Bijdrage Ouwehand AO Hand­having en vergun­ning­ver­lening


15 september 2011

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Gisteren heeft mijn collega al met de minister van Binnenlandse Zaken en de staatssecretaris van Landbouw van gedachten gewisseld over een aanpalend onderwerp. Mijn fractie wijst erop dat in de praktijk de vergunningverlening en de handhaving van de voorwaarden gewoon niet op orde zijn in ons land. Gisteren is daarbij de kwestie van de bestuurlijke integriteit besproken. Vandaag zal ik mij focussen op de handhaving op zichzelf en de gevolgen als die zaak niet op orde is. In vorige debatten heb ik al aangegeven dat het voor provincies en gemeenten bijna onmogelijk blijkt om een bedrijf dat stelselmatig de vergunningsvoorwaarden overtreedt te sluiten. Dan hebben wij het over overtredingen die de volksgezondheid ernstig in gevaar kunnen brengen, zoals bij Thermphos in Zeeland. In reactie op mijn vragen en de motie hierover heeft de staatssecretaris een onderzoek laten uitvoeren of het idee en ook de aanbeveling van een aantal wetenschappers om tijdelijke vergunningen in te stellen hierin verandering zou kunnen brengen. Dank aan de staatssecretaris voor het laten uitvoeren van dat onderzoek.
De onderzoekers concluderen dat tijdelijke milieuvergunningen geen oplossing vormen. Ik laat dat idee niet los, maar dat is voor nu even wat ons heeft bereikt. De onderzoekers concluderen tegelijkertijd ook dat er in de praktijk inderdaad veel belemmeringen zijn om bedrijven te sluiten als zij stelselmatig overtredingen begaan. Kort gezegd, het kost een enorme inzet aan handhavers en er gaan jaren overheen voordat een bedrijf dat de volksgezondheid continu in gevaar brengt inderdaad kan worden gesloten. De onderzoekers constateren daarbij ook dat dit dus nauwelijks gebeurt. Kan de staatssecretaris vertellen hoeveel bedrijven op deze manier zijn gesloten in de afgelopen vijftien jaar? Het is nota bene gemakkelijker om een bedrijf te sluiten dat economische delicten heeft begaan dan een bedrijf dat continu het milieu vervuilt en de volksgezondheid in gevaar brengt. Dat vind ik krom. Deelt de staatssecretaris die mening? Dat de bewijslast aan de kant van het bevoegd gezag en niet bij de ondernemer ligt, is een groot onderdeel van het probleem, ook bij het actueel houden van de vergunningen.

De onderzoekers opperen dan ook dat het bevoegd gezag meer ruimte zou moeten krijgen om af te wijken van de zogenaamde grondslag van de vergunning. Dit is een beetje een technisch verhaal, maar kort gezegd komt het erop neer dat je een vergunning alleen maar kunt verlenen voor activiteiten en niet voor een bepaalde milieubelasting. Als je dus tussentijds een vergunning zou willen actualiseren, tussentijds bijsturen, kan dat op dit moment niet. De staatssecretaris zegt in zijn brief dat hij de conclusies van de onderzoekers deelt, dus ik neem ook aan dat hij de conclusie deelt van de onderzoekers dat hier sprake is van een frictie met de implementatie van de richtlijn en dat daar verandering in zou moeten komen. Dat is noodzakelijk omdat bij het niet-intrekken van de vergunning, zo stellen de onderzoekers, sprake is van een onjuiste uitvoering van de richtlijn. Dat moeten wij toch niet nog vaker doen dan al het geval is? Graag een reactie op dat punt. De staatssecretaris zegt ook dat de mate waarin vergunningen wordt nageleefd niet wordt bepaald door het tijdelijk of permanent zijn van de vergunning maar primair door de bereidheid van bedrijven om vergunningvoorschriften na te leven en secundair door de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan toezicht- en handhavingstaken. Met beide is het in ons land niet best gesteld. Het laatste, dus een slechte uitvoering van de handhavingstaken, is natuurlijk verantwoordelijk voor het opportunistisch gedrag van bedrijven.

De oud-topman van VION, tegenwoordig vreemd genoeg verantwoordelijk voor de verduurzaming van de bio-industrie en ook een oude bekende van de staatssecretaris in zijn vorige functie, zei het mooi en voor één keer ben ik het met hem eens: Nederland is goed in regelgeving maar ontzettend slap in controle en handhaving. Hij kan het weten, zullen we maar zeggen! Hoe gaat de staatssecretaris dit veranderen? Volgens mij is het redelijk simpel. Of we moeten veel meer mensen vrijmaken om te handhaven, of wij leggen de bewijslast voor een groter deel neer bij de bedrijven. Graag een reactie daarop. Ik zou ook graag een reactie krijgen van de staatssecretaris op wat ook in het rapport naar voren komt, namelijk dat het nalevingsgedrag van een aanvrager van een nieuwe vergunning eigenlijk niet aan de orde kan komen bij de beoordeling of de vergunningaanvrager een nieuwe vergunning zou moeten krijgen. Dat staat denk ik haaks op de gedachte -- die wij in de Kamer wel vaker horen, waarbij ik het jammer vind dat de PVV er nu niet is -- dat een veelpleger geen privileges zou moeten krijgen.

Ik vraag de staatssecretaris of hij met de Partij voor de Dieren van mening is dat het wenselijk is om nalevingsgedrag uit het verleden in elk geval een plaats te geven bij het verlenen van nieuwe vergunningen.
Er ligt ook een interessante uitspraak dat de schade die wordt geleden in de situatie van onvoldoende handhaving kan worden verhaald op de overheid. Dat lijkt mij een gevaarlijke situatie. Bezuinigen op handhaving is typisch een voorbeeld van penny wise, pound foolish. Is de staatssecretaris dat met ons eens? Omwille van de tijd sluit ik mij over de vorming van RUD’s aan bij de opmerkingen die de SP en GroenLinks hebben gemaakt. Een goede gedachte, maar er zijn kritische vragen bij te stellen. Graag een reactie daarop. Dan tot slot een paar woorden over het activiteitenbesluit. De staatssecretaris weet heel goed dat wij daar fel tegen zijn omdat ook de intensieve veehouderij vergunningvrij wordt gemaakt. Onderzoekers van de UvA stellen ook in hun rapport dat de effectiviteit van de regulering door middel van algemene regels afhankelijk is van de uitvoering van toezicht en handhaving. Ik vraag de staatssecretaris dan ook om een jaar na inwerkintreding van de laatste versie van het activiteitenbesluit een evaluatie daarvan te presenteren, waaruit wij dan kunnen opmaken in hoeveel gevallen een melding van oprichting of uitbreiding van de veehouderij daadwerkelijk is onderzocht door de gemeente en in hoeveel gevallen ook daadwerkelijk handhavend is opgetreden. Graag een toezegging daarop.

Interrupties bij andere partijen

[…]

De heer Leegte (VVD): Ik zal snel afronden. Bij externe veiligheid gaat het, zoals gezegd, over de economie. In de spanning die ontstond na de brand bij Moerdijk heeft de Kamer een emotie aangenomen waarin stond dat de staatssecretaris met een lijst moet komen van bedrijven die hun veiligheid slecht op orde hebben.

[…]

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik heb de staatssecretaris gevraagd om uit te zoeken wat de mogelijkheden zijn om te werken met tijdelijke vergunningen. Ik weet uit dat debat dat de VVD dat niet ziet zitten. Er ligt nu een rapport, dat tegemoetkomt aan de wensen van de VVD. Er wordt niet aanbevolen om met tijdelijke vergunningen te gaan werken, maar er staan wel wat andere aanbevelingen in. De staatssecretaris schrijft aan de Kamer dat de conclusies van dat onderzoek door hem worden gedeeld. Geldt dat ook voor de VVD-fractie?

De heer Leegte (VVD): U overvalt mij. Ja, is het antwoord.

Beantwoording door de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu Atsma

Staatssecretaris Atsma: […] Mevrouw Ouwehand heeft met name de vraag gesteld of er in de afgelopen 15 jaar bedrijven zijn gesloten, naar aanleiding van de Moerdijk-discussie en hetgeen wij de afgelopen maanden hierover hebben gewisseld. Ik kan elf maanden overzien. Over die periode zou ik willen zeggen dat het antwoord nee is. Ik schat in dat het in de jaren daarvoor ook niet aan de orde is geweest. Het sluiten van een bedrijf is het ultieme middel. De suggestie dat je tussen niets en iets alleen maar een bedrijfssluiting hebt als alternatief, is niet aan de orde. Via de inspectie kan een reeks aan maatregelen worden genomen. In het algemeen begint het met een goed gesprek en vervolgens kom je terecht in de reeks van waarschuwen, sancties, boetes en dwangsommen opleggen en weet ik wat al meer. Dat kan heel fors oplopen. Als de Kamer wil weten hoe de reeks eruit ziet, ben ik graag bereid om die voor een eerstvolgend overleg aan de Kamer te doen toekomen. Het laatste middel is het sluiten van een bedrijf. Dat is niet iets wat met hoofdletters in mijn woordenboek staat geschreven, en ik hoop ook niet in het woordenboek van mevrouw Ouwehand. Als het op enig moment niet anders zou kunnen, is het wel het ultieme middel dat wij kunnen inzetten. Op dit moment is dat in het kader van wat door de inspectie wordt gedaan niet aan de orde. Mevrouw Ouwehand vroeg ook of wij iets meer kunnen doen met de tijdelijkheid van vergunningen. In de brief heb ik aangegeven dat op verzoek van de Kamer is onderzocht of dit haalbaar zou zijn. De conclusie is glashelder: het voegt niets toe en het leidt tot administratievelastenverzwaring. Het geeft alleen maar meer onduidelijkheid en onzekerheid. Wij kunnen beter meteen inzetten op een permanente vergunning die aan de juiste voorwaarden en eisen voldoet. Als ik mevrouw Ouwehand goed heb verstaan, heeft zij die boodschap goed begrepen.

[…]

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. De staatssecretaris was heel blij dat het onderzoek dat hij heeft laten uitvoeren naar de mogelijkheid van tijdelijke vergunningverlening één conclusie bevatte die hem beviel. Daarmee hield het dan ook op. Hij heeft in zijn brief geschreven dat hij de conclusies onderschrijft. Hij heeft gratis advies gekregen, namelijk dat de implementatie van de IED-richtlijn haaks staat op de wijze waarop wij het nu doen. Ik wil gewoon graag een toezegging. De onderzoekers zeggen heel duidelijk dat er meer ruimte moet komen voor het bevoegde gezag om af te wijken van de grondslag van de aanvraag bij actualisatie. Doe je dat niet en trek je in de praktijk vergunningen niet in -- ik heb de staatssecretaris hierover zojuist horen zeggen: dat doen wij inderdaad eigenlijk nooit – dan handel je in strijd met de richtlijn. Ik wil de toezegging dat dit wordt meegenomen met de implementatie. Hetzelfde geldt voor de gratis aanbeveling dat er een termijnstelling in de Wabo zal moeten worden opgenomen. Graag krijg ik ook een reactie daarop. Verder heb ik de staatssecretaris gevraagd, zijn oordeel te geven over de vraag of het niet wenselijk is om gedrag uit het verleden een plaats te geven bij het aanvragen van een nieuwe vergunning of actualisering van een bestaande. Op dit moment is het niet mogelijk om, als een notoire overtreder zich voortdurend niet aan de voorwaarden houdt, dat mee te wegen bij de nieuwe beoordeling. Ik heb gevraagd om een evaluatie van het activiteitenbesluit. Ook op die vraag heb ik geen antwoord gekregen. Het kan zijn dat deze staatssecretaris heel erg van moties houdt, maar het lijkt mij beter dat hij op een aantal vragen van de Kamer gewoon antwoord geeft. Dat scheelt wel tijd.

[…]

Staatssecretaris Atsma: […]In antwoord op de vragen van mevrouw Ouwehand zeg ik: het lijkt mij prima om het activiteitenbesluit te evalueren. De Kamer doet dat overigens ook zelf ongevraagd. Misschien moeten wij er twee jaar na inwerkingtreding van maken. Het gaat mij nooit snel genoeg, maar als mevrouw Ouwehand zeg: wij zijn in staat om binnen een jaar allemaal nieuwe activiteiten van de grond te tillen, wil ik graag na een jaar evalueren. Maar ik sluit niet uit dat er dan nog niet heel veel is gebeurd. Mevrouw Ouwehand vroeg of de historie meetelt. Kan een bedrijf dat herhaalde malen in de fout is gegaan en daarom moest stoppen overmorgen weer beginnen? Als je aan alle vergunningvoorwaarden voldoet, is het in Nederland nu eenmaal zo dat je dan weer mag starten. Ik denk dat er dagelijks tientallen en misschien wel honderden voorbeelden zijn te geven van bedrijven in dit land die om wat voor reden dan ook hebben moeten afhaken, maar die een doorstart maken. Als men dan de vergunningprocedure doorloopt met een plus op het eind van de rit, dan kan dat. Ik kan dat ook niet anders formuleren.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Mijn vraag was: vindt de staatssecretaris dat wenselijk? Het kan dus zo zijn dat men zich structureel niet aan de vergunningsvoorwaarden houdt, maar bij de actualisatie kan dat niet worden meegenomen, en ook niet als men een nieuwe vergunning aanvraagt. Ik onderschrijf wat de staatssecretaris zegt. Het heeft nu geen plaats, maar zou het niet wenselijk zijn om daartoe wel mogelijkheden te zoeken?

Staatssecretaris Atsma: Wij kunnen tal van vergelijkingen maken, maar op het moment dat men één keer in de fout is gegaan en vervolgens een nieuwe start maakt, waarbij men aan alle eisen voor een vergunning …

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik wil het niet ridiculiseren. Het gaat natuurlijk om gevallen waarin er vermoedens zijn dat het gedrag wordt voortgezet. Het gaat niet om: eens een dief, altijd een dief. Het gaat om recidivisten. Kunnen wij in zwaarwegende gevallen dit gedrag een plaats geven bij de beoordeling van de actualisatie of van een nieuwe vergunningaanvraag? Ik vraag de staatssecretaris gewoon om de mogelijkheden op te zoeken.

Staatssecretaris Atsma: Ik kan u bijna verzekeren dat dit alleen kan als er heel zwaarwegende redenen zijn. Op het moment dat men aan de eisen voldoet nadat men is gestopt, moeten er heel zwaarwegende redenen zijn wil een vergunningaanvraag worden
afgewezen. Die zijn vaak bijna strafrechtelijk van karakter. Het maakt dan eigenlijk niet uit welke activiteiten men dan weer gaat starten.

De heer Paulus Jansen (SP): Ik wil het verzoek van mevrouw Ouwehand ondersteunen. Als je een kroeg wilt beginnen, maar een strafblad hebt, krijg je geen vergunning. Als je een BRZO-bedrijf wilt beginnen terwijl je van alles op je kerfstok hebt, zou dat wel mogen. Dat kan toch niet? Ik kan mij niet voorstellen dat de staatssecretaris dit serieus meent.

Staatssecretaris Atsma: Nu zegt u eigenlijk wat ik ook al zei, namelijk dat er sprake moet zijn van crimineel gedrag. Het is niet aan mij om dat te beoordelen. De inspectie beoordeelt vergunningaanvragen. Als er andere redenen zijn van zwaarwegende aard om een vergunning te weigeren, dan kan dat. Daar zijn verschillende partijen bij betrokken. Maar het is niet gemakkelijk, laat ik het zo maar zeggen.