Bijdrage Ouwehand AO Landbouw- en Visse­rijraad


26 november 2008

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Het zal u zijn opgevallen dat wij vorige week een spoeddebat hebben aangevraagd, omdat er een rapport ligt waar wij lang om gevraagd hebben. Afschaffing van de zuivelquotering, analyse van de milieueffecten. Dat rapport was in elk geval op 6 november al op beide departementen bekend. De Kamer heeft hierover op 13 november het laatste debat gevoerd met de minister van LNV over de Nederlandse inzet met betrekking tot die zuivelquotering. En wat blijkt? Het rapport geeft letterlijk de aanbeveling om niet verder te lobbyen voor meer dan 1%, dus niet verder dan was voorgesteld door de Europese Commissie.
Het kabinet heeft zijn inzet niet bijgesteld en het heeft ook de Kamer niet op tijd op de hoogte willen stellen van het feit dat die inzet nog tijdens dat AO bijgesteld had kunnen worden. Het duurzame masker van dit kabinet is nogmaals gevallen. De nietsontziende quotumlobby heeft weer eens laten zien dat hebzucht prevaleert boven een adequate aanpak van de grote maatschappelijke uitdagingen waar wij nu al voor staan. Ik noem de falende aanpak van de ammoniakuitstoot uit de veehouderij, die nu al 70% van de natuurgebieden ernstig aantast. Wij zien geen verbetering daarin. Vorige week donderdag stonden in NRC Handelsblad twee koppen naast elkaar. De eerste: «Ruimer quotum voor melk in Europa», en de tweede: «Nederland staat aan de top met vervuiling». De melkproductie in Nederland mag worden uitgebreid, een vurige wens van de landbouwminister en de grote jongens in de zuivelsector, maar meer melk betekent ook meer ammoniakuitstoot, en laat die ammoniakuitstoot in Nederland nu net het allerhoogste zijn van heel Europa. Tekenende koppen op één pagina voor het falende milieubeleid in Nederland. Voorzitter. De regering dweilt met de kraan open en de milieuminister laat de landbouwminister de kraan gewoon een stukje verder opendraaien, zonder te kijken of haar dweil wel groot genoeg is om al dat water op te nemen. Ik vind het onbegrijpelijk dat de milieuminister de realisatie van haar scherpe milieudoelstellingen afhankelijk maakt van een minister die heeft bewezen, aan de leiband van de sector te liggen, een minister die keer op keer heeft laten zien, moties voor een duurzamere aanpak niet te willen respecteren en die, zelfs tegen bestaande wetgeving in, de sector laat voortmodderen, totdat zij wordt teruggeroepen door de Raad van State. Van deze minister valt dus weinig te verwachten bij het dienen van het algemeen milieubelang. Wij zijn als Kamer bijna een jaar lang aan het lijntje gehouden, zodat minister Verburg in Brussel lekker ongestoord haar gang kon gaan. En de milieuminister stond erbij en keek ernaar. Onbegrijpelijk. Ik wil vandaag duidelijkheid over hoe dit heeft kunnen gebeuren, waarom de Kamer belangrijke informatie is onthouden en waarom de regering niets heeft gedaan met de conclusies van het rapport van het Centrum voor Landbouw en Milieu.
Afgelopen maandag, 17 november, kreeg de Kamer eindelijk het rapport over de milieueffecten van de verruiming van het melkquotum. Dat was in maart al toegezegd door de milieuminister. Het rapport kwam een dag voor de finale onderhandelingen in Brussel over uitbreiding. De Kamer heeft, zoals gezegd, geen gelegenheid gehad om bij het AO daarover met de minister van gedachten te wisselen en het kabinet heeft de conclusies uit het rapport niet als een signaal opgevangen om de inzet te wijzigen. Waarom niet? Waarom is het rapport als mosterd na de maaltijd pas na de Kamer gestuurd? Uit de brief over het ammoniakgat blijkt dat de resultaten al op 6 november op beide departementen bekend waren. Was de letterlijke regel: «wij bevelen aan, binnen de EU niet meer te lobbyen voor een grotere uitbreiding van de quotering dan nu wordt voorgesteld» misschien niet afschrikwekkend genoeg? Waren al die effecten van ammoniak en mest wel weg te poetsen, terwijl wij hier steeds tegen het kabinet zeggen: let daar nu op, want dat gaat de spuigaten uitlopen? De regering lijkt de controlerende taak van het parlement te ondermijnen op deze manier. Ik wil zelfs spreken van minachting van de Kamer. Ik hoor graag waarom ik het anders zou moeten opvatten.
Waarom heeft de regering niets gedaan met de aanbevelingen? Waarom heeft minister Verburg het mandaat behouden om voor 3% quotumuitbreiding te gaan? De verschillende beleidsdoelstellingen zullen niet worden gerealiseerd bij een groei van het melkquotum met 8% tot 2015. Het rapport bevat de stelling dat de milieugebruiksruimte hiervoor onvoldoende is, en dat anders verregaand en kostbaar milieubeleid nodig zou zijn. Deze conclusies staan niet op zichzelf. Niet alleen ik heb al vanaf
november vorig jaar mijn zorgen geuit over de verruiming van het melkquotum. Het Planbureau voor de Leefomgeving en de Algemene Rekenkamer stellen beide ook dat hieraan grote risico’s kleven voor de realisatie van de milieudoelen. Het enige antwoord dat ik tot nu toe krijg, is dat deze uitbreiding plaats moet vinden binnen de geldende milieurandvoorwaarden. Maar hoe dan? Daar geeft niemand antwoord op. De milieuminister niet, want die laat het over aan haar collega op LNV, en de collega op LNV besteedt haar tijd liever aan het doorknippen van lintjes in de bio-industrie en het aanboren van nieuwe afzetmarkten voor ons overschot aan zuivel en vlees, dan bezig te gaan met oplossingen voor de vraag hoe de milieubelasting in de hand kan worden gehouden. Dan heb ik het nog niet eens over de randvoorwaarden die daaraan gesteld worden, want hoe wij het dierenwelzijn hier gaan inpassen, dat antwoord blijft steeds maar vooruitgeschoven worden. Ook de sector – als wij het al over afspraken moeten hebben – stond hier vorige week met de mond vol tanden toen ze in de Kamer hun plan kwamen presenteren voor een duurzame zuivelketen. Toen ik hen vroeg hoe men het rapport van het CLM zou willen beoordelen, was het enige antwoord: nou ja, er liggen wel wat uitdagingen. Dat kan natuurlijk niet. Wat moet ik concluderen uit deze afwachtende houding? Hoe lang moeten milieudoelen nog het onderspit delven ten opzichte van de hebzucht naar meer?
Voorzitter. Ik rond dit punt af. De veelkleurige folder van het beleidsprogramma van het kabinet vertelt dat respect voor het leven van mens, dier en natuur het leidende beginsel is. Ik moet vandaag concluderen dat wij te maken hebben met het tegenovergestelde.
Tot slot wil ik kort stilstaan bij een punt dat ik zelf aan de agenda zou willen toevoegen. Ik doe een korte oproep aan de minister, die weer naar Europa vertrekt. Het gaat om de slachting van dolfijnen bij de Faeröer Eilanden in Denemarken. Wij ontvangen daar heel veel verontrustende geluiden over en ik zou de minister willen vragen om daar actie op te ondernemen.

Interrupties bij andere partijen

[…]

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik dacht: misschien komt het nog, want ik hoorde de heer Waalkens complimenten geven voor de inzet van de minister. Daarna uitte hij zorgen over hoe wij de verruiming van het melkquotum moeten gaan begeleiden binnen de milieu- en dierenwelzijnsrandvoorwaarden. Dan kun je het compliment natuurlijk niet overeind houden. In het CLM-rapport staat: kabinet, hou op met de lobby voor meer dan 1%, want de doelstellingen worden niet gehaald. Als wij op de 2% tot 3% van de minister waren uitgekomen, dan zouden wij in 2010 al in enorme problemen zijn gekomen. Het kabinet heeft dat niet bijgesteld en het heeft ook de Kamer niet op tijd geïnformeerd. Hoe kunt u nu zo’n inzet complimenteren? Het zijn heel grote risico’s die het kabinet gelopen heeft in Brussel!

De heer Waalkens (PvdA): Als afgeleide van de conclusies van de Health Check is er een groot budget voor Nederland extra beschikbaar gekomen om milieumaatregelen te nemen, maar ook te faciliteren. Ik denk, en dat heb ik ook in mijn termijn gezegd, dat de conclusies van de besluiten die nu in Brussel genomen zijn, ons voor grote uitdagingen stellen, niet voor onmogelijke uitdagingen. Ik heb aan de minister van VROM gevraagd wat zij vindt dat er nu moet gaan gebeuren.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Dat is mijn vraag niet. Ik weet ook wat er in Brussel is uitgekomen. Gelukkig heeft onze landbouwminister haar zin niet gekregen. U hebt haar complimenten gemaakt, mijnheer Waalkens, voor de inzet van dit kabinet. Die inzet heeft de hele wereld in de uitverkoop gezet en heel grote risico’s voor het milieu met zich gebracht. Daar kunt u toch geen compliment voor maken? Ik zou hetomgekeerde denken.

[…]

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Ik begrijp dat er wat ophef was over het feit dat ik even de zaal uit was. Ik zeg meteen: u hebt een punt. Als u een punt hebt, ben ik ook zo eerlijk om dat toe te geven. Ik had een gesprek dat belangrijk was, u kent mij als iemand die veel wil doen, dus mijn verontschuldigingen daarvoor. In de gebakken lucht herken ik mij niet, wel in gebakken broeikasgassen misschien. Het rapport van het CLM is glashelder. De minister ging met een desastreus verlanglijstje naar Europa, naar Brussel, terwijl het rapport er al lag. Het kabinet heeft zich niet geroepen gevoeld om de conclusies uit dat rapport serieus te nemen. Dat vind ik nu schandelijk en ik ben blij dat de Kamer hier de vinger weet te leggen op wat fatsoenlijk is en wat niet. In dit geval ging het over mij. Ik zou het erg op prijs stellen als u die vinger ook eens naar het kabinet zou willen en durven wijzen, want als u de feiten bekijkt, dan kunt u geen andere conclusies trekken.

De heer Atsma (CDA): Voorzitter. «Als ik de feiten bekijk?». Ik kijk naar de feiten! En ik hoop ook dat u naar de feiten kijkt. Weet u wat de afgelopen tientallen jaren gebeurd is in de melkveehouderij? Weet u dat werkelijk? Weet het CLM dat werkelijk? Het CLM doet niets anders dan een generiek model neerleggen. Het CLM kijkt niet naar de productieverhoging per koe, om maar eens een voorbeeld te noemen. Het CLM kijkt niet naar wat er in de afgelopen tientallen jaren is gebeurd met de melkveestapel. In die zin zeg ik: u zit gewoon gebakken lucht te verkondigen, in alle opzichten. Ik kan mij voorstellen dat u in het afgelopen half uur, want u had natuurlijk een dwingend gesprek, misschien wel over dit onderwerp, weer even uw cijfertjes hebt bijgesteld, maar als ik u gewoon vertel dat de afgelopen jaren de melkveestapel met 10%, 25% of misschien wel 30% is teruggelopen, dan kan ik mij niet voorstellen dat u zegt: dat doet er niet toe.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Ik ben blij dat ik de heer Atsma even heb kunnen laten uitrazen, want het is duidelijk dat hij een gerenommeerd onderzoeksbureau volledig onder de tafel schoffelt. Dat vind ik erg kwalijk. Waar de heer Atsma niet op ingaat, is dat hij er blijkbaar akkoord mee gaat dat de belangrijkste randvoorwaarde, het dierenwelzijn, nog niet is ingevuld en dat dit pas ergens volgend jaar komt en dat wij in de tussentijd geen antwoord kunnen geven op de vraag hoe wij nu én de milieudoelstellingen realiseren, én het welzijn van de dieren verbeteren. Als u, mijnheer Atsma, trots durft te zeggen dat de productie per koe omhoog is gegaan en dat wij dus hebben helemaal geen milieuproblemen hebben, dan denk ik dat u echt nog eens even bij uzelf te rade moet gaan. Wij moeten af van de harde werkelijkheid. Mensen pikken het niet meer dat koeien nog meer worden opgesloten en nog meer moeten gaan produceren.

De voorzitter: De heer Atsma geeft een kort antwoord en gaat dan verder met zijn betoog.

De heer Atsma (CDA): Ik zou aan collega Ouwehand willen vragen of zij weet hoeveel koeien in de afgelopen jaren uit Nederland zijn verdwenen. Kent u dat cijfer? Kent u die aantallen? Weet u dat wij nu ver onder het aantal zitten van een halve eeuw geleden? Weet u dat wij nu ver onder het aantal van 25 jaar geleden zitten?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ja, en ik geef net aan dat ik dat helemaal geen goede ontwikkeling vind met het oog op het dierenwelzijn.

De heer Atsma (CDA): Waarom niet? Dat is toch volstrekte onzin! Wilt u dus de koeien weer op de ouderwetse grupstal hebben, met de staart vast en de kop vast?
Mevrouw Ouwehand (PvdD): Nee, voorzitter.

De heer Atsma (CDA): Ik bedoel: waar hebben wij het dan over? Wees toch een beetje realistisch!

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. De heer Atsma kent mijn pleidooi dat wij de grote problemen waarvoor wij ons nu gesteld zien – milieu, dierenwelzijn, natuur – alleen kunnen oplossen als wij teruggaan naar een veestapel die binnen die randvoorwaarden blijft. Dan hebben wij het niet over koeien die wij vastzetten in grupstallen.

De heer Atsma (CDA): Voorzitter...

De voorzitter: Nu even stil, mijnheer Atsma. De heer Waalkens.

De heer Waalkens (PvdA): Allereerst wil ik tegen mevrouw Ouwehand zeggen: excuses aanvaard. Tegen mijn collega Atsma wil ik toch ook zeggen dat je de problemen die er op dit moment zijn en de uitdagingen die er zijn op milieuterrein, niet kunt afdoen met «er is niets aan de hand». Steek je kop niet in het zand, wij hebben een enorme opdracht. Ik vind het jammer dat de CDA-fractie in de verantwoordelijkheid die wij hebben voor het hele ecologische systeem gewoon voorbijgaat aan de problemen die er toch wel liggen. Ik noem ze dan liever uitdagingen, maar wij moeten scherp aan de wind zeilen en ontkennen heeft helemaal geen zin, mijnheer Atsma.

De heer Atsma (CDA): Voorzitter. Dat is een andere vraag. Ik heb het ook niet over het ontlopen van uitdagingen, ik reageerde op collega Ouwehand en haar zwart-witte benadering dat het allemaal slecht zou zijn en dat er niets zou zijn gebeurd. Ik stel vast dat het aantal koeien heel fors is teruggelopen, met een half miljoen of zoiets. Ik stel vast dat de milieudruk niet is toegenomen, dankzij de innovatieve kracht van de sector. Ik stel vast dat die innovatieve kracht de komende jaren nog verder op de proef zal worden gesteld, want daar zitten inderdaad heel veel uitdagingen aan te komen, alleen al in het feit dat de samenleving vindt dat de koe buiten moet lopen. Die opvatting deelt de CDA-fractie, zoals u weet. Dat betekent echter ook dat als je kijkt naar de milieudruk, dat je weer een nieuw probleem moet zien op te lossen. Kortom, wij komen daar graag in bredere zin op terug bij de begrotingsbehandeling. Ik ben het zeker met de heer Atsma eens dat de uitdagingen niet gering zijn, maar het is te gemakkelijk om te zeggen dat de conclusies van het CLM-rapport alleen maar leiden tot een desastreus toekomstperspectief voor Nederland. Dat is onzin, voorzitter, onzin. Wij hebben daar wellicht een iets andere en iets genuanceerdere opvatting over dan collega Ouwehand, maar daar praten wij in een later stadium wel verder over.

[…]

Antwoord van de bewindslieden
Minister Cramer: Voorzitter. Uit de opmerkingen van mevrouw Ouwehand in het ordedebat van 20 november maak ik op dat zij erop rekende dat de Tweede Kamer het CLM-rapport over de afschaffing van de zuivelquota ruim voor de laatste Landbouwraad van 18 tot en met 20 november en het algemeen overleg daarover zou ontvangen. Eerlijk gezegd heeft collega Verburg noch ik dat toegezegd. Er is dus sprake van een misverstand. Ik leg uit hoe wij zelf de CLM-studie gaan gebruiken. Er was wat mij betreft geen inhoudelijke reden om het CLM-rapport vooraf te bespreken, omdat de discussie over de melkquota al veel langer speelt. In mei van dit jaar is al een besluit genomen over het voorstel van de Europese Commissie tot afschaffing van de melkquota. De afhechting moest weliswaar op 18 tot en met 20 november plaatsvinden, maar de feitelijke discussie hebben wij een halfjaar geleden al met de Kamer gevoerd. Begin juni is het kabinetsstandpunt ten aanzien van de afschaffing van de melkquota naar de Kamer gestuurd. Dat laat onverlet dat minister Verburg en ik ons, net als verschillende van de leden, zorgen maken, want als je de melkquota afschaft, moet je wel zorgen dat je binnen de milieurandvoorwaarden blijft. Daarom hebben wij een onafhankelijk bureau, CLM, gevraagd te onderzoeken welke scenario’s wij onder ogen moeten zien en in hoeverre die scenario’s leiden tot een aanzienlijke verergering van de milieuproblematiek. Het CLM-rapport is bedoeld om naar aanleiding van het besluit uit Brussel van mei jongstleden een pad uit te zetten waarmee wij, hoewel de melkquota worden losgelaten, binnen de milieurandvoorwaarden blijven. Dankzij het CLM-rapport weten wij dat het probleem tot 2015 niet wezenlijk ernstiger wordt dan nu. Er is een aantal milieuproblemen en wij werken hard om ze op te lossen, maar de grootste problemen doen zich voor vanaf 2015. Wij moeten daar nu al op anticiperen. Met andere woorden: het CLM-rapport maakt inzichtelijk dat wij bij het voeren van ongewijzigd beleid in de problemen komen. Daar zijn wij het allemaal over eens. Afschaffing van de melkquota is dus geen probleem, zo lang wij er maar voor zorgen dat wij binnen de milieurandvoorwaarden blijven. Dat is wat mij betreft keihard. De milieurandvoorwaarden zijn niet vrijblijvend. De heer Waalkens benadrukte dat er duidelijke kwalitatieve randvoorwaarden gekoppeld moesten zijn aan ons beleid, dat naast milieu ook ruimtelijke inpassing aan de orde is en dat een integrale ontwikkeling van beleid nodig is, zodat wij daadwerkelijk afstevenen op een meer duurzame landbouw. Dat is het uitgangspunt. Veel van de wetgeving die wij nu moeten toepassen, maakt dat deze ontwikkeling helemaal niet vrijblijvend is, want Brussel heeft heel scherpe toepassingen ten aanzien van alle milieueffecten. Daar moeten wij zorg voor dragen, inclusief, mijnheer Vendrik, de andere broeikasgassen en de CO2-uitstoot. Die thema’s moeten binnen de milieurandvoorwaarden gegarandeerd zijn. Nogmaals, het is niet vrijblijvend. Daaraan kleven allerlei verplichtingen in het kader van wetgeving. De melkquota hadden een regulerende werking en zorgden ervoor dat wij binnen de milieurandvoorwaarden bleven, maar de oorspronkelijke redenen voor de melkquotering waren de melkplas en de boterberg. De regulerende werking was bijkomstig. Wij staan nu voor de opgave – dat blijkt ook zeer duidelijk uit het CLM-rapport – om sturingsinstrumenten te ontwikkelen waardoor wij, los van de milieuwetgeving, in staat zijn om binnen de milieurandvoorwaarden te opereren. Ook CLM geeft aan dat wij nu al moeten nadenken over en ons voorbereiden op de vraag welke additionele instrumenten sturend kunnen zijn om dat milieudoel te halen. Dat is hetgeen ik in reactie op de opmerkingen van de verschillende Kamerleden over de melkquota naar voren wil brengen.

De voorzitter: Het kabinet spreekt met één mond. Minister Cramer heeft dit dus verwoord namens het kabinet. Het woord is nu aan de Kamerleden.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Dit is een heel slappe verklaring. In mei zijn er afspraken gemaakt over de Nederlandse inzet voor het afschaffen van de melkquotering. Wij hebben daarover een heel jaar gedebatteerd in de Kamer. Daarbij hing steeds de vraag boven de markt: wat betekent het voor het milieu? Van een kabinet dat zegt dat het duurzaamheid hoog in het vaandel heeft staan, mag ik verwachten dat het een rapport waarin letterlijk de aanbeveling staat om niet verder te gaan dan die voorgestelde 1%, serieus neemt. Uit de resultaten van het CLM-rapport blijkt dat al extra beleid nodig is bij een uitkomst van 1%. Nu kan de milieuminister natuurlijk hebben gedacht: de landbouwminister gaat maar, want er komt toch wel 1% uit. Maar dat is natuurlijk niet hoe wij hier werken. De inzet was 2% tot 3%. Het CLM-rapport wijst uit dat dit beleid risicovol was.
En wat betreft het misverstand waarover de milieuminister spreekt: wij zijn er pas later achter gekomen dat het CLM-rapport al bekend was op beide departementen. Toen minister Cramer toezegde dat zij het de Kamer zou toesturen voor de behandeling van de begroting van VROM, vond ik dat prachtig. Nu blijkt echter dat zij het veel eerder had en dat de Kamer de inzet van Nederland in Brussel nog had kunnen sturen. De minister had de Kamer daartoe in de gelegenheid moeten stellen. Het kabinet dan wel de Kamer had daar actie op moeten kunnen ondernemen.
De enige reactie die wij lezen op het extra beleid dat CLM aanbeveelt, is dat de landbouwminister aangeeft dat zij voor een duurzame veehouderij met een breed draagvlak in de samenleving is en dat zij convenanten gaat sluiten. Wij hebben met de sector gesproken. Die heeft geen antwoorden.
En over één van de belangrijkste randvoorwaarden, het dierenwelzijn, is nog steeds onduidelijkheid. Ik zie dus nog altijd niet in hoe het kabinet op een verantwoorde wijze binnen die milieurandvoorwaarden gaat blijven.

[…]

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik heb nog een aanvullende zorg hierover. Als wij niet weten hoe wij het welzijn van dieren gaan garanderen en als de minister dat steeds maar voor zich uit blijft schuiven, dan komt het haar natuurlijk wel erg goed uit dat de vragen over het milieu leidend zijn.
Wij maken echter geen afspraken over hoe wij binnen de milieukaders blijven, als wij de belofte van het kabinet om dierenwelzijn op een hoger plan te trekken, niet onze kant op zien komen. Dat moet geregeld zijn voordat wij welke afspraak dan ook maken.

De voorzitter: Het woord is weer aan minister Cramer.

Minister Cramer: Voorzitter. De punten van zorg die naar voren worden gebracht ten aanzien van de vraag of wij werkelijk binnen de milieurandvoorwaarden blijven produceren in de landbouw zijn natuurlijk cruciaal. Ik sta daarvoor. Dat heeft het kabinet zo afgesproken. De melkquota kunnen losgelaten worden. Dat kun je aan percentages koppelen. Minister Verburg komt daar straks op terug. De essentie is echter dat ongeacht wat wij doen, de landbouw moet voldoen aan milieurandvoorwaarden die wij hier met elkaar vaststellen. Dat betekent dus dat het niet vrijblijvend is en dat als wij een convenant afsluiten, dit niet alleen maar een stukje papier is dat je weg kunt gooien als je denkt dat je de doelen niet haalt. Daar staan in de tijdpaden, welke doelen gehaald moeten worden en welke sancties nodig zijn om ervoor te zorgen dat die doelen gehaald worden, zodat de zaak daadwerkelijk afrekenbaar wordt. Dat doen wij ook als het gaat om Schoon en Zuinig. Ook die convenanten zijn niet vrijblijvend. Als de gestelde doelen niet gehaald worden, dan worden extra instrumenten ingezet om ze wel te halen. Dat heeft het kabinet afgesproken.
Collega Verburg zit ook heel hard te knikken. Dit zeggen wij dus nu bij dezen in koor. Dat is de essentie van de aanpak. Met het CLM-rapport in de hand kunnen wij heel goed aan de hand van scenario’s aangeven wat ons te doen staat als een bepaald scenario realiteit wordt. Wij weten – dat staat ook in de samenvatting van het rapport – nu nog niet precies op welk scenario wij afkoersen. Dit is afhankelijk van enkele vragen die ook op pagina III staan. Als wij daar nu al met elkaar aan gaan werken, dan weten wij zeker wat ons allemaal te doen staat als het probleem zich in 2015 echt voordoet, en waarmee wij al ruim voor 2015 begonnen moeten zijn om de slag na 2015 te maken. Die aanpak kiezen wij. Ik zal natuurlijk met collega Verburg ervoor zorgen dat het hierbij niet alleen gaat om milieu, maar ook om ruimtelijke inpassing en zaken die te maken hebben met dierenwelzijn. Dat spreekt voor zich, want daar gaat het natuurlijk om als wij spreken over de veehouderij.
Voorzitter. Daarmee meen ik de hoofdpunten die de verschillende leden naar voren hebben gebracht, te hebben beantwoord.

De voorzitter: Ik begrijp dat minister Verburg geen aanvulling heeft. Dan ga ik naar de kant van de Kamer. Mevrouw Ouwehand.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. De minister is niet ingegaan op de dingen die ik heb aangevoerd om aan te geven dat het helemaal niet op een misverstand berust. Ik vind dat het kabinet, ondanks de inzet die tot dan toe gemandateerd was voor minister Verburg om met een wensenlijstje van 2% tot 3% naar Brussel te vertrekken, had moeten ingrijpen toen dat rapport kwam. Het was zeker al op 6 november bij de departementen bekend. Ik keur die werkwijze echt af. Als de minister daar niet op ingaat, dan ben ik genoodzaakt om daarover een motie in te dienen.

[…]

De heer Vendrik (GroenLinks): Voorzitter. Dit hebben wij helaas vaker gezien. Eerst bouwen wij kolencentrales of verbreden wij snelwegen met heel veel budget en dan zeggen wij: o, nu hebben wij een klimaatprobleem. Dat speelt hier ook, zij het dat het succes niet heel groot is geweest. Wij bieden eerst extra ruimte voor meer productie in de melkveehouderij en dan hebben wij een extra klimaatprobleem. Mag ik met de minister van VROM afspreken dat dit vanaf heden niet meer gebeurt? Kunnen wij afspreken dat als in gevoelige ministeries, zoals LNV, EZ en V en W, besluiten op tafel liggen die een belangrijke relatie hebben met het klimaatvraagstuk of andere milieuvraagstukken, deze eerst integraal besproken worden en dat de Kamer eerst wordt geïnformeerd, zodat zo’n rapport wel degelijk betekenis heeft voor de te maken keuzes, in plaats van dat men eerst keuzes maakt en dan met een rapport komt?
Ik herhaal mijn vraag over de convenanten. Ik speel even mee met het kabinet, dat een convenant wil. Goed. Maar dan willen wij het volgens mij heel graag zien voordat het getekend wordt. Volgens mij willen wij ook enige snelheid. Daarom vraag ik of het convenant in conceptvorm bijvoorbeeld
in april 2009 in de Kamer kan landen.

De voorzitter: Dat waren twee duidelijke vragen op het eind. Minister Cramer.

Minister Cramer: Voorzitter. Ik zal specifiek op de vragen ingaan. Ik heb in mijn eerste reactie een algemeen antwoord gegeven, denkend dat ik daarmee iedereen tegelijk had beantwoord. Ik ben van harte bereid om nog even specifieker te zijn.
Ik begin met de toezegging wanneer wij het CLM-rapport aan de Kamer zouden zenden. Wij hebben toegezegd dat wij dit zouden doen voor de behandeling van de VROM-begroting. Dat is ook gebeurd. Ik vind het vervelend om dan te zeggen dat wij het ook net eerder hadden kunnen doen, maar dit was de afspraak en daar hebben wij ons echt aan gehouden. Dit in reactie op de opmerkingen van mevrouw Ouwehand en de heer Polderman.
Het andere punt betreft de vraag over de percentages. Ik was van mening dat dit al met de Kamer gewisseld was, maar ik merk dat er steeds verwarring is over het percentage waar het om gaat. Op pagina IV van het CLMrapport staat dat het gaat om 8% tot 2015. De realiteit zal om en nabij de
6,5% liggen. Er is gerekend met forsere cijfers dan waar wij op uitkomen. Maar als de Kamer daarover nog nadere vragen heeft, dan licht ik die graag samen met minister Verburg schriftelijk toe, want er is niet maar één percentage. Het ligt wat ingewikkelder. Het hangt namelijk af van specifieke onderdelen. Daarom is het niet zo gemakkelijk om te zeggen of wij op X, Y of Z zitten. Een samenstel van percentages maakt dat wij in het totaal op 6,5% uitkomen. Als de Kamer daar specifiekere informatie over wil, dan ben ik bereid om die samen met collega Verburg te verschaffen.

[…]

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik stel voor dat wij die informatie krijgen voor het algemeen overleg over ammoniak op 2 december.

De voorzitter: Ik vraag de bewindslieden of dat kan.

Minister Verburg: Dat hangt ervan af wanneer wij eventuele vragen tegemoet kunnen zien. Ik wil graag drie werkdagen de tijd hebben om de vragen te beantwoorden, mits die in reële proporties op ons afkomen, want als wij hierover 275 vragen krijgen, dan sta ik nergens voor in.

De voorzitter: Dat is duidelijk. Minister Cramer.

Minister Cramer: Voorzitter. De heer Waalkens vraagt of de derogatie gevaar loopt. Dat heeft geen gevolgen en het moet ook passen in wat je met elkaar afspreekt in een convenant. Dit vormt een onlosmakelijk verbonden geheel. Het hangt natuurlijk ook samen met wetgeving waaraan wij moeten voldoen.
De heer Atsma zei terecht dat wij al veel betere milieuprestaties hebben geleverd, met name door innovaties. Ik ben het daar helemaal mee eens. Ik ben ook van mening dat de sector nog meer kan innoveren en dat dit kan bijdragen aan de vermindering van de milieubelasting. De heer Vendrik heeft gevraagd of voorafgaand aan een definitief convenant het concept hier voorgelegd kan worden. Dat laat ik graag aan collega Verburg over, omdat zij daar als vakminister als eerste verantwoordelijk voor is. Zij zal daar een antwoord op geven. Daarmee meen ik de specifieke vragen beantwoord te hebben.

[…]

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik handhaaf mijn afkeuring en ik ga een motie indienen.

De heer Atsma (CDA): U handhaaft uw afkeuring. Betekent dit dat u een motie van afkeuring indient over de handelswijze van het kabinet? Dat is goed om even door te geven aan de griffie. In dat geval weet de hele Kamer waar zij aan toe is. Ik neem ook aan dat het vandaag gebeurt, want als u de minister wilt wegsturen of haar beleid wilt afkeuren, dan moet dat niet boven de markt blijven hangen. Dan moet u straks onmiddellijk naar de Kamer stappen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik ga straks een VAO aanvragen met de bedoeling om een motie van afkeuring in te dienen.

De voorzitter: Goed. Alle vragen zijn beantwoord. Ik dank minister Cramer voor haar aanwezigheid. Ik vraag minister Verburg om de resterende vragen in één blok te beantwoorden.

Minister Verburg: Voorzitter. Ik dank de Kamer voor haar inbreng in eerste termijn. Ik heb drie blokjes: de uitkomsten van de vorige Landbouwraad, de komende Landbouwraad en overige vragen.
Ik zou eerst iets willen zeggen over het proces van de Health Check. Vele sprekers hebben daarvoor hun waardering uitgesproken. Ik dank de leden voor hun complimenten. Anderen hebben hun reserves en hebben ook vragen gesteld. Ik ga daarop in, maar ik zeg eerst iets over het proces. De onderhandelingen waren lastig en complex. De heer Polderman heeft gezegd dat onderhandelingen altijd complex zijn. Daar heeft hij gelijk in. De heer Vendrik heeft dat ook gezegd. Dat hoort er ook bij. 27 lidstaten moeten het eens worden over de toekomstige positie en ontwikkelingen.
Daarin hebben de zuivelprijzen een extra rol gespeeld. Dat maakt het ingewikkeld en lastig.
De Commissie had voorgesteld om tot en met 2013 1% per jaar door te voeren, met een evaluatie, een nieuwe analyse. Wij hadden al een analyse uit december 2007 van de melkmarkt en de doorrekening daarvan, dus ook van de opnamecapaciteit van de melkmarkt, maar in 2011 wil de
Commissie een nieuwe analyse maken, ook vooruitkijkend naar de zachte landing in 2015. Als er sprake is van een lagere melkprijs – in ieder geval ten opzichte van vorig jaar rond deze tijd – dan ontstaat de neiging om de huidige prijs te extrapoleren naar de komende jaren, alsof er geen beweging in zit. Datzelfde zie je soms als het gaat om aanbevelingen in rapporten. Er wordt geëxtrapoleerd op basis van ongewijzigd beleid, zonder rekening te houden met autonome ontwikkelingen of beleidsontwikkelingen. Ook dat speelde hier een rol.

Een aantal bepalende lidstaten zei helemaal geen groei in het melkquotum te willen. Onze oosterburen waren daar een sterke exponent van. Zij zeiden: eigenlijk willen wij helemaal geen 1% uitbreiding per jaar, laat staan dat wij willen overwegen dat sommige lidstaten wat extra nodig hebben. Voor de zachte landing die Nederland wil maken in 2015, is echt een groei nodig van 2% à 3% per jaar. Wij zijn daar voor 2009 op uitgekomen, maar het was echt een heel lastige setting met een nieuwe minister in Duitsland die twee weken voor de onderhandelingen over de Health Check is aangetreden. Ik geef het je te doen om op zo’n cruciaal moment te moeten aantreden en er dan ook te moeten staan, wetende dat boeren nadenken over hun huidige situatie en tegelijkertijd van hun regering mogen verwachten dat zij vooruitkijkt, want regeren is vooruitzien en niet beleid bepalen op basis van de situatie op dit moment. Dat zou echt verkeerd zijn. Dat betekent soms ook dat ministers in staat en bereid moeten zijn om over hun eigen schaduw heen te springen.

De discussie over de melkprijsontwikkeling en de zuivelmarkt is buitengewoon bepalend geweest voor de uiteindelijke uitkomst van de quotumverruiming. In dat licht is de uitkomst voor Nederland alleszins acceptabel, met perspectief op een verruiming met 6,5% over vijf jaar en het vooruitzicht dat er in 2010 een nieuwe marktanalyse komt, op basis waarvan wij alleen maar naar een verruiming toe kunnen. Die voorwaarde is er ingekomen dankzij mijn Britse collega en mijzelf. Wij hebben gevraagd waar wij vanaf 2010 aan gaan werken. Wij moeten de zuivelsector en onze boeren een perspectief bieden. Wij moeten een betrouwbare overheid zijn, in die zin dat wij een lijn uitzetten naar 2015 en een zachte landing voorbereiden. Dat betekent dat wij in 2010 moeten voortbouwen op die weg en geen stapje terug moeten doen. Daartegenover heeft Nederland, gelet op een aantal andere onderdelen van het pakket, zoals de mogelijkheden van artikel 68, de modulatie en de bufferstrook, voor de komende tijd een mooi pakket. Ik zie het rapport dat wij in 2010 krijgen over de ontwikkelingen en de perspectieven in de zuivelmarkt met vertrouwen tegemoet.
Er is hierover een aantal concrete vragen gesteld. De heer Waalkens en mevrouw Snijder vragen hoe de verrekening tot stand komt van de vetcorrectie, die een verruiming van 1,5% biedt. Dat is de algemene afspraak, maar de concrete invulling moet nog plaatsvinden. De vraag en de opvatting van de heer Waalkens en mevrouw Snijder zijn volstrekt legitiem. Ik vind dat die verruiming van 1,5% ten goede moet komen aan alle quotumhouders. Daar zullen wij in Brussel op inzetten, want dat is een faire eis en een terecht verzoek. De heer Atsma had daar overigens ook naar gevraagd. Ik hoop dat het ook in Brussel zo uitpakt. Ik houd de Kamer daar uiteraard van op de hoogte.

Mevrouw Snijder heeft gevraagd of de verevening aan bod is gekomen. Ik heb al eerder gezegd dat de Commissie niet van zins was, met voorstellen hierover te komen. Ook andere lidstaten hebben hier geen belangrijk punt van gemaakt. Ik heb ook gezegd dat het mijn primaire voorkeur had om een reguliere verhoging van 2% à 3% per jaar te realiseren, maar dat ik geen enkel instrument zou uitsluiten in de onderhandelingen, want je weet dat je daarin alle instrumenten moet benutten die een positief eindresultaat dichterbij kunnen brengen. Dat betekent dat de superheffing voor mij ook bespreekbaar was en verevening ook. Verevening is echter geen serieuze optie geweest. Daarover zei de Commissie: dat is ongeveer hetzelfde als onmiddellijke quotumafschaffing en daarom een brug te ver. Het was voor haar dus niet bespreekbaar en het is ook niet serieus op de agenda geplaatst. Het is wel in de bilaterale contacten een aandachtspunt geweest. Ik heb in deze commissie al eerder gezegd dat ik verevening geen betrouwbaar instrument vind, want verevening gebeurt altijd pas achteraf. Je zet een deur open: je weet wel waar je begint, maar niet waar je uitkomt.

Mevrouw Snijder heeft gevraagd of waterbeheer aan artikel 68 kan worden toegevoegd. Dat kan niet. Ik heb dat de vorige keer al tegen haar gezegd. Waterbeheer is opgenomen als bestedingsdoel in de tweede pijler en kan dus nu onder de modulatie. Het is een onderdeel van het plattelandsontwikkelingsprogramma. Watermanagement maakt daar deel van uit.

Door de heer Polderman is gevraagd of dierenwelzijn onder artikel 68 valt en of dierenwelzijn facultatief is. Nee, in het kader van dierenwelzijn hebben alle dierhouders zich te houden aan de wettelijke regelingen en bepalingen. Wij spreken in de Kamer van tijd tot tijd over de Nederlandse ambities om op het gebied van dierenwelzijn een voorhoedepositie in te nemen en deze verder te ontwikkelen. Daarbij hebben wij te maken met twee elementen. Ten eerste met de wettelijke basis. Daar wordt geen enkele concessie aan gedaan in geen enkele Europese lidstaat. Ten tweede met de zelfgekozen voorhoedepositie van Nederland op het gebied van welzijn. Wij willen excelleren en een voorhoedepositie innemen op het gebied van dierenwelzijn.
Daarbij moet je er rekening mee houden dat dit allemaal niet gratis kan. Wij hebben de wet en wij doen daar iets extra’s bovenop. Dat betekent dat ondernemers ook nog een goede prijs moeten krijgen voor hun producten en dat zij een beetje boter bij de vis moeten kunnen krijgen als zij extra inspanningen leveren. Artikel 68 biedt nu mogelijkheden om iets extra’s te doen op het gebied van dierenwelzijn. Wij bepleiten de koploperspositie die wij willen. Het is nadrukkelijk ook de inzet van Nederland in Brussel, want wat hebben wij eraan als wij alleen op ons grondgebied aandacht besteden aan dierenwelzijn en over de grens niet? Dus wij bepleiten dat op Europees niveau en in WTO-verband. Die zaken kunnen nu gefinancierd worden uit artikel 68. Dat is grote winst.

[…]

Door de heer Polderman is gevraagd of de slachtpremie in de kalversector wordt ontkoppeld. Het antwoord is «ja». Dat heb ik in mijn brief ook geschreven. Het voordeel van deze afspraak in de Health Check is dat wij dat nu doen op basis van een gelijk speelveld. De Europese Commissie
heeft aangegeven dat zij dat uiterlijk in 2012 wil doen.

[…]

Ik kom bij het blokje overig. Ik heb de beelden van de dolfijnen gezien en het zijn geen mooie beelden. Ik deel de zorg van de heer Polderman en mevrouw Ouwehand over het dierenleed bij de vangst van grienden – het gaat om grienden en niet om dolfijnen – op de FaerOer eilanden. Grienden zijn walvisachtigen, maar vallen buiten de internationale organisatie, inclusief de walvisvaartcommissie. […] Zij vallen dus niet onder het moratorium op de walvisvaart. In de internationale overeenkomst ASCOBANS (Agreement on the Conservation of Small Cetaceans of the Baltic and North Seas) gaat het wel over dolfijnen. Denemarken is hierbij aangesloten, maar de Faeröer Eilanden zijn niet automatisch vertegenwoordigd, want dit zijn overzeese gebiedsdelen van Denemarken, met eigen beleid, en vallen niet onder ASCOBANS. Ik zeg wel toe dat ik hier tijdens de Landbouwraad een punt van zal maken in bilateraal overleg met mijn Deense collega. Nederland is tegen de walvisjacht, maar ook dit specifieke punt zal ik indringend onder de aandacht van mijn Deense collega brengen.

[…]

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Het trucje van het garanderen van dierenwelzijn via artikel 68 gaat natuurlijk niet op. Ik heb de minister al eerder gevraagd hoe zij dat dan ziet. Gaan wij belastinggeld spenderen aan iemand die blijft volharden in het huidige systeem? Want de minister blijft vasthouden aan de intensieve veehouderij waarvan haar voorganger al heeft gezegd dat het systeem is vastgelopen. Moet er echt belastinggeld gaan naar een veehouder die bij wijze van spreken een paar tennisballen in een stal gooit? Ik denk het niet. Ik denk dat de echte kansen op verduurzaming in de modulatie hadden gelegen. Ik ben teleurgesteld dat de minister dat niet toegeeft en blijft spreken over dierenwelzijn, terwijl wij weten dat de dieren in de intensieve veehouderij hun hele leven blootstaan aan mishandeling, omdat ze hun natuurlijke gedrag niet kunnen uiten.

Beantwoording door de minister

Minister Verburg: Voorzitter. Ik dank de Kamer voor haar inbreng in tweede termijn. Mevrouw Ouwehand spreekt over misleiding omtrent de afspraken onder artikel 68. In tegenstelling tot wat zij zegt, vind ik het een stap vooruit. Dit is de eerste keer dat op Europees niveau erkend wordt dat dierenwelzijn en het stimuleren ervan van belang zijn en mogelijk gemaakt moeten worden. Daarom tel ik mijn zegeningen. Als mevrouw Ouwehand zegt dat er meer moet gebeuren, dan zeg ik: ik ken uw ambities en u kent de mijne. Ik zit ook niet graag stil, ik wil vooruit. Dit biedt echter mogelijkheden om iets te doen. Er is nog veel te onderzoeken en te ontwikkelen, zoals stalsystemen en hoe dierenwelzijn per soort ongeveer in elkaar zit. Zij kent de hele lijst met onderzoeken. Zij voegt daar bijna wekelijks wensen aan toe. Het moet allemaal echter wel behapbaar zijn en in stappen kunnen worden omgezet. Daarnaast moet het voor ondernemers en dierhouders mogelijk zijn om er invulling aan te geven.

[…]

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Er is geen verschil in ambitie tussen minister Verburg en mij. Haar voorstellen zijn stapjes vooruit, maar op een doodlopende weg. Wij moeten die weg af en een andere richting inslaan. Ik wil daarover geen misverstand laten bestaan.

De heer Atsma (CDA): Ik verbaas mij hierover. Mevrouw Ouwehand heeft beide ministers al aangekondigd dat zij weggestuurd worden. Ga dan niet meer met hen in discussie, zou ik zeggen.

Verburg:

[…]

Mevrouw Ouwehand heeft nog een opmerking gemaakt over een andere richting. Ik neem die voor kennisgeving aan. Zij kent mijn ambitie en weet welke voortrekkerspositie wij Europees en internationaal innemen.

Toezeggingen
– Minister Verburg zal een afschrift van de brief aan de POP-participanten over de financiering van akkerranden aan de Tweede Kamer sturen.
– Minister Verburg zal in overleg met de minister voor Ontwikkelingssamenwerking informatie verstrekken over de voorziene 1 mld. Voor Afrika in relatie tot ODA-gelden.
– Minister Verburg zal de Tweede Kamer informeren over de uitkomsten van het gesprek met de Deense minister van Landbouw over grienden bij de FaerOer Eilanden.
– Minister Verburg zal voor 1 mei 2009 met concrete voorstellen komen voor de verdere invulling van onder andere bufferstroken en vetcorrectie uit het akkoord over de Health Check.
– Minister Cramer zegt toe om in overleg met de minister van LNV een toelichting te geven op de cijfers uit het CLM-rapport, te ontvangen voor het AO Ammoniak op 2 december 2008.