Bijdrage Ouwehand AO L&V-raad 9 mei 2017


7 juni 2017

Sluiting dolfinaria

Voorzitter. Je zegt het niet iedere dag, maar er was echt goed nieuws uit Frankrijk, en niet één bericht, maar wel drie berichten. Het zal de Staatssecretaris niet verbazen dat de Partij voor de Dieren wijst op een nogal baanbrekende beslissing die het Franse kabinet heeft genomen, namelijk om een verbod af te kondigen op het fokken van dolfijnen en orka’s in gevangenschap. Raakte de Staatssecretaris hierdoor ook geïnspireerd? Dacht hij ook dat we dat voorbeeld misschien moeten volgen? Hoe reageert hij op die uitspraak? Zou dit het begin kunnen zijn van het beëindigen van het houden van z

zeezoogdieren in gevangenschap? Met andere woorden: is hij bereid om in Nederland ook toe te werken naar zo’n verbod?

Landbouwgif

Het andere nieuws dat ons uit Frankrijk bereikte, is dat ook daar de kritiek op landbouwgif enorm groeit. Er wordt gewerkt aan een voorstel om het gebruik van landbouwgif door en de verkoop van landbouwgif aan gebruikers buiten de landbouw, zoals particulieren en terreinbeheerders, te verbieden in heel Europa. Frankrijk neemt daar kennelijk het voortouw in. Is de Staatssecretaris bereid om zich te verdiepen in dat voorstel en om het te steunen, mochten de Fransen het ineens opbrengen bij de komende Landbouw- en Visserijraad? Ik herinner hem graag aan de uitspraak die deze Kamer al meermalen heeft gedaan dat in elk geval een Nederlands verbod op het gebruik en de verkoop van landbouwgif buiten de landbouw gerealiseerd moet worden. Het kabinet heeft een meningsverschil met de Partij voor de Dieren over de uitvoerbaarheid daarvan. Wij blijven van mening dat het uitvoerbaar is, gelet op de Europese richtlijnen in hun totaliteit. Het kabinet blijft er echter in hangen. Een pleidooi voor een algeheel Europees verbod zou de minste stap zijn. Dan zijn we af van die nationale discussie.

Walvisjacht Noorwegen

Er is ook minder goed nieuws, uit Noorwegen. Dat heeft besloten om de walvissenjacht nog maar eens een stapje erger te maken. Hiervoor geldt een internationaal moratorium, maar Noorwegen houdt zich daar niet aan. Het maakt het nog net niet zo bont dat het heeft aangekondigd om 1.000 dwergvinvissen te doden, maar Noorwegen gaat in de komende periode wel 999 van die dieren vangen. Dat is een verhoging ten opzichte van het quotum van 880 van vorig jaar. Nederland en de Europese Unie hebben hierin een goede positie. We zijn tegen die walvisjacht en hebben een moratorium gesteld, maar wat kunnen we nog meer doen? Walvisvlees wordt nog steeds via Europese havens doorgevoerd naar onder andere Japan. Kan de Staatssecretaris toezeggen dat hij zich inzet voor een verbod op de doorvoer van handelsvlees via alle Europese havens? Dan kom ik op de weidegang, waar we zojuist al even over spraken.

Koe in de wei

De Kamer heeft een motie aangenomen waarin zij stelt dat zij wil dat alle koeien die voor melk worden gehouden, uiteindelijk de wei in kunnen. De Staatssecretaris heeft een onderzoek naar de mogelijkheden aangekondigd. Dat is een beetje gek, want we hebben al onderzoeken gehad en op basis daarvan heeft de Kamer deze motie aangenomen. De Staatssecretaris heeft de onderzoeksopzet naar de Kamer gestuurd; waarvoor dank. Mij valt op dat het onderzoek alleen maar gericht is op de haalbaarheid vanuit de melkveehouderij. Er wordt niet meegenomen wat de voordelen kunnen zijn voor de natuurdoelstellingen, voor het verminderen van het fosfaatoverschot, voor de klimaatdoelstellingen die er nog aankomen en voor het dierenwelzijn. Dat lijkt mij een omissie. Daar komen wij over te spreken als het onderzoek klaar is, maar nu weten de Staatssecretaris en de rest van de Kamer alvast dat de Partij voor de Dieren de aanvliegroute te beperkt vindt.

Vogel- en habitatrichtlijn

In dat licht wijs ik ook graag op het voorliggende actieplan voor de Vogel- en Habitatrichtlijn. Er lijken wat stappen gezet te worden om die te verbeteren. Dat klinkt leuk, maar de groene maatschappelijke organisaties hebben ook kritiek. Ze wijzen erop dat de aanpak misschien te smal is en – dit is het cruciale punt – dat deze de invloed van het gemeenschappelijk landbouwbeleid op onze natuurdoelstellingen gewoon niet adresseert. Kan de Staatssecretaris reageren op de kritiek van de groene organi-saties? Wat ons betreft hoeft dat niet vanavond, het mag ook schriftelijk. Dan komen we er in een later debat op terug.

De voorzitter: Wilt u afronden?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ja. Tot slot kom ik op de hormoonverstorende stoffen. Daarover blijven we maar in discussie. Er is een nieuw compromisvoorstel van Dene-marken. Kan de Staatssecretaris ons laten weten hoe hij daarop gaat reageren en ons informeren over de vervolgstappen? Het lijkt er namelijk op dat we toch weer één stap gemist hebben in dit hele proces, maar de Kamer wil echt betrokken blijven bij de voortgang op dit punt.

Interrupties bij andere partijen

Mevrouw Lodders (VVD): Ik heb een punt van orde. Op de agenda staat ook een brief van de Staatssecretaris over weidegang. Die is naar aanleiding van een rappel van mevrouw Ouwehand op de agenda terechtgekomen, maar het onderwerp weidegang hebben we eerder controversieel verklaard. Ik worstel een beetje met de manier waarop we hiermee zouden moeten omgaan. Eigenlijk zou ik er inhoudelijk wel een aantal dingen over willen vragen, maar omdat we weidegang controversieel hebben verklaard, lijkt me dat ingewikkeld. Ik doe dus even een beroep op de voorzitter of eventueel op andere leden om te bepalen op welke manier we daarmee zouden moeten omgaan.

De voorzitter: Mevrouw Lodders, daarover kan ik het volgende melden. Op 11 april is dit punt aan de orde geweest. De commissie heeft toen naar aanleiding van een rappel van mevrouw Ouwehand gezegd: dat is akkoord. Het gaat hier om een onderzoek naar de mogelijkheden om de weidegang te stimu-leren. We gaan het in dit debat dus niet inhoudelijk over weidegang hebben, want het gaat om het onderzoek. Pas na de zomer, als de onderzoeksresultaten bekend zijn, zal het mogelijk meegenomen worden in een AO dat dan aan de orde is. De vraag is natuurlijk of het, ook gezien de onderhandelingen, dan nog aan de orde moet zijn, maar daar loop ik maar niet op vooruit. Als we met elkaar kunnen afspreken om het simpelweg te zien als een onderzoek naar de mogelijkheden om de weidegang te stimuleren, kunnen we daarmee in ieder geval vaststellen dat het wel degelijk op de agenda kan staan, ook gezien een eerder besluit van de commissie.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Het is inderdaad een moeilijk punt. Het is geen geheim dat de Partij voor de Dieren inhoudelijk over weidegang zou willen spreken. De Kamer heeft het controversieel verklaard. Ik zou de Staatssecretaris dus wel wat opmerkingen willen meegeven over het onderzoek dat hij al heeft uitgezet, maar ik begrijp dat de meerderheid van de Kamer niet verder dan dat het debat wil aangaan, of iedereen moet nu uitspreken dat we dat toch kunnen doen. Dat zou fijn zijn. Anders heeft mevrouw Lodders gelijk dat de Kamer al een uitspraak heeft gedaan.

De voorzitter: Volgens mij hebben we de uitspraak gedaan dat het controversieel is. Ik kijk voor de zekerheid nog even naar de andere leden.

De heer De Groot (D66): We hebben ook met elkaar gezegd dat het denken niet hoeft te stoppen. We hoeven er dus niet inhoudelijk over te praten, maar dit onderzoek is uitgerekend iets waarover verder wordt gedacht. Ik zou ook wel een opmerking over de onderzoeksopzet willen maken. Ik sluit me dus aan bij mevrouw Ouwehand.

De voorzitter: Goed, maar dan hebben we het dus puur over de onderzoeksopzet. Dan spreken we over het onderzoek en verder niet inhoudelijk over het onderwerp weidegang.

De heer Geurts (CDA): Volgens mij wordt hier nieuwe jurisprudentie bedacht over het controver-sieel verklaren. Daartoe deed een van de collega’s vanmiddag in de plenaire zaal ook al een poging. Ik vind: als je iets controversieel verklaard hebt, ga je het er gewoon niet over hebben.

De voorzitter: Ik wil er toch even op wijzen dat de commissie in totaliteit op 11 april heeft aangegeven dat dit akkoord was. Daar bent u zelf als commissie bij geweest. We zijn begonnen met controversieel verklaren. Daarna is uitgesproken: we gaan dit behandelen. Nu wordt er weer naar de oude afspraak verwezen. Vandaar dat we voorstellen om het op deze wijze te gaan invullen. Het is geen nieuwe jurisprudentie maar gewoon een pragmatische oplossing.

De heer Geurts (CDA): Het stuk dat van het kabinet is gekomen, staat op de agenda van de procedurevergadering van volgende week. Ik heb er dus nog niet eerder een opmerking over kunnen maken, want dan had ik wel voorgesteld om het controversieel te verklaren.

De voorzitter: Ik kijk even verder voor reacties.

De heer Grashoff (GroenLinks): Ik vind dat de voorzitter gewoon een verstandig compromis voor dit moment aankaart. Ik denk dat er weinig bezwaar is tegen het bespreken van een onderzoeksopzet. Als wij het er niet over hebben, zal de Staatsse-cretaris hoe dan ook het onderzoek gewoon uitvoeren. Dat doet hij immers op basis van een uitspraak van de Kamer zelf. Het zou dan toch vreemd zijn als we daar geen enkel woord over zouden kunnen zeggen? Dat laat onverlet dat we over het onderwerp als zodanig met elkaar hebben afgesproken dat het controversieel is. Dat erken ik ook. Ik zal me wat dat betreft in mijn bijdrage ook beperken tot de onderzoeksopzet.

De voorzitter: Ik proef een meerderheid om de voorgestelde gang van zaken hier vanavond te gaan uitvoeren. Het woord is aan mevrouw Ouwehand van de Partij voor de Dieren.

(…)

Mevrouw Lodders (VVD): Nee, ik heb nog één vraag over de onderzoeksopdracht inzake de weidegang. Tot mevrouw Ouwehand zeg ik dat het mij opvalt dat in dit onderzoek niet wordt gekeken naar de implementatie van opties bij de betrokken partijen. Er wordt dus niet specifiek onderzocht hoe een melkveehouder zijn bedrijfsvoering dient aan te passen aan de opties. Dat vind ik echt een gebrek in een degelijke onderzoeksopdracht.

(….)

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik zit hier niet om het kabinet te verdedigen; dat weet het kabinet maar al te goed. Maar ik vind het toch altijd een beetje ingewikkeld als de suggestie wordt gewekt dat de dingen die Nederland niet voor elkaar krijgt, te maken hebben met een te beperkte aanwezigheid van onze bewindspersonen in Brussel. Volgens mij is dat echt niet aan de hand. Het is vaker het geval dat het kabinet met onhoudbaar beleid op pad wordt gestuurd, waar D66 niet zelden zelf om heeft gevraagd.

De heer De Groot (D66): Het gaat om het samenspel. Het is dus niet uitsluitend tegen de bewindspersoon gericht. Het gaat om het politieke en ambtelijke samenspel, om je vertegenwoordiging daar en om de vraag hoe je het spel speelt. Doen we dat zo effectief dat we daar gaan binnenhalen wat we nodig hebben? Zo onhaalbaar is het niet. Ik kan me niet voorstellen dat de Staatssecretaris tevreden is met de resultaten die de laatste jaren in Brussel zijn bereikt, maar als dat wel zo is, dan hoor ik dat graag.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Dit is toch wel een beetje een fundamenteel punt. Nogmaals: ik sta echt niet achteraan in de rij als er kritiek kan worden geleverd op het kabinet of op het functioneren van een bewindspersoon. Daar zijn wij altijd heel scherp op. Maar ik vind het gewoon raar om te suggereren dat er op ambtelijk niveau en op het niveau van de bewindspersoon zelf te weinig inzet is geweest in Brussel als je daarvoor geen concrete aanleiding of aanwijzing hebt. Ik vind dat echt een beetje een rare debattruc worden voor alles wat we niet binnen hebben weten te slepen. De heer De Groot (D66): Het gaat om heel belangrijke onderwerpen voor de natuur en voor de agrosector. Het lijkt me niet meer dan normaal dat als je niet binnenhaalt waarop je had gehoopt, wat je had gedacht of wat het mandaat was, je dat evalueert en bekijkt welke lessen daaruit te trekken zijn

Beantwoording staatssecretaris

Voorzitter. Op de agenda van dit algemeen overleg staan verschillende onderwerpen, maar het gaat in eerste instantie om de Landbouw- en Visserijraad van aankomende donderdag. Ik begin met de beantwoording daarover. Het hoofdpunt is de discussie over de verordening technische maatregelen, maar er wordt vandaag ook aandacht gevraagd voor fosfaat en vrije uitloop. De heer De Groot refereerde daaraan en voerde daarover een interessant debatje met mevrouw Ouwehand. Dat debatje ging erover dat je in Europa niet altijd alles binnenhaalt waarop je hebt ingezet. Dat is evident, want in Europa beslissen alle lidstaten gezamenlijk. Dat betekent dat je niet altijd je zin krijgt. De heer De Groot suggereerde dat dit misschien aan de inzet van Nederland ligt. Het is altijd goed om die kritisch te bekijken.

(…)

Staatssecretaris Van Dam: Ik kan de heer De Groot op geen enkele manier vermoedens ontzeggen, maar het is mij niet helemaal helder wat ik daar verder mee moet. De heer De Groot heeft het vermoeden dat we effectiever hadden kunnen opereren. Ik ben ongelofelijk trots op wat onze mensen in Brussel hebben weten te realiseren, ondanks de moeilijke uitgangspositie, waarover mevrouw Ouwehand volgens mij een aantal rake dingen heeft gezegd in de richting van de heer De Groot. Zij hebben zich hier enorm voor ingezet. Volgens mij is het maximaal haalbare resultaat bereikt, maar dat is helaas niet altijd het resultaat waarop je vooraf had ingezet. Uiteindelijk besturen we Europa met z’n allen. Aan het eindresultaat liggen soms tegenstrijdige belangen ten grondslag.

(…)

Mevrouw Ouwehand was erg enthousiast over het vertrekkende Franse kabinet. Het ging over het verbod dat de Franse Minister nog heeft afgekondigd op het fokken met zeezoogdieren. Dat is nog zeer vers, dus we moeten dat eerst bestuderen en komen daarop terug als we daar even goed naar hebben kunnen kijken. Dan wil ik haar graag informeren over onze blik daarop. Mevrouw Ouwehand heeft voorts een vraag gesteld over de walvisjacht, en dan vooral over de handel in walvisvlees. Die is gereguleerd in het Cites-verdrag. Dat is in de EU volledig geïmplementeerd. Dat betekent dat er in de EU een handelsverbod is. Zij heeft ook gerefereerd aan het walvisvlees dat via een Europese haven of luchthaven wordt vervoerd, maar dat nooit wordt ingevoerd in de EU. Dat valt buiten de regelgeving, omdat dat feitelijk niet op EU-grondgebied komt. Ik snap dat zij denkt dat het wel om EU-grond gaat – dat is ook zo – maar het valt buiten deze regelgeving, omdat het niet wordt ingevoerd binnen de EU. Daar kan helaas dus ook niets tegen worden gedaan.

(…)

Het is een beetje raar om hier het debat te voeren dat ongetwijfeld dinsdag in de senaat gevoerd zal worden, maar goed. De senatoren zullen het amendement gezien hebben dat op voorstel door mevrouw Lodders door deze Kamer is aangenomen, waarin de inwerkingtredingsbepaling afhankelijk is gemaakt van het feit of er zicht is op derogatie op het moment dat de wet in werking moet treden. Dat afwegingsmoment is voorzien aan het einde van dit jaar. Dan moet er ook duidelijkheid zijn over de vraag of we met het fosfaatreductieplan de beoogde reductie van de fosfaatuitstoot daadwerkelijk hebben gerealiseerd. Op basis van de cijfers heeft men kunnen zien dat we op de goede weg zijn, maar dat betekent niet dat we er al zijn. Er zal nog een forse stap gezet moeten worden de komende maanden. Als we doorgaan op de manier waarop we nu bezig zijn, moeten we de beoogde reductie kunnen halen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik schrik een beetje van het enthousiasme waarmee de Staatssecretaris zegt dat de uitspraak alleen maar geldt voor de boeren die zaak hebben aangespannen en dat hij nagaat of hij in beroep kan. Dat is natuurlijk zijn goed recht, maar ik zou het hem afraden. Vrijdag krijgen we een brief. De Staatssecretaris gaat de uitspraken bestuderen. Dat snap ik, maar volgens de juridische analyse die tot ons is gekomen, kunnen boeren, bijvoorbeeld biologische melkveehouders, die een vergelijkbaar geval hadden als de boeren die de Staat hadden gedaagd, onder dezelfde uitzonderingsvrij-stelling vallen als ze bij de Staatssecretaris aangeven dat ze aanspraak maken op dezelfde uitspraak. Klopt dat? Ik denk dat we deze boeren, die denken dat die uitspraak ook voor hen geldt, zo snel mogelijk duidelijkheid moeten geven.

Staatssecretaris Van Dam: Ik zal de Kamer deze week nog een brief sturen over hoe ik aankijk tegen deze uitspraak en over het in beroep gaan. Ik wijs er nogmaals op dat een dergelijke uitspraak alleen van directe toepassing is op degenen die het kort geding hebben aangespannen. Dat betekent dat de regeling op dit moment gewoon geldt voor alle anderen. Een van de dingen waarop ik zal ingaan in de brief, is de vraag wat dit voor vergelijkbare gevallen betekent. Als we in beroep gaan, en dat ligt voor de hand, is het eerst aan de rechter om zich te buigen over de vraag of de uitspraak in kort geding wel overeind blijft en dus of deze 70 boeren wel worden uitgezonderd van de regeling. Maar goed, ik zal daarop nog ingaan in de brief. Volgende week is er een debat gepland. Dan heeft de Kamer ook de informatie die zij wil hebben.

De voorzitter: Daarmee hebt u een toezegging, mevrouw Ouwehand.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Dank. Ik denk dat het van belang is dat daar zo snel mogelijk duidelijkheid over komt. Kan de Staatssecretaris – ik denk dat hij dit ook bedoelt, maar ik wil dit zo scherp mogelijk krijgen – dan ook de termijnen schetsen die daarvoor gaan gelden en wat de betreffende boeren in een vergelijkbare situatie in de tussentijd moeten doen? Zij zullen hun dieren immers niet naar de slacht willen sturen als de rechter heeft gezegd dat dat onrechtmatig is omdat de biologische boeren niet voor de overschrijding van het fosfaatplafond hebben gezorgd.

Staatssecretaris Van Dam: Ik heb zojuist al gezegd dat de regeling alleen voor de eisers buiten werking is gesteld en voor niemand anders.

(….)

Een aantal leden heeft gevraagd of de onderzoeksopdracht niet vanuit één perspectief is gericht. Mevrouw Ouwehand vroeg of de voordelen van weidegang wel voldoende worden bezien. De heer De Groot vroeg of het imago van Nederland wel voldoende wordt meegenomen. Dit onderzoek gaat over het volgende. Kamer en kabinet zijn het eens over de voordelen van weidegang, zowel voor dierenwelzijn als voor het imago van de Nederlandse veehouderij als voor de aantrekkelijkheid van het landschap. Er zijn allerlei heel goede redenen om aan weidegang te doen. Daarom stimuleert het kabinet weidegang ook. Daarom is de doelstelling ook om

het percentage weidegang te verhogen. De discussie in de Kamer ging over het volgende. Kan het kabinet meer doen om ervoor te zorgen dat het percentage koeien dat daadwerkelijk de wei ingaat, wordt verhoogd? Daarbij is gesproken over verplichte weidegang; de Kamer heeft uitgesproken die wens te hebben. In het debat heb ik aangegeven dat daar behoorlijk wat haken en ogen aan zitten. Ik heb toen gezegd: wij brengen de verschillende opties in beeld, zowel de opties om te stimuleren als de opties om te reguleren. Een helemaal verplichte weidegang is daarbij de meest vergaande optie. Al die opties brengen wij in kaart en beoordelen wij niet alleen op kosten, maar ook op uitvoerbaarheid en handhaaf-baarheid. De Kamer krijgt daarover de informatie op basis waarvan zij vervolgens een beslissing kan nemen op welke wijze zij verder wil. De onderzoeksopdracht is dus echt gericht op de vraag naar wettelijke verankering en verplichting dan wel verdergaande stimulering. De opdracht betreft dus niet alle mogelijke relevante aspecten van weidegang. Indirect wordt gekeken naar de haalbaarheid. Er wordt bijvoorbeeld gekeken naar het effect op het aantal weidende koeien, de haalbaarheid voor melkveehouders en de haalbaarheid voor andere partijen. Alle voor- en nadelen van de verschillende opties worden in kaart gebracht. Het kan niet eerder dan eind juli 2017. Het onderzoek heeft gewoon tijd nodig. Het vergt gewoon inzet van de onderzoekers, zowel bij Wageningen University & Research als bij CLM. Het is niet zinvol om de rapportage in stukken te knippen, want ik weet niet welk deel de Kamer dan als eerste zou willen hebben. Het gaat natuurlijk juist om het samenhangende pakket.

De voorzitter: Een heel korte, verduidelijkende vraag van mevrouw Ouwehand.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): De conclusie is dat het halen van doelen op het gebied van natuur, biodiversiteit, klimaat en dierenwelzijn niet in kaart wordt gebracht. Dat moeten wij er zelf zo meteen, als het onderzoek klaar is, bij concluderen.

Staatssecretaris Van Dam: Een van de deelvragen is welke andere voor- en nadelen van de verschil-lende opties kunnen worden geïdentificeerd. Daarin zullen verschillende aspecten aandacht krijgen, ook gelet op de onderzoekende instanties, die over het algemeen een brede blik hebben. Ik neem aan dat ze dat meenemen. Maar ik zei het al: het onderzoek is niet bedoeld om mensen die twijfelen aan het nut van weidegang nog eens te overtuigen. Volgens mij delen wij die overtuiging breed. De vraag is hoe we ervoor zorgen dat weidegang meer wordt toegepast. Wat is daarbij het meest effectief? Wat zijn de voor- en nadelen van de verschillende beleidsopties die we hebben?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik begrijp dat wel, maar als je uitvoerbaarheid en haalbaarheid in harde termen laat onderzoeken, zou het ook logisch zijn om de andere doelen die we stellen op eenzelfde manier daaronder te scharen, of die doelen nu door dit kabinet of door een volgend kabinet gesteld zijn of voortvloeien uit internationale verplichtingen. Welke bijdrage levert het aan het doel dat dieren hun natuurlijke gedrag kunnen vertonen? Welke bijdrage levert het aan de klimaatdoelen, aan de beperking van de import van soja? Al die dingen kunnen niet afgedaan worden als halve voordelen, waarvan het leuk zou zijn als we ze zouden halen. Ze moeten net zo hard als de andere kant uit dat onderzoek komen.

Staatssecretaris Van Dam:

Ik zei al dat een onderdeel van de opdracht is om te onderzoeken welke voor- en nadelen er aan de verschillende opties vastzitten. Daarin kunnen de onderzoekers dit soort aspecten meenemen, maar zoals ik al zei, zijn de voordelen van weidegang vrij evident. We hebben daarover ook uitge-breid gediscussieerd en er was vrij breed overeenstemming over. De vraag was hoe je daadwerkelijk bereikt dat er meer koeien de wei in gaan. Dat is de hoofdvraag van het onderzoek. Ik kom bij het blokje «varia», bij de vragen die niet in een van de andere categorieën passen. Mevrouw Ouwehand heeft een vraag gesteld over het verbieden van de verkoop van landbouwgif buiten de landbouw. Zij was in dat opzicht zeer enthousiast over het vertrekkende Franse kabinet. Over de Nederlandse inzet hebben Kamer en kabinet vaak gesproken. De beoordeling van stoffen door de EFSA is voor Nederland altijd leidend. Voor het gebruik van middelen buiten de landbouw is de Staatssecretaris van I en M verantwoordelijk. Zij heeft daarop ook maatregelen genomen in de afgelopen kabinetsperiode. Zo is er per 16 maart een verbod op het gebruik van verhardingen. Per november 2017 gaat een verbod gelden op het gebruik van alle gewasbeschermingsmiddelen buiten de landbouw, met enkele uitzonderingen. Mevrouw Ouwehand vroeg ook naar het voorstel van Denemarken over hormoonverstorende stoffen. Wij hebben daarover uitvoerig gesproken, ook over mijn beoordeling van het voorstel. Volgens mij is het voorstel dat op tafel lag een stap in de goede richting. Op 8 februari heeft de Commissie nieuwe voorstellen gepresenteerd. Daarover heb ik de Kamer per brief geïnformeerd. Dat voorstel had onvoldoende steun en is uiteindelijk niet in stemming gebracht. Er ligt nu weer een nieuw voorstel. De criteria worden ter stemming geagendeerd in het Europese SCoPAFF (Standing Committee on Plants, Animals, Food and Feed) op 18 en 19 mei. De wijzigingen die zijn aangebracht, zijn in onze ogen een verduidelijking of verbetering van wat er lag. Ze zijn ook in lijn met het standpunt dat ik eerder met de Kamer heb gecommuniceerd. Nederland blijft zich ervoor inzetten dat alle hormoonverstorende stoffen met wetenschappelijke criteria worden geïdentificeerd. Ik heb op dit moment nog geen informatie over het concrete Deense voorstel. Mogelijk komt dat in die vergadering van SCoPAFF aan de orde; dan zullen wij het beoordelen.

Mevrouw Ouwehand had een vraag over de kritiek van groene organisaties op de natuurdoelstellingen van het GLB, als ik het goed heb. Met de vergroening binnen het GLB is er een belangrijke stap gezet. Wij hebben er vaker met elkaar over gesproken dat de ambitie nog een stuk groter mag. Ook het plattelandsontwikkelingsprogramma levert een bijdrage met het agrarisch natuur- en landschapsbeheer, maar ik ben het met mevrouw Ouwehand eens dat dit nog niet genoeg is. De grootste winst op het vlak van biodiversiteit is, zoals wij ook weten, waarschijnlijk op het platteland te realiseren. Dat is veel meer dan in de natuurgebieden zelf. Ik heb eerder al gezegd dat ik voor de toekomst van het GLB een veel stevigere ambitie wil op het gebied van natuur en landschap en dat ik het ook logisch zou vinden als het toekomstige GLB zich daar meer op zou richten.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Het is allemaal wel waar wat de Staatssecretaris zegt, maar mijn vraag ging over het actieplan Vogel- en Habitatrichtlijn en de kritiek van de groene organisaties daarop. Ze noemen het «een stap vooruit», maar ze hebben ook kritiek, waaronder inderdaad op de invloed van het gemeen-schappelijk landbouwbeleid. Kan de Staatssecretaris – dat hoeft niet nu – schriftelijk reageren op de inbreng van de groene organisaties?

Staatssecretaris Van Dam: Dat lijkt me dan het meest efficiënte om te doen. Volgens mij heb ik met wat ik net heb gezegd, wel de vragen van de heer Futselaar hierover beantwoord. Dat is handig.