Bijdrage Ouwehand AO Landbouw in ontwik­ke­lings­landen


17 november 2011

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Ik vervang in dit AO mevrouw Thieme, die helaas moest afzeggen. Een beter milieu begint bij jezelf, en dat geldt ook voor het verbeteren van de voedselzekerheid in de wereld. De westerse wereld consumeert meer dan zijn eerlijk aandeel, en als wij serieus menen dat de honger de wereld uit moet, is dat het eerste dat moet veranderen. Honger is geen technisch probleem dat opgelost kan worden door de voedselproductie te verhogen, maar een verdelingsvraagstuk. Ik mis hiervoor aandacht van het kabinet. Dat landen als China en Saudi-Arabië op grote schaal landbouwgrond opkopen in het buitenland om voedsel te kunnen produceren voor de eigen bevolking -- land grabbing -- is een groot probleem. Maar als je kijkt naar de import en export van voedingsmiddelen en agrarische grondstoffen, dan legt ook de EU wel degelijk beslag op landbouwgronden in landen buiten de eigen grenzen. De EU gebruikt 20,6 miljoen hectare land in ontwikkelingslanden. Het grootste gedeelte van het landbouwareaal staat ten dienste van onze vleesconsumptie. 80% van het mondiale landbouwareaal is in gebruik voor de productie van vlees en zuivel, en 80% van de commerciële visbestanden is inmiddels bedreigd. Om mensen in ontwikkelingslanden dus een eerlijke kans te geven om in hun eigen behoeften te voorzien, moeten wij onze consumptie van dierlijke eiwitten minderen. De staatssecretarissen benoemen voedselzekerheid als speerpunt in ontwikkelingssamenwerking. Als zij dat menen, dan moeten wij onze levensstijl aanpassen en stoppen met het exporteren van die levensstijl naar landen als China. Door onze eigen economie en voedselproductie te regionaliseren, stellen wij ontwikkelingslanden in staat dat ook te doen. We moeten onze voetafdruk verkleinen en de handel eerlijker maken. De staatssecretaris gelooft toch zeker zelf niet dat nog verdergaande liberalisering van de mondiale handel monden zal gaan voeden? Dat is een verkooppraatje, zodat ontwikkelingslanden hun markten maar wagenwijd openzetten voor onze export. Vandaag zagen we weer een voorbeeld van de gevolgen daarvan. Daar zijn die landen niet bij gebaat. Onze bedrijven profiteren ervan, maar dat was op papier niet het uitgangspunt van dit beleid. Wij moeten inzetten op agro-ecologische landbouw, en niet op grootschalige monocultures die afhankelijk zijn van fossiele grondstoffen door het gebruik van kunstmest en bestrijdingsmiddelen. Geloof niet in de belofte dat gentech de oplossing is. Dat horen we al 30 jaar, maar de droogteresistente gewassen die ondertussen op de akkers staan kwamen tot stand door klassieke veredeling.

Wij moeten investeren in kleine boeren. Zij dragen de voedselproductie in ontwikkelingslanden, en zij verdienen onze steun. Olivier De Schutter, speciaal gezant van de Verenigde Naties (VN) voor het recht op voedsel, benadrukt dat keer op keer. Dit kabinet lijkt niet te willen luisteren naar deze expert, maar wel naar de chief executive officers (CEO's) van grote bedrijven. Onze belastingcenten die bedoeld waren voor ontwikkelingshulp gaan daarmee nu naar multinationals, zodat die een groen stickertje op hun producten mogen plakken. Het IDH is een gesubsidieerde greenwashoperatie, bedoeld om de aanvoer van grondstoffen naar ons land veilig te stellen zonder al te veel gezeur van maatschappelijke organisaties over de desastreuze milieugevolgen ervan. Volgens de regering "dragen rondetafels voor soja en palmolie door hun vrijwillige, maar niet vrijblijvende karakter bij aan duurzaamheid voor mens, milieu en de privaatrechtelijke economie", maar daar is niets van waar. De bijnaam voor duurzame soja is terecht gifsoja, want die bestaat uit gentechsoja waarvoor nog steeds wordt ontbost en mensen van hun land worden gejaagd. Bovendien wordt er volop gespoten, waardoor mensen die er nog in de buurt wonen ernstige gezondheidsproblemen krijgen. Voor duurzame palmolie worden mensen van hun grond verdreven en worden rivieren en het leefgebied van de orang-oetan vernietigd. Daarover komen wij nog uitgebreider te spreken met de staatssecretaris van EL&I, maar ik vind het van belang dat ook de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken eens iets anders hoort over het door hem zo bejubelde programma. De Partij voor de Dieren wil dat de regering haar steun intrekt en wil de centjes terug, zodat we die kunnen gebruiken om in te zetten op de ondersteuning van kleine, lokale boeren, ecologische productie en -- al door veel woordvoerders genoemd -- vrouwen. Die kunnen onze steun heel hard gebruiken. De staatssteun aan multinationals is niks anders dan een blamage.

Interruptie bij andere partijen:

[…]

Mevrouw De Caluwé (VVD): Voorzitter. De VVD steunt het beleid op het gebied van voedselzekerheid zoals dat door het kabinet is ingezet, vooral wat het bilateraal beleid betreft. De focus van het beleid op onder andere voedselzekerheid, en daarmee landbouw, komt op een gunstig moment.

[…]

Wat betreft die kleinschalige landbouw waar vrouwen in werken: veel ngo's hameren vooral op het concentreren op kleinschalige landbouw. Ik heb dat hier ook van de collega’s aan tafel gehoord. In Europa heeft landbouw echter pas een vlucht genomen toen individuele boeren gingen samenwerken. Houdt de staatssecretaris ook rekening met de waarschijnlijkheid dat het aantal kleine boeren in ontwikkelingslanden de komende jaren zal afnemen? Net als in Nederland in de recente decennia trekken jongeren meer naar de stad, en zoeken zij andere banen. Bovendien is kleinschaligheid arbeidsintensief en daardoor duurder. Voorziet de staatssecretaris in een transformatie naar landbouw op grotere schaal en, zo ja, hoe?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Waar baseert de VVD haar stelling op dat grootschalige landbouw goedkoper zou zijn? Ik vraag mij af of de VVD waarde hecht aan de rapporten geproduceerd door het panel van landbouwwetenschappers van de International en de VN-rapporteur voedselzekerheid, Olivier De Schutter.

Mevrouw De Caluwé (VVD): Het gaat er niet om dat ik waarde hecht aan grootschalige landbouw, het gaat om samenwerken. Het gaat niet meteen om het omvormen van eenvrouws- of eenmanslandbouwbedrijven tot heel grote bedrijven, maar het is wel een feit dat op het moment dat mensen gaan samenwerken, er een soort coöperatie ontstaat, of dat verschillende boeren met elkaar handel gaan drijven of samen zaken gaan opzetten. Dat hebben wij ook in Mozambique kunnen zien. Dat is vaak efficiënter en goedkoper. Men kan kennis delen en gezamenlijk gebruikmaken van verschillende materialen. Daar is dus wel degelijk een voordeel te behalen. Ik heb het dus niet meteen over heel grote landbouwbedrijven met 200 of 300 koeien en dergelijke.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Dan ben ik voor dit moment gerustgesteld. Ik was even bang dat ik de VVD hoorde zeggen dat het beter was om de ontwikkeling en de voedselproductie in handen te leggen van echt grote multinationals, ten opzichte van kleinschalige boeren. Als de VVD bedoelt dat kleinschalige bedrijven in een coöperatie kunnen samenwerken, dan ben ik even gerustgesteld.

[…]

Mevrouw Ferrier (CDA): De CDA-fractie stelde vragen over de invulling van de 300 mln. aan ODA-middelen op de begroting van EL&I, de topsectoren. Een groot gedeelte hiervan wordt besteed aan landbouw en voedsel. Het is wel van groot belang dat er breder wordt ingezet dan alleen richten op de productie. Voor duurzame en stabiele groei, en ook voor voedselzekerheid, moet geïnvesteerd worden in een veel bredere context. Ik noemde al een aantal zaken. Kan de staatssecretaris aangeven welke programma's hiermee precies gefinancierd worden, en hoe deze op ontwikkelingsrelevantie beoordeeld worden?

[…]

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik noem de motie van mevrouw Ferrier, die zij op 28 juni van dit jaar heeft ingediend. Daarin staan heel mooie constateringen en overwegingen over het belang van het behoud van biodiversiteit, klimaat en water, juist voor ontwikkelingslanden.

Toen ik die motie las dacht ik: eigenlijk zou ik het met mevrouw Ferrier in de debatten over het klimaat willen hebben. Want je kunt het onderwerp wel individueel adresseren in een debat over de ontwikkelingslanden, maar het beleid loopt natuurlijk. Ik zie de CDA-fractie dan toch op de rem staan wat betreft een ambitieus klimaatbeleid, terwijl we weten dat dat ontwikkelingslanden in de problemen helpt. Ik vraag haar dus wat de motie betekent. Gaan we wachten tot er een brief over komt of mogen we van de CDA-fractie verwachten dat zij deze motie ook als kern neemt in haar reacties op klimaatvoorstellen, biodiversiteit en noem maar op?

Mevrouw Ferrier (CDA): De motie is aangenomen, en volgens mij bijna Kamerbreed. Zij is dus staand beleid voor de CDA-fractie.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Dan kan ik niet anders dan mijn verbazing uitspreken over de twee gezichten van de CDA-fractie. Mevrouw Ferrier doet de debatten over klimaat en biodiversiteit niet, maar ik vraag haar dan om binnen de CDA-fractie een ruil voor te stellen, zodat zij deze inbreng ook kan leveren in debatten die daarover gaan. Wij hebben de motie gesteund en volgens mij moeten we doen wat erin staat. Ik zie dat echter nergens terug, behalve een keer individueel, in een debat over ontwikkelingssamenwerking. Dan blijft het wat obligaat, en dat is zo jammer.

Mevrouw Ferrier (CDA): De inbreng in het ontwikkelingsdebat is bepaald niet obligaat. Iedereen die weet hoe mijn partij hier in zit, hoe belangrijk wij de vergroening en de verduurzaming van het ontwikkelingsbeleid vinden. Daar sta ik voor, en die motie is aangenomen. Ik controleer in de debatten de bewindslieden op de afspraken die wij gemaakt hebben, en daar kan iedereen mij aan houden.

Beantwoording door Staatssecretaris van Europese Zaken & Ontwikkelingssamenwerking:

Staatssecretaris Knapen: […] Voorzitter. Door diverse woordvoerders is gevraagd naar de stand van zaken. Uit de eerdere opzet van samenwerking tussen beide departementen hebben we natuurlijk het IDH gekregen, wat we een aanzienlijke tempoversnelling hebben gegeven op basis van enkele heel hoopgevende resultaten. Ik noem als voorbeeld de duurzame cacao, wat een groot succes was. W ij hebben in de twee brieven die hierover zijn geschreven ook gewezen op een aantal resultaten op het gebied van certificering en verduurzaming van producten die daar gemaakt worden, zodat zij toegang hebben tot de Europese markt. Er is het gebied van landbouwproducten in Oost-Afrika. Zelf heb ik nog niet zo lang geleden een visverwerkend bedrijf bezocht in Indonesië, via het Centrum tot Bevordering van de Import uit ontwikkelingslanden (CBI). Daar is succes geboekt in termen van mogelijkheden om toegang te krijgen tot de Europese markt met deze producten. Er is een aantal strategische plannen ontwikkeld dat op dit moment nog loopt en waar wij bij aansluiten, maar de eerste stappen zijn gezet. Die waren hoopgevend genoeg om daar op deze manier op voort te borduren. Dat doen wij door het sterk te zoeken in investeren in de richting van productieve sectoren. Dat betekent niet dat we in het grote bedrijfsleven zouden investeren. Als ik kijk naar de diverse activiteiten die we hebben, dan is er een groot aantal activiteiten dat juist ten dele of grotendeels is gericht op het kleine boerenbedrijf, op de small farmer. Dat geldt voor activiteiten zoals public privat partnerships (PPP), voor het ondersteunen van coöperaties en van voorraadbeheer op kleine schaal, aan het begin van de keten. Dat geldt ook voor investeringen die we doen. Ik heb het zelf gezien in Oost-Congo.

[…]

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik houd er niet van om in dierenmetaforen te spreken, dus ik zal het niet hebben over een olifant die zo groot is dat je 'm niet ziet. Ik heb echter een levensgroot probleem benoemd, en ik krijg sterk de indruk dat de staatssecretaris van
Buitenlandse Zaken dat letterlijk doodzwijgt. De manier waarop en de mate waarin wij hier consumeren, maakt dat het ontwikkelingslanden nooit ofte nimmer gaat lukken om in de eigen behoefte te voorzien. Ik heb om een reactie daarop gevraagd, maar van de
verantwoordelijke voor ontwikkelingssamenwerking krijg ik helemaal niks terug. Ik vind dat verontrustend.

Staatssecretaris Knapen: Mijn excuses aan mevrouw Ouwehand. Ik had dit verstaan als een cri de coeur in plaats van een vraag, en daarom had ik mij niet geprepareerd op een antwoord. Misschien moet ik verwijzen naar de toespraak van enkele weken geleden, van onze permanente vertegenwoordiger bij de Wereldvoedselorganisatie (FAO). Die stelde vast dat de hoeveelheid voedsel die in westerse landen wordt weggegooid, van een omvang is dat een deel van het probleem waar wij het over hebben al zou kunnen worden opgelost als je dat beter zou hebben beheerst. Daar ben ik het van harte mee eens. Wat betreft maatschappelijk verantwoord ondernemen en verduurzaming is het zaak dat wij niet alleen naar een ander kijken, maar ook naar onszelf.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik heb maar één interruptie, ik heb die bewaard. Ik was namelijk echt benieuwd of deze staatssecretaris het lef zou hebben om te erkennen dat de consumptie van dierlijke eiwitten in het westen maakt dat we straks twee of drie extra
wereldbollen nodig hebben. En die hebben we niet. Uiteindelijk zal dat ook wat vervelende gevolgen hebben voor ons, maar vooral voor mensen in ontwikkelingslanden. Ik vind het veel te gemakkelijk om alleen maar te verwijzen naar de grote hoeveelheid voedsel, die we inderdaad weggooien. Dat moet natuurlijk anders, maar daar liggen grote problemen onder. Als de verantwoordelijke voor ontwikkelingssamenwerking dat niet durft te benoemen, dan weet ik niet waar we nog moeten beginnen.

De voorzitter: Dat was geen vraag, maar een constatering.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik wil graag een reactie. Ik geef de staatssecretaris de gelegenheid om hier te zeggen hoe hij daarnaar kijkt.

De voorzitter: Uw vraag is beantwoord, en op grond van het antwoord hebt u een constatering gedaan.

[…]

Beantwoording door Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie:

Staatssecretaris Bleker: Voorzitter. Zoals de heer Knapen al aangaf, ziet hij de inschakeling van het Nederlandse bedrijfsleven in ontwikkelingslanden, voor voedselzekerheid, als een middel. Voor mij is het meer dan een middel; het is ook een belang. En als ik de afgelopen jaren zo de revue laat passeren, als ik kijk naar rapportages die ik heb ontvangen van andere bewindslieden en denk aan mijn eigen bezoeken aan ontwikkelingslanden, dan constateer ik dat we de vraag niet aankunnen.

[…]

Ik kom op de relatie met het gemeenschappelijk landbouwbeleid van Europa. Op verzoek van de Kamer hebben wij gezegd dat de heer Ciolos, voordat hij het nieuwe Europese landbouwbeleid presenteert, met een analyse moet komen van wat de effecten zijn voor de ontwikkelingslanden. Die analyse is er, het zijn duizend pagina's. Eén beeld is duidelijk: het is voorbij met de periode dat wij de toestroom van producten uit ontwikkelingslanden begrenzen. Het is nu 0,5%, en wij willen naar 0%. Vroeger was het 20, 30, 25%, dat waren tariefbarrières. In de tweede plaats zijn er de OESO- en WTO-richtlijnen, definities van handelsverstorende steun. Wij hebben bekeken of de nieuwe steun aan de Europese boer, die ontkoppelde, doelgerichte inkomenssteun, als niet handelsverstorend is beoordeeld op basis van de criteria van OESO en WTO. Dat is het verhaal. Wat mij betreft moet het dus afgelopen zijn met steeds weer dat beetje smoezelige over het Europese landbouwbeleid heen hangen, dat het ten koste zou gaan van de ontwikkelingslanden. Dat is niet zo. Die 0,5% wordt 0%. Het is nu dus al veel minder dan 20%, en het is niet handelsverstorend gezien de definitie van de OESO en WTO. Dat wilde ik er ook nog even bij zeggen.

Wat de topsectoren betreft geldt hetzelfde principe: als daar ontwikkelingssamenwerkingsgeld aan verbonden is, moet het altijd de extra plus hebben voor de lokale ontwikkeling. De topsectoren zijn nu zelf bezig met te bekijken welke pilotlanden interessant zijn. De topsector agro en food heeft twee tot drie pilotlanden in beeld, de topsector tuinbouw en uitgangsmaterialen denkt aan acht landen. Dat wordt allemaal nog geconcretiseerd, maar zoals staatssecretaris Knapen al aangaf is er een taskteam dat dit verder gaat uitwerken. Ik vind dat men daar dus op een positieve manier mee bezig is.

[…]

Mevrouw Ouwehand noemde de inzet op agro-ecologische landbouw. En zij sprak over de drie wereldbollen. Ik zou er bijna van gaan dromen, van drie wereldbollen nodig hebben om 9 miljard mensen te voeden. Maar je kunt het ook anders zeggen. Als in alle grote bevolkingsconcentraties in de wereld, dus de grote steden waar 5, 10, 15 miljoen mensen wonen, even efficiënt voedsel geproduceerd zou worden als in Nederland, dan zouden niet eens extra hectares nodig zijn. Dan hoeven er geen bossen meer gekapt te worden. Die kant van de medaille is er ook. Is onze voedselproductie dan in alle opzichten oké?

Natuurlijk niet, daar moet nog een hoop aan gebeuren wat betreft klimaateffecten, CO2- footprint, enzovoort. Daar ben ik het mee eens. Maar de andere kant van de medaille is dus dat, als men zo hoogefficiënt zou kunnen produceren als in Nederland ... Voor een deel willen landen dat. In landen met veel droogte zit men bijvoorbeeld te springen om rassen die beter droogtebestendig zijn, die langer tegen droge periodes kunnen. Wij kunnen die hier ontwikkelen met Rijk Zwaan, met andere bedrijven die prominent zijn op de wereldmarkt wat betreft nieuwe teelt en nieuwe rassen. Dat is de manier waarop wij denken. Mevrouw Ouwehand heeft dus geen gelijk met haar drie wereldbollen, en ik ook niet met de opmerking dat wij het allemaal zouden moeten doen als in Nederland. Het zit er ergens tussenin. Maar als we het goed doen, kunnen we het volgens mij echt op één wereldbol.

[…]

De voorzitter: Een punt van orde. Staatssecretaris Bleker is aanstaande maandag niet bij het overleg. Ik stel voor dat de vragen aan hem kort aan de orde gesteld worden in de tweede termijn, en dat hij kort antwoordt. De vragen aan de staatssecretaris van
Buitenlandse Zaken dienen wij schriftelijk in. Wij willen graag aanstaande maandag voor 11.00 uur de antwoorden hebben. Is dat akkoord?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik moet nu weg. Ik wil graag moties indienen, maar ik kan maandag niet bij het wetgevingsoverleg zijn. Ik wil daarom een VAO over dit AO op de plenaire agenda plaatsen.