaan afdichten. Het hangt namelijk nogal nauw samen.

Staatssecretaris Bleker: Die reactie komt straks van de zijde van de heer Atsma.

[…]

Voorzitter. Het aantal dierproeven voor landbouwgif wordt beperkt door herhaling van dierproeven te verbieden. Toelatinghouders of aanvragers van toelating worden verplicht deze gegevens uit te wisselen. Er is een commissie ingesteld die bemiddelt bij het vaststellen van een vergoeding voor het overnemen van resultaten uit proefdieronderzoek. In het aanvraagproces worden steeds meer mogelijkheden geboden om uitspraken over risico's te onderbouwen zonder dierproeven. Dus het gaat wat dat betreft de goede kant op en dat stimuleren wij ook zeer.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Heel kort: hoeveel zijn het er en hoe snel gaan we naar nul?

Staatssecretaris Bleker: Dat zou ik niet weten.

De voorzitter: Dat komt in de tweede termijn.

[…]

Staatssecretaris Atsma: Nogmaals, wij weten ook dat in andere delen van Europa op verschillende manieren drinkwater wordt gewonnen. Daarvoor bestaan verschillende technieken. Bij mijn weten komt brengt het Planbureau voor de Leefomgeving op heel korte termijn een rapport uit waarin juist wordt ingegaan op de drinkwatervoorziening voor de lange termijn. Ik verwijs verder naar de discussie met de Kamer over de introductie van de Deltawet en het Deltaprogramma. Die richt zich ook op het garanderen van onze zoetwatervoorziening voor de lange termijn. Je kunt daarin op verschillende manieren voorzien en één van die manieren is het winnen van zoet water uit oppervlaktewater. Dat dit moet gebeuren op een haalbare manier die voor iedereen acceptabel en betaalbaar is, moge ook duidelijk zijn.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik ben blij dat de staatsecretaris zegt dat de drinkwatertoets moet blijven bestaan. Vallen echter alle stoffen die negatieve effecten kunnen hebben op het oppervlaktewater, onder die toets?

Staatssecretaris Atsma: Wij spreken over normen en als die worden overschreden, moet er worden ingegrepen. Wat binnen de normering blijft, is met andere woorden toegestaan.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voor de duidelijkheid: het gaat mij om de stoffen. Heeft de staatssecretaris het nu alleen maar over stoffen waarvoor een norm is vastgesteld? Vindt hij met andere woorden de drinkwatertoets alleen voor die stoffen belangrijk of vindt hij het van belang voor alle stoffen die negatieve effecten kunnen hebben?

Staatssecretaris Atsma: Ik heb het dan inderdaad over meer stoffen dan alleen die stoffen die uit de gewasbescherming afkomstig zijn. Dat moge duidelijk zijn. Ik neem verder aan dat wij hierover op een ander moment van gedachten kunnen wisselen. Ik kan nu echter al wel zeggen dat wij niet alleen naar de stoffen kijken waarover wij nu in discussie zijn.
De kwaliteit van het drinkwater is van meerdere factoren afhankelijk. Er zijn immers verschillende bronnen die kunnen leiden tot een overschrijding van de normen. Over die normen heb ik al het nodige gezegd en het zal dus duidelijk zijn dat het niet alleen gaat om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Misschien wordt het allemaal wat duidelijker als de staatssecretaris aangeeft of hij mijn amendement op dit punt kan omarmen. Ik merk dat wij over twee verschillende dingen discussiëren.

Amendement Ouwehand gewasbeschermingsmiddelen: Nederlandse toetsing waterkwaliteit blijft verplicht
Amendement Ouwehand gewasbeschermingsmiddelen: verboden in de buurt van breed publiek, kinderen en andere kwetsbare groepen
Amendement Ouwehand gewasbeschermingsmiddelen: Nederlandse toetsing op gezondheidseffecten omwonenden
Amendement Ouwehand gewasbeschermingsmiddelen: regelgeving verplicht