Bijdrage Ouwehand debat Wet studie­voor­schot hoger onderwijs


4 november 2014

Eerste termijn

Voorzitter. Dit debat is een formaliteit genoemd, een rituele dans, omdat een wetsvoorstel nou eenmaal door de Kamer moet. De deal was al rond. De VVD, en verder GroenLinks, de Partij van de Arbeid en D66 -- voormalige onderwijspartijen -- hebben met minister Bussemaker beklonken dat een Leven Lang Leren voortaan een leven lang lenen zal betekenen. Dat dit meebrengt dat veel jongeren, juist uit de minder gegoede milieus, zullen afzien van een studie lijken ze ofwel op de koop toe te nemen ofwel niet zo heel erg te vinden.

Ik denk niet dat het alleen maar een formaliteit is. We voeren vaker debatten waarbij de meerderheid al zegt: dit komt erdoor. Die debatten lopen eigenlijk niet; iedereen doet een beetje zijn zegje, er gebeurt niets, er zijn geen interrupties. Maar ik zie de felheid waarmee de tegenstanders van dit wetsvoorstel worden aangepakt. Ook kreeg het wetsvoorstel voortdurend naamsveranderingen. Leenstelsel viel toch niet helemaal lekker; nu heet het een studievoorschot. Dan denk ik: nou, de voorstanders voelen zich er toch niet heel gemakkelijk bij. Dat biedt dus hoop voor de behandeling in de Eerste Kamer. Tegen iedereen die heeft geprotesteerd zeg ik: ga er vooral mee door, want het heeft effect.

Er is veel te zeggen over het wetsvoorstel. We hebben de afgelopen periode allerlei bezwaren tot ons kunnen nemen. Wat mij betreft gaat dit debat over fundamentele waarden. Onderwijs is een van de meest fundamentele bouwstenen van een beschaafde samenleving. Wat de Partij voor de Dieren betreft, gaat het daarbij om goed onderwijs, niet om een rendementssysteem waarin je toekomstige bijdrage aan de economie steeds bepalender wordt. De discussie gaat dus ook over de vraag wat kwaliteit dan precies is. Wat mijn partij betreft zal een instrumenteel ingericht onderwijssysteem -- daar pleit de VVD voor, hoewel zij dat niet zo letterlijk benoemt -- nooit de kwaliteit halen die de andere partijen die dit wetsvoorstel steunen misschien wel belangrijk vinden.

Toegang tot onderwijs voor iedereen, ruimte om jezelf te ontwikkelen, ruimte om te ontdekken waar je goed in bent, waar je talenten liggen, waar je hart ligt, daarbij een verkeerde inschatting mogen maken en de ruimte hebben om die te herstellen; dat zijn kernwaarden voor een onderwijssysteem dat de kwaliteit heeft waar de Partij voor de Dieren belang aan hecht, en ik dacht D66, de Partij van de Arbeid en GroenLinks ook. Het is voor jezelf fijn als je die ruimte krijgt, maar een onderwijssysteem dat die ruimte biedt, heeft ook grote waarde in zichzelf. Iedereen in dit land, ongeacht zijn afkomst, kan studeren, gewoon omdat je daar de hersens voor hebt en niet toevallig omdat je vader advocaat of Kamerlid is. Dat is een verworvenheid waarvan het belang nauwelijks kan worden overschat. Het gaat om het beginsel van gelijkheid, dat we wat de Partij voor de Dieren betreft hebben te verdedigen tot we erbij neervallen. Het gaat om gelijke kansen voor iedereen, ook als je de dochter bent van een bouwvakker. Dat is een ideaal waarmee we volgens mij nog niet klaar waren in Nederland; het was nog helemaal niet af. Er zijn nog steeds sociaal-economische verschillen tussen mensen in dit land, die grote invloed hebben op de reële kansen van jongeren. Daarover hoeven we elkaar toch niet voor de gek te houden?

De Partij voor de Dieren vindt dat we verder moeten werken aan het realiseren van het ideaal van gelijke kansen voor iedereen, in plaats van het, om te draaien en de toegankelijkheid van het onderwijs waarop we in dit land zo trots waren sluipenderwijs weer af te breken, wat nu dreigt te gebeuren. Want als je opgroeit in een omgeving waarin doorleren niet vanzelfsprekend wordt gevonden, kun je wel wat aanmoediging gebruiken, bijvoorbeeld in de vorm van een basisbeurs, oftewel een voorziening voor jouw ontwikkeling en voor de samenleving als geheel. Dan heb je er niet zo veel aan als iemand in Den Haag zegt dat je gewoon lekker zelf in je kracht moet gaan staan, dat je een bijsluiter moet lezen of dat je een businesscase had moeten maken voor jezelf. Dat fundamentele bezwaar, namelijk dat dit leenstelsel de toegankelijkheid van het onderwijs bedreigt, reëel, in de echte wereld, is een van de twee belangrijkste bezwaren tegen het wetsvoorstel.

De heer Van Meenen (D66):

De aanmoediging van de Partij voor de Dieren begrijp ik wel. Daarbij noemt mevrouw Ouwehand de basisbeurs. Is nou juist niet het probleem dat de basisbeurs aan iedereen verstrekt wordt? Deze gelijkheid, die inhoudt dat de basisbeurs ook gaat naar mensen die hem niet nodig hebben, is een van de dingen die we oplossen. Is mevrouw Ouwehand het met mij eens dat juist de aanvullende beurs eigenlijk een veel betere aanmoediging is en dat het dus een goed idee is om die met ruim €100 te verhogen?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Nee, ik vind die basisbeurs geen probleem. Het is waar dat er een groep jongeren is die die beurs niet per se nodig heeft, maar dat nemen wij op de koop toe. Het hele idee dat de overheid je uitnodigt om te investeren in je studie, het hele idee dat je erop kunt vertrouwen dat die faciliteit er voor jou is en dat je onafhankelijk kunt zijn en de ruimte krijgt om jezelf te ontwikkelen en om er niet zo hard bij te hoeven werken dat je niet meer aan studeren toekomt, vinden wij een belangrijk beginsel voor een onderwijssysteem waarin wij kwaliteit ook echt kwaliteit kunnen noemen. Het is geen kwestie van iets instrumenteels: je stopt dit erin en je krijgt dat eruit en dat is handig voor onze economie.

De heer Van Meenen (D66):

Voor de goede orde, zo zit D66 er ook niet in. Dat heeft mevrouw Ouwehand goed gezien. Ik denk niet dat wij het eens gaan worden, maar ik doe toch nog één poging. Is niet het allergrootste belang voor studenten dat zij inderdaad echt een goede opleiding krijgen? Is mevrouw Ouwehand het met mij eens dat dat onder hoge druk staat als het aantal studenten in de afgelopen decennia verviervoudigd is en de middelen daarvoor vrijwel gelijk gebleven zijn?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ja, wij vinden elkaar in de uitdaging om de kwaliteit van het onderwijs op peil te houden en daarin te investeren. Maar de Partij voor de Dieren gelooft er niet in dat je een onderwijssysteem kwalitatief in orde kunt noemen als je de toegankelijkheid inperkt en als je zo snijdt in de ruimte die studenten hebben om zich binnen de studie te ontwikkelen. Zij moeten de ruimte hebben om ook eens een fout te maken, om ook eens een verkeerde inschatting te maken. Als je die ruimte niet biedt, verwordt het tot een instrumenteel systeem, waarin je inderdaad met een businesscase-achtig model moet bedenken wat je gaat doen en wat je er later mee gaat verdienen.

Het andere belangrijke fundamentele bezwaar leen ik van Rob Wijnberg. Het is niet zo heel aardig voor 17-jarigen, dus ik citeer hem, zodat we hem de schuld kunnen geven: "Geld lenen, je kunt er niet vroeg genoeg mee beginnen. Bijvoorbeeld als je net 18 bent, je brein nog een kleine zes jaar onderontwikkeld is en je langetermijnplanning ongeveer zo ver strekt als die van een eendagsvlieg. Laten we deze brave burgers in de dop, die zichzelf over een jaar of tien ook al massaal in de schulden zullen steken voor een dak boven hun hoofd, alvast maar wennen aan het idee: de komende 30 jaar zal je leven in het teken staan van het afbetalen van je verleden. Niet dat je daar met je puberbrein de implicaties al van doorgrondt, bovendien zul je wel moeten als je straks nog enige kans wil maken op de arbeidsmarkt."

Dat is het andere fundamentele probleem: dat je moet gaan lenen. Ook daar zien wij gelukkig wel dat de partijen die dit willen steunen en de minister zich er niet zo gemakkelijk onder voelen. Zij hebben daarvoor bedacht om het "leenangst" te noemen. Leenangst? Oei, dat moet je niet hebben! Juist wel, zegt de Partij voor de Dieren. Het is gezond verstand om jezelf niet in de schulden te willen steken. Ik weet niet hoe de aanwezigen zijn opgevoed, maar ik kreeg dat mee. Ik ben geconditioneerd om niet te denken: tjonge, een studieschuld van €15.000, dat lijkt mij een goede gedachte. Ik ben geconditioneerd om zo'n optie niet als een goede investering in mezelf te zien. Laten wij dat gezonde verstand dat lenen niet verstandig is en dat je dat zo veel mogelijk moet zien te vermijden, alsjeblieft niet bij jongeren, die onze toekomst vormen, weghalen. Het gaat om het principe dat je je leven niet nog voordat het goed en wel begonnen is, al gepaard moet laten gaan met het opbouwen van schuld en dat je volksvertegenwoordigers je nog vertellen dat dat verstandig is ook.

De Partij voor de Dieren gaat hier niet in mee. Als het niet vanavond of morgen gebeurt, hopen wij dat de Eerste Kamer het wetsvoorstel van tafel zal vegen.

Interrupties bij andere partijen

De voorzitter:

Mevrouw Ouwehand wil heel graag een vraag stellen, inderdaad.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik ben heel benieuwd of de VVD het erg vindt dat jongeren zullen afzien van een studie als gevolg van het afschaffen van de basisbeurs en het inruilen van een goed systeem voor een leenstelsel.

De heer Duisenberg (VVD):

De VVD is vooral blij dat de studiekeuze een bewuste keuze is. De VVD maakt zich er geen zorgen over dat studenten van een studie zullen afzien om financiële redenen. Het stelsel zit namelijk zo in elkaar dat ze er niet van hoeven af te zien om financiële redenen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Dat vroeg ik niet. Ik vroeg of de VVD het erg vindt. Alles wijst er namelijk op dat dat wel degelijk gaat gebeuren. Laat ik aardig zijn en voor het gemak aannemen dat de VVD het wel erg vindt, dat het ook de VVD raakt. Je hebt hersens en talenten, maar misschien groei je op in een omgeving waarin studeren niet normaal wordt gevonden. Het verhaal dat de VVD hier vanavond in Den Haag houdt, namelijk dat het goed is als je in jezelf investeert en toch gaat investeren, komt niet terecht bij die jongere. Die gaat dus niet studeren, want hij heeft toevallig de heer Duisenberg niet gehoord, laat staan dat hij door zijn verhaal overtuigd zou zijn. Hoe gaan we dat dan regelen voor die jongere? Ik ga er even van uit dat de VVD het erg vindt als mensen afzien van een studie terwijl ze wel zouden kunnen studeren. Dat is toch zo?

De heer Duisenberg (VVD):

Nogmaals, de VVD wil dat de keuze een bewuste keuze is. En dan vraagt mevrouw Ouwehand: hoe gaan we het voor die jongere regelen dat hij die keuze gaat maken? Zo interpreteer ik dat. Het is heel belangrijk dat de informatie over de studie heel goed is en dat leerlingen op de middelbare school, dus al heel vroeg, worden geïnformeerd over de mogelijkheden van studies. Daarom heeft de VVD zich ook zo ingezet voor de studiebijsluiter, waarin heel goed wordt aangegeven wat het arbeidsmarktperspectief is, wat je van de studie kunt verwachten et cetera. Die informatie maakt bewust, en een bewuste keuze is een goede zaak.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

En als dat nu niet werkt?

De voorzitter:

Nou ja, dat ik dit toesta is een vergissing. Het is geen precedent, zoals de heer Bisschop roept. Een korte vraag: als dat nu niet gebeurt? Nu is de vraag al gesteld.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Wat als het nou niet werkt? Want het lijkt wel een beetje op wensdenken. Je maakt een bijsluiter en dan snapt iedereen het belang van studeren, en ook dat het niet erg is om een lening aan te gaan. Dus dan ga je het toch maar doen, ook al zegt je hele omgeving: je bent niet goed bij je hoofd als je jezelf in de schulden steekt; ga gewoon lekker werken!

De heer Duisenberg (VVD):

Ja, maar dat is een alsvraag die ik niet zie. Mevrouw Ouwehand zou eens bij mij aan tafel moeten zitten en de reactie van mijn zoon moeten horen als hij brieven krijgt van de minister: dit weet toch iedereen al? Je verwacht natuurlijk ook een stukje eigen verantwoordelijkheid van leerlingen om een beetje op te letten als ze voorlichting krijgen, bijvoorbeeld bij het verplichte vak lob.

(...)


De voorzitter:

Dit was een heel helder antwoord, mijnheer Van Dijk. U vroeg wat en kreeg een heel helder antwoord. Ik geef het woord aan mevrouw Ouwehand.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Mijn vraag ligt wel een beetje in dezelfde hoek, want ik zou willen weten of de Partij van de Arbeid het erg vindt dat er minder jongeren gaan studeren als het leenstelsel in plaats van de basisbeurs wordt ingevoerd.

De heer Mohandis (PvdA):

Ik heb de vraag niet helemaal begrepen, als ik heel eerlijk ben. Excuses.

De voorzitter:

Ik vraag mevrouw Ouwehand of zij haar vraag opnieuw wil formuleren.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik zal mijn vraag opnieuw formuleren. Het CPB heeft ons voorspeld dat er jongeren zullen afzien van een studie als het leenstelsel wordt ingevoerd. Mijn vraag is: vindt de Partij van de Arbeid dat erg?

De heer Mohandis (PvdA):

Als studenten gemotiveerd zijn en graag willen studeren, vind ik dat erg, maar het rapport laat zien dat bijna iedereen die gemotiveerd is, met dit stelsel, wat mij betreft, gaat studeren.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Dus het antwoord is: als dat zou gebeuren, is het erg, maar wij geloven niet dat het gebeurt.

De heer Mohandis (PvdA):

Er zijn heel veel onderzoeken gedaan. Wij kunnen er één onderzoek uit pakken en dat doet u, maar ik ben ervan overtuigd dat met alle waarborgen die wij met elkaar in dit voorstel hebben geregeld, alle studenten die gemotiveerd zijn en willen studeren, ook zullen gaan studeren.

(...)

De heer Mohandis (PvdA):

Collega Rog gaat er in dit hele debat, en ook in De Telegraaf van vanochtend, van uit dat iedereen maximaal gaat lenen en niet gaat terugbetalen. In welke werkelijkheid leeft hij? Als hij kijkt naar ons huidige stelsel en naar wat we precies doen in dit voorstel, ziet hij dat het verhaal dat hij houdt van geen kant klopt.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Toch nog één keer over het punt van de toegankelijkheid. Ik hoor de heer Mohandis zeggen dat hij ervan overtuigd is dat dit wetsvoorstel die toegankelijkheid borgt. De minister gaat echter zelf monitoren. Ook onderschrijft zij de prognose van het CPB dat 2.700 jongeren per jaar af zullen zien van een studie. De PvdA-fractie zegt ervan overtuigd te zijn dat de toegankelijkheid is geborgd. Zet zij dan ook geen enkele piketpaal neer waardoor de minister zou kunnen weten dat zij een probleem heeft met de PvdA-fractie als de monitoring zus of zo uitvalt, omdat de PvdA-fractie dat niet pikt?

De heer Mohandis (PvdA):

Wij zijn er allebei bij op het moment dat die monitoring naar de Kamer komt. Laten we dan scherp kijken naar wat daarin gebeurt. Nogmaals, wij hebben gekeken naar die toegankelijkheid en ik ken de rapporten waarover mevrouw Ouwehand het heeft. Er zijn ook heel veel rapporten die laten zien dat middelbare scholieren zich niet laten afschrikken. Natuurlijk, een basisbeurs willen we allemaal, maar de meeste studenten zeggen tegen mij: ik laat me niet afschrikken; ik ga ervoor; ik pak dit met twee handen aan want ik weet wat het is om te gaan studeren. We zijn er dus bij als die effecten ontstaan, maar ik ben ervan overtuigd dat hier een voorstel ligt dat ervoor zorgt dat elke gemotiveerde student gaat studeren.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Die studenten ken ik ook, gelukkig. Heel veel jongeren gaan studeren, ook al is de basisbeurs niet iets om slapend rijk van te worden. Toch heb ik er niet zo veel vertrouwen in als de Partij van de Arbeid nu niet alvast wil zeggen: voor ons staat die toegankelijkheid als een huis en als bewaarheid wordt wat het CPB zegt, vinden we dat heel erg; wij willen dus dat de minister toezegt dat dit niet gaat gebeuren en anders is het einde oefening. Zoiets. Dat is toch een redelijke vraag om te stellen aan een partij die hier zegt te geloven dat alles goed gaat, door een partij die zegt: wij hebben er niet zoveel vertrouwen in? Als we de zorg delen dat de toegankelijkheid eraan zou kunnen gaan, moet de heer Mohandis toch mijn kant op komen?

De heer Mohandis (PvdA):

Dat de toegankelijkheid eraan zou kunnen gaan? Als mevrouw Ouwehand het zo stelt, zijn wij het niet met elkaar eens. Wij zijn het er wel over eens dat we de instroom goed moeten monitoren. Daarin spelen we allebei een rol als de monitoring naar de Kamer komt. Mevrouw Ouwehand kan ervan uitgaan dat ik sta voor die toegankelijkheid, anders had ik hier mijn handtekening niet onder gezet.

(...)

De heer Klaver (GroenLinks):

Ik heb aangegeven dat er een compensatie in het wetsvoorstel zit. Mevrouw Schouten geeft aan dat die compensatie volgens haar niet voldoende is en dat zij die daarom graag wil verhogen. Ik denk dat de compensatie in het wetsvoorstel voldoende is, maar dat er nog meer ruimte moet zijn voor maatwerk. Ik vraag welke rol de profileringsfondsen daarin kunnen spelen en ben benieuwd naar het antwoord van de minister daarop. Wij zullen morgen ook daarover het debat met de minister hebben. Dan kan ik mijn mind opmaken over hoe wij verder hiermee omgaan.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Gedurende het debat is er wat discussie ontstaan: welke verwachtingen kun je hebben van de effecten? Dat weet je natuurlijk nooit. Er zijn altijd verwachtingen van effecten, maar er liggen rapporten en de minister zegt ook dat jongeren zullen afzien van een studie. Ik vraag mij af hoe GroenLinks aankijkt tegen de beoordeling daarvan door de "grote jongens", de VVD en de Partij van de Arbeid; D66 moet nog komen. Die deden daar eigenlijk heel luchtig over. Ik hoorde in de bijdrage van GroenLinks toch meer serieuze zorgen. De Partij van de Arbeid wil bijvoorbeeld geen mijlpalen slaan: als dit het effect is voor de toegankelijkheid, dan moeten er maatregelen komen; dat is dan voor ons acceptabel. Mijn vraag is wat GroenLinks daarvan vindt, want dan sta je straks alleen. En zou het niet verstandig zijn, gelet op die enorme discussie over de effecten, om een ex-ante-evaluatie te vragen van deze wet voordat de Eerste Kamer die aanneemt?

De heer Klaver (GroenLinks):

Wat vond ik van de bijdragen van de vorige sprekers? Ik heb genoten van de zeer ambitieuze bijdrage die de heer Duisenberg leverde en ik was ontroerd door de bijdrage van de heer Mohandis. Ik heb hen niet zo beluisterd begrepen dat zij de resultaten bagatelliseerden, maar dat zij er heel rationeel naar keken. Dat heb ik ook geprobeerd te doen. Misschien verschillen onze tonen wat -- gelukkig maar -- maar ik maak mij geen zorgen over de wijze waarop zij naar die cijfers kijken.

Wat betreft nog een evaluatie vooraf, merk ik op dat er heel veel onderzoek ligt. Uiteindelijk gaat het om de politieke waardering daarvan. Ik heb geprobeerd mijn politieke waardering en mijn interpretatie daarvan zo helder mogelijk uit te spreken, zoals ook mijn collega's hebben gedaan.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Jazeker, maar er is wel een verschil in interpretatie van de cijfers. De VVD gelooft niet echt in wat het CPB zegt en als ik de heer Mohandis goed heb beluisterd, doet de Partij van de Arbeid dat ook niet echt. Met name bij de Partij van de Arbeid zegt men, net als bij GroenLinks: we vinden het wel heel belangrijk dat die toegankelijkheid gewaarborgd is. Men zegt ook: en trouwens, ik geloof dat die toegankelijkheid met deze wet ook daadwerkelijk gewaarborgd is. Daarover is discussie.

De voorzitter:

Wat is uw vraag, mevrouw Ouwehand?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik heb een simpele vraag. Als je waarde hecht aan het overeind houden van die toegankelijkheid, zou het dan niet goed zijn om ietsje beter te laten uitzoeken wat precies de effecten zullen zijn van deze wet? Het is helemaal niet zo raar als er een ex-ante-evaluatie wordt gedaan. Dat doen we wel vaker bij een tikkie omstreden wetsvoorstellen. Waarom zou je zo'n evaluatie niet willen als je zeker wilt weten dat die toegankelijkheid er niet aan gaat?

De heer Klaver (GroenLinks):

Omdat mevrouw Ouwehand op zoek is naar een zekerheid die niet te geven is. Er ligt een enorme stapel rapporten over dit onderwerp. De vraag is wat een nieuw onderzoek op dit punt zal toevoegen. Zal het meer zekerheid opleveren over de gevolgen voor de toegankelijkheid? Het zijn altijd gedragseffecten. Ik heb al geprobeerd te zeggen dat ik de resultaten van de onderzoeken die gedaan zijn, helemaal niet wil bestrijden. Het gaat er wel om hoe je ze interpreteert. Kijk je naar wat er is meegenomen en niet is meegenomen? Ik vind dat we echt voldoende handvatten hebben voor het nemen van een besluit in de Kamer. Er is tijdens dit debat heel vaak gezegd dat de invoering misschien onzorgvuldig zou zijn en dat er nog meer onderzoek zou moeten worden gedaan. Daarover heb ik me verwonderd, als ik dat nog kwijt mag, voorzitter. Er liggen bergen onderzoeksrapporten. We kunnen nog jaren doorgaan met het doen van onderzoek. Misschien kom je daarmee kleine stapjes verder. Maar in de politiek gaat het uiteindelijk over de vraag wat je doet met de voorliggende feiten en welke keuzes je maakt op grond daarvan. Wat kun je politiek dragen? Mijn fractie heeft hierin een keuze gemaakt. Ik heb de bijdragen van andere fracties beluisterd. Daaruit concludeer ik dat zij ook een keuze hebben gemaakt.

(...)

De heer Van Meenen (D66):

De ov-jaarkaart blijft behouden, zoals ik zei. Dat is een heel goede zaak. Het is in het belang van het onderwijs, in het belang van de student en in het belang van de flexibiliteit van de student. Het is ook van belang -- ik roep het nog maar eens een keer -- in het kader van de profilering van zowel hogescholen als universiteiten. Juist die profilering zal ertoe leiden dat hogescholen en universiteiten meer dan nu van elkaar zullen gaan verschillen. Dan is het voor studenten van groot belang dat ze keuzes kunnen maken, wellicht dat ze kunnen kiezen voor een studie die ze op meerdere plekken kunnen volgen. We denken echter ook aan stages, coschappen en noem het allemaal maar op. Het is dus van groot belang, en minstens zo belangrijk voor het mbo. Daarom is mijn fractie zeer verheugd met het feit dat ook minderjarige mbo'ers een ov-jaarkaart krijgen.

Ik richt mij kort nog tot de scholieren en studenten die op de publieke tribune zitten -- dat zijn er niet zo heel veel meer -- en die meekijken. Wellicht zit iedereen inmiddels aan de buis gekluisterd; ik sluit dat niet uit. Ik begrijp best dat het geen fijn nieuws is als je een basisbeurs verwacht en die er niet komt. Ik benadruk echter dat dat geld niet verdwijnt. Dat geld wordt juist in hen geïnvesteerd, in een goede opleiding. Het is de overtuiging van de D66-fractie dat de student er het meest bij gebaat is dat hij een buitengewoon waardevol diploma krijgt, waarmee hij zowel in ons land als internationaal heel goed aan het werk komt. Dat is het grootste belang, zowel voor de student als voor ons land.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ook aan D66 stel ik mijn vraag nog eens. Ik ga er voor het gemak van uit dat ook D66 de toegankelijkheid van het onderwijs belangrijk vindt. O, ik hoor dat de SP daarvan niet zo overtuigd is. Maar dan doe ik het for the sake of the argument. Laten we als gezamenlijk punt nemen dat we zo goed mogelijk willen weten wat de effecten van deze wet zullen zijn. Zo raar is het toch niet om een ex-ante-evaluatie uit te voeren bij zo'n ingrijpende stelselwijziging waarbij zo veel voorspellingen in twijfel worden getrokken, bijvoorbeeld over wat er precies gaat gebeuren met de investeringen en over de vraag of studenten wel of niet zullen afhaken? Zou D66 daarvoor voelen, in het kader van de zorgvuldigheid?

De heer Van Meenen (D66):

Nee, en wel omdat het al zeer uitvoerig is gebeurd. Ik heb op mijn bureau een enorme stapel onderzoeken liggen. Het probleem met deze onderzoeken is dat geen ervan exact kan voorspellen wat de toekomst zal zijn. Op een aantal punten wil ik het ook niet eens voorspellen. Ik wil op dit moment niet exact weten wat de investeringen zijn. Ik wil dat overlaten aan de instellingen en aan de studenten, die op dit punt ook instemmingsrecht krijgen. Ik heb geen enkele behoefte om er van tevoren naar te kijken. Wel ben ik zeer bereid om vanaf het moment van invoering heel goed te kijken naar de effecten. Het lijkt me een stuk zinvoller om naar de werkelijkheid te kijken.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Dat verbaast me dan toch. Als D66 nog iets van haar onderwijshart zou willen laten voelen bij dit onderwerp, dan zou ze zo'n stelselwijziging toch niet aangaan zonder haar uiterste best te doen om goed van tevoren te weten wat de effecten zullen zijn? Natuurlijk, het zijn verwachtingen van effecten. Je kunt dat nooit als harde waarheid presenteren. Maar een ex-ante-evaluatie van de effecten van een wet is helemaal geen raar instrument. Dan kunnen ook alle onderzoeken die er liggen, worden meegenomen en hebben we een iets scherper beeld. Dat moet voor een onderwijspartij toch het minste zijn voordat ze een stelselwijziging doorvoert?

De heer Van Meenen (D66):

Het feit dat ik geen ex-ante-evaluatie wil, zegt niets over mijn onderwijshart. Dat klopt hier van binnen heel hard. Dat geldt ook voor mijn partij. Ik zie die relatie dus helemaal niet. Ik zeg wel dit, en dat doe ik ook even als wiskundeleraar: het is buitengewoon lastig om gedrag te voorspellen. Het is heel makkelijk om een tabelletje of een grafiekje te maken. Dat ziet er allemaal heel strak en snel uit. Juist vanuit die rol zeg ik echter tegen mevrouw Ouwehand: hoed u voor dit soort rapporten. Die kosten heel veel geld. We hebben er een hele stapel van liggen. We hebben er ook zeer zorgvuldig naar gekeken. Ik kijk echter liever gewoon naar de werkelijkheid. Die werkelijkheid is bovendien nog beïnvloedbaar. Als wij studenten zeer goed voorlichten en hen wijzen op de effecten van dit stelsel en op het juist buitengewoon sociale aspect van de lening, ben ik ervan overtuigd dat echt iedere student zal kiezen voor een studie. Daar zal ik aan het eind ook nog iets over zeggen. Het is dus beïnvloedbaar, op elk moment, ook door de heer Van Dijk.