Bijdrage Ouwehand AO Landbouw en Visse­rijraad


14 april 2010

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Kortheidshalve sluit ik mij aan bij de opmerkingen van de heer Polderman over het gemak waarmee de Amflora-aardappel wordt toegelaten. Enkele woordvoerders hebben gesproken over de bruinvissen. Ook daar sluit ik mij bij aan. De minister kent de opvatting van de Partij voor de Dieren dat er op dit gebied zo snel mogelijk zo goed mogelijke bescherming moet zijn, alstublieft, als we dan toch een verlanglijstje mogen indienen. De minister is in de stukken ingegaan op het GLB en de middelen die in het kader van de health check onze kant op komen voor klimaatverandering en hernieuwbare energie. Dat is natuurlijk prachtig, maar ik hoor graag hoe die budgetten worden ingezet. Kan de minister iets meer duidelijkheid geven over de kaders en randvoorwaarden bij voorstellen om in aanmerking te komen voor deze gelden? Mag ik ervan uitgaan dat bij waterbeheer wordt bedoeld verbetering van de waterkwaliteit en het tegengaan van verdroging? Kan de minister voorbeelden geven van projecten die in aanmerking komen voor deze middelen?

We hebben al gesproken over Cites. In het officiële verslag van de vorige Landbouwraad viel ons op dat de Commissaris vindt dat achteraf bezien -- met de kennis van nu, zou je kunnen zeggen -- het EU-mandaat te laat tot stand is gekomen. Ja, dat vonden wij ook. Ik heb de minister hierover de vorige keer al behoorlijk wat vragen gesteld. Ik vind dat het Nederlandse parlement in brede zin te weinig grip heeft op de ambtelijke colonne. Dat geldt vast ook voor andere parlementen en voor de afstemming over andere dan landbouwonderwerpen. Wij blijven hier in een welles-nietesspelletje zitten. De Kamer hoort het verslag van maatschappelijke organisaties die bij die delegatiebesprekingen zijn. Als wij onze zorgen daarover voorleggen aan de minister, zegt zij dat zij niets kan als zij geen namen en rugnummers of bewijzen heeft. Ik zou zeggen dat wij uit die wurggreep moeten komen. Hierover is ook een wetenschappelijk onderzoek verschenen. Ik zie graag dat de regering -- niet alleen deze minister -- met voorstellen komt om daarin verbetering aan te brengen, want het kan niet zo zijn dat nationale parlementen achter de feiten aanlopen, omdat ambtelijke delegaties op eigen houtje al allerlei zaken hebben geregeld, om maar even een heel zwart-witbeeld te schetsen. Wat betreft de blauwvintonijn hebben wij begrepen dat Nederland bij Cites uiteindelijk het voorstel van Malta voor een compleet vangstverbod heeft gesteund. Dat is hartstikke mooi. Die inzet waardeer ik van de minister. Zij zegt dat het niet van Malta was. Excuus voor die vergissing. De minister schrijft ook dat het Verenigd Koninkrijk heeft laten weten teleurgesteld te zijn dat de bescherming uiteindelijk niet op voldoende steun kon rekenen. Ik neem aan dat onze minister ook teleurgesteld was. Heeft zij dat ook uitgesproken? Heeft zij ook ingebracht dat in dit parlement een motie is aangenomen om in elk geval de Europese wateren te sluiten voor de vangst van blauwvintonijn. Ik overweeg om er in een motie een aanvullend verzoek aan toe te voegen. Ik denk dat het tijd is voor een Europees handels- en invoerverbod. Kan de minister toezeggen dat zij zich daarvoor sterk gaat maken?

Ik dank mijn collega's die de motie over de bijvangst destijds ook hebben ondertekend en voor hun steun door in hun inbreng te vragen hoe het daarmee zit. Die motie is aangenomen, maar we lezen er niets over terug. We hebben uitvoerig van gedachten gewisseld over het gemeenschappelijk visserijbeleid. Ik heb destijds gezegd dat ik de hoofdlijnen van de Nederlandse visie prachtig vind, maar dat zij nog te vaag zijn. Ik kan mij herinneren dat de woordvoerder van de ChristenUnie in dit debat zei dat duurzaamheid een beetje een containerbegrip is. Ik heb toen moties ingediend om dat wat nader te concretiseren. De minister zei dat dit voorbarig was. Ik denk dat de minister wel snapt dat ik iedere keer als dit ter sprake komt, ga vragen of de minister het nu wel tijd vindt om concreter invulling te geven aan de begrippen die in de hoofdlijnen van de Nederlandse visie zijn gesteld.

Minister Verburg:
Mevrouw Ouwehand heeft gevraagd of de health-checkgelden ook worden ingezet voor waterkwaliteit. Ik heb de Kamer vorig jaar rond deze tijd vrij gedetailleerd inzicht gegeven in het aangepaste plattelandsontwikkelingsprogramma. Daarbij is waterkwaliteit, zowel vernatting als verdroging, een belangrijk onderdeel. Het POP wordt zoals bekend uitgevoerd in samenwerking met provincies en waterschappen. De aanpak van problemen als verdroging en vernatting heeft hoge prioriteit. Ik zit zowel de provincies als de waterschappen achter de vodden om te leveren. Tegelijkertijd pleit ik ervoor om te bekijken hoe je er een win-winsituatie van kunt maken door de implementatie van de Kaderrichtlijn Water en activiteiten in het kader van Natura 2000 intelligent aan elkaar te koppelen. Daar valt altijd winst te behalen, als er creatief en oplossingsgericht naar wordt gekeken. Dat kan in sommige situaties nog wel wat beter.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
De minister spreekt over Natura 2000. Mag ik ervan uitgaan dat dit geld niet wordt ingezet voor bijvoorbeeld luchtwassers?

Minister Verburg: Daar mag u van uitgaan, omdat die gelden specifiek hiervoor zijn
toegekend. Zij zijn geoormerkt. Het is een vrij stevig bedrag dat wij daarvoor inzetten, omdat die oplossingen ook gewoon gevonden moeten worden. Het wordt dus niet ingezet voor luchtwassers. Daar hebben we weer andere regelingen voor, want dat is een vraagstuk dat ook om een oplossing vraagt.
(…)
Er zijn opmerkingen gemaakt dat wij een motie-Ouwehand over discards niet zouden
hebben overgenomen. Mag ik erop wijzen dat op blz. 27, in de eerste kolom, bovenaan, een hele paragraaf wordt gewijd aan het tegengaan van discards. Ik geloof dat wij toen een historisch moment hebben beleefd, omdat ik over een motie van mevrouw Ouwehand kon zeggen dat deze ondersteuning van beleid was. Dat zijn ook weer van die bijzondere momenten in het parlementaire bestaan van mevrouw Ouwehand. Ik zou zeggen dat zij op haar wenken wordt bediend. Ik verwijs echt naar pag. 27 van deze mooi vormgegeven visie, maar het gaat natuurlijk om de inhoud. Zo is het vaak in het leven. Daarin staat de ambitie, maar ook de noodzaak om discards in de komende jaren uit te bannen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Het was een mooi moment, want ik denk dat ik de keren dat de minister een van mijn moties ondersteuning van beleid noemde, op de vingers van één hand kan tellen, hoewel het altijd juweeltjes zijn, dat geef ik meteen toe. Het ligt natuurlijk iets scherper. We hadden dat mooie boekje dat de minister daar voor zich heeft. Toen hebben we bij de gedachtewisseling gevraagd hoe de minister dat gaat doen met die discards. Wij hebben er als Kamer een concretere invulling aan gegeven en we zouden graag terughoren wat de minister daarmee heeft gedaan.

Minister Verburg:
Dat is allemaal goed en wel, maar laten we de dingen in de goede volgorde doen. Ik heb verschillende woordvoerders horen zeggen dat een gelijk speelveld van belang is bij een nieuw gemeenschappelijk visserijbeleid. Ik onderstreep dat dit van
groot belang is, niet alleen voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid, maar ook voor het gemeenschappelijk visserijbeleid. Dat gelijke speelveld moet er zijn. Laten we er dan eerst op focussen om op Europees niveau een modern, duurzaam, innovatief visserijbeleid handen en voeten te geven. Daar zijn we nu voluit mee bezig en vervolgens komt de vertaalslag naar de Europese lidstaten. Als er in Brussel wordt gepraat over een gemeenschappelijk visserijbeleid en als je je daar sterk maakt en vervolgens wordt gezegd: wat Brussel ook besluit, wij gaan het zo doen, dan betekent dit dat je in Brussel geen deuk in een pakje boter meer slaat. Dan zegt Brussel: weet u wat, Nederland, een heel goede vaart toegewenst, maar als u het niet erg vindt, gaan wij dan met 26 lidstaten dat gemeenschappelijk visserijbeleid vormgeven. Ik kan mij niet voorstellen dat mevrouw Ouwehand dat zou willen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Voorzitter. Het wordt misschien een beetje vervelend, maar ik wil het toch heel graag precies weten. Zit de minister in die Landbouw- en Visserijraad met het concrete voorstel van Nederland zoals in de motie verwoord? Zegt de minister: wat ons betreft wordt dit het? Of zit de minister daar en zegt: laten we eens kijken hoe we die discards kunnen oplossen, ik heb er misschien wel wat ideeën over, maar iets anders is ook goed? Ik wil graag concreet weten of zij dat voorstel actief inbrengt als plan van Nederland of niet.

Minister Verburg: I
k vertel u van tevoren hoe ik daar zit en ik vertel u na afloop hoe ik daar zit. Nog even en dan vraagt u of ik een soort webcam op mijn hoofd zet, maar dat gaan we dus niet doen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik vind dat helemaal geen slecht idee.

Minister Verburg:
Ja, daar was ik al bang voor. Nog even en dan heb ik een chip in mijn oor. Dat gaan we dus niet doen. De verhouding tussen regering en parlement is gebaseerd op vertrouwen. Als ik u hier meldt dat ik dat ga doen en dat later terugmeld, kunnen we er dan nog een keer over spreken. Op het moment dat dit vertrouwen er niet meer is, hebben we een groot probleem.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
De vorige keer heeft de minister de motie afgewezen om dierenwelzijn op te nemen in het gemeenschappelijk visserijbeleid. Dat vond de minister voorbarig. Kan zij de Kamer een tip geven wanneer zoiets wel aan de orde zou zijn? Het is genoemd. Ik zie de minister al bladeren in haar boekje. Er is een motie ingediend en zij heeft niet voor niets gezegd dat deze voorbarig is. Als deze volledig zou aansluiten bij wat er in het boekje staat, had zij kunnen zeggen dat de motie ondersteuning van beleid of overbodig is, maar dat was het oordeel niet. Ik wil gewoon weten wanneer we concreet met dit soort zaken kunnen komen. Wil zij de Kamer hierbij helpen?

Minister Verburg:
U kunt daar natuurlijk op elk moment mee komen. Dierenwelzijn staat er overigens wel in. Dat hebben we de vorige keer ook gewisseld. Ik geef alleen wel aan dat dit de inzet is. Hier gaat het over wat we willen in het gemeenschappelijk visserijbeleid. Vervolgens is de vraag hoe we dat doen. Dit is de visie van Nederland, die we gaan delen met 26 andere lidstaten en de Europese Commissie. De Europese Commissie komt op basis van de Nederlandse inbreng, maar ook op basis van 26 andere inbrengen met concrete voorstellen hierover. Dan is de vraag wat erin staat, of wij het daarmee eens zijn en hoe wij die doelen gaan realiseren. Op het moment dat er concrete voorstellen liggen van de Europese Commissie, zal ik met de Kamer van gedachten wisselen over hoe deze precies worden ingevuld, welke maatregelen daarbij passen, wie dat gaat doen, wat dat mag kosten, hoe het wordt gehandhaafd. Kortom, dan is de hoe- en wat-vraag aan de orde. U kunt altijd met voorstellen komen, maar ik geef de fasering aan. Daar zijn we op dit moment niet aan toe in de gedachtewisseling in Europa.
(…)
Mevrouw Ouwehand heeft gevraagd naar Cites en de blauwvintonijn. We hebben niet het voorstel van Malta gevolgd, maar Malta heeft aangegeven teleurgesteld te zijn dat enkele lidstaten, waaronder Nederland, tijdens de Citesconferentie afwijkend van het EU-standpunt heeft gestemd. Ik heb aangegeven dat ik zeer hecht aan een Europees optreden. Europa heeft ook zelf het boetekleed aangetrokken, zoals mevrouw Ouwehand al heeft gezegd. Het mandaat is te laat en te krap vastgesteld. Wellicht moet er iets meer coördinatie tijdens de conferentie zelf zijn. Tijdens de afgelopen Landbouw- en Visserijraad heb ik hierover gesproken met de Maltese collega. Hij was teleurgesteld in het Nederlandse standpunt, maar hij waardeerde het dat Nederland er openlijk voor uitkwam, want hij zei dat meerdere collega's stilletjes tegen Malta hadden gestemd, want zo voelde hij dat. Dan heeft mevrouw Ouwehand nog iets over de procedure. We hebben hier al bij stilgestaan, maar ik zal er nog één ding over zeggen. Mevrouw Ouwehand is er even niet, maar ze zal het verslag lezen. Ik maak een beetje bezwaar tegen wat zij zegt. Zij zegt dat zij meer zicht wil hebben op de ambtelijke colonne. Wij hebben de goede omgangsvorm dat de Kamer mij kan bevragen. Ik ben verantwoordelijk voor elke ambtenaar die bij en namens mij werkt. Als men ergens iets over heeft, spreekt men mij daarover aan en dan geef ik daar antwoord op. Ik ben daar hoe dan ook voor verantwoordelijk. Ik werp de suggestie van mevrouw Ouwehand dat ambtenaren op eigen houtje opereren en maar wat doen, verre van mij. Dat gebeurt niet. Er wordt ordentelijk gewerkt. De verantwoordelijke minister, al dan niet in kabinetsverband, stelt de instructie op, waaraan een delegatie zich heeft te houden. Daarover kan de Kamer te allen tijde met mij overleggen en dat doet zij ook vrij regelmatig.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Voor de zekerheid vraag ik nog even of de minister heeft toegezegd te willen pleiten voor een handels- en invoerverbod in de EU voor blauwvintonijn. Mijn collega van de VVD heeft het antwoord over de ambtelijke afstemming doorgegeven, waarvoor dank, maar het probleem is breder. Er is zelfs promotieonderzoek verschenen waaruit blijkt dat er een fundamenteel hiaat zit, om het voorzichtig te formuleren, tussen de grip die nationale parlementen, maar ook vakministers zelf hebben op wat er uiteindelijk in de delegaties besproken wordt. Dat gaat lang niet altijd goed. Ik kan mij niet voorstellen dat de Nederlandse regering zo'n signaal naast zich neerlegt. Bij Cites hebben wij als illustratie concreet aan den lijve mogen ervaren dat er hier en daar wat misgaat. Ik vraag niet alleen deze minister, maar de hele regering, om hiervoor voorstellen te doen. Ik hoop eigenlijk op een meer bereidwillige houding wat dit betreft.

Minister Verburg:
Tegen mevrouw Ouwehand zeg ik dat ik mij al enige tijd sterk maak voor een handel- en invoerverbod in Europa. Er is geen meerderheid voor een dergelijk maatregelenpakket, maar ik blijf me daarvoor inzetten. Over de ambtelijke werkwijze heb ik in eerste termijn gezegd dat zij mij verantwoordelijk kan houden. Ik wil daar op elk moment met haar over spreken. Ik ben verantwoordelijk voor de ambtelijke werkwijze. Ik heb ook aangegeven hoe instructies tot stand komen. Als zij daar iets over heeft, kan zij mij daarop aanspreken, maar zij moet niet zomaar zulke oordelen hebben over ambtelijk op eigen houtje werken. Dan ben ik daarop aanspreekbaar en daarvoor verantwoordelijk. Dat is eigenlijk een korte samenvatting van wat ik in eerste termijn al heb gezegd.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik maak wel bezwaar tegen die suggestie. Ik heb de vorige keer duidelijk aangegeven welke signalen wij hadden gekregen en gevraagd hoe het zit, dus ik heb dat vragend gesteld. Ik verwijs naar het promotieonderzoek dat onlangs is verschenen, waarin is vastgesteld dat de ambtelijke colonne in veel gevallen niet in de touwen te krijgen is. Dat lijken me objectieve gegevens, dus ik zou de suggestie van de minister dat ik dit zomaar even zou beweren wel van tafel willen hebben.

Minister Verburg:
Ik ken dat promotieonderzoek niet, maar gesteld dat dit de conclusie ervan is, dan nog is de minister verantwoordelijk en aanspreekbaar.