Bijdrage Ouwehand AO Bestrij­dings­mid­delen en Bijen­sterfte


19 februari 2014

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Ik wil beginnen met een compliment aan de staatssecretaris van Economische Zaken over iets waar ik eigenlijk helemaal niet blij mee ben, maar ik las dat zij heel inventief is omgegaan met de Europese regels over het verruimen van de mogelijkheden voor pulskorvissers. Ik ben daar niet van, want ik vind dat er nog heel veel ellende is rondom de pulskorvisserij. De Partij voor de Dieren is dus niet voor verruiming van de mogelijkheden daartoe, maar de staatssecretaris heeft wel heel creatief gezocht naar een manier waarop ze toch kan doen wat de Kamer haar heeft gevraagd. Dat zie ik graag: ook andere lidstaten of de Europese Commissie eens trotseren. Die houding, daar houd ik wel van. Kijk ik dan weer naar wat er nodig is om het enorme probleem van de bijensterfte aan te pakken, dan denk ik: daarin zou ik die houding ook graag willen zien, maar daarin bespeur ik bij beide staatssecretarissen eerder een mentaliteit van "wij kunnen niet meer dan dit", en dat vind ik jammer.

Ik neem een aantal punten door. Niet alles is direct gelinkt aan de bijensterfte, maar al het gif dat wij gebruiken in de landbouw heeft, hoe je het ook wendt of keert, negatieve effecten. Die stoffen zijn er niet voor niets. Ze zijn echt bedoeld om organismen dood te maken. Soms is het organisme in kwestie een plaagdiertje dat jouw planten opeet, maar andere organismen hebben er ook last van. We moeten daar ontzettend voorzichtig mee zijn en die stoffen zo snel mogelijk uitbannen.

Om te beginnen met metam-natrium: de Partij voor de Dieren heeft in Kamervragen gesteund door een meerderheid van de Kamerfracties aan de staatssecretaris gevraagd of zij bereid is, de ontheffing op dit al verboden grondontsmettingsmiddel in te trekken. De staatssecretaris heeft geantwoord: ik heb de ontheffing al verleend, dus intrekken kan niet. Daar is de Partij voor de Dieren wel teleurgesteld over. Dat middel staat niet voor niets al heel lang op de lijst van middelen waar we vanaf moeten. Dat je de mogelijkheid hebt om ontheffing van dat verbod te verlenen, betekent nog niet dat je dat ook moet doen, zeker niet als je eigen College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) zegt dat dit onverstandig is. De vraag is dus of de staatssecretaris er spijt van heeft en of zij hier kan toezeggen dat 2014 echt het allerlaatste jaar is waarin dat middel in de Nederlandse landbouw mag worden gebruikt. Graag een toezegging op dat punt.

De heer Graus (PVV): Ik had eigenlijk al een paar minuten geleden een interruptie willen plegen, dus ik moet even terug in haar betoog. Ik hoorde mevrouw Ouwehand zeggen dat het middel ook goede organismen doodt, maar dat mag niet het uitgangspunt zijn. Daar wil ik graag een reactie op, want zelfs de honing van de bijen waar het hier over gaat, werkt in bepaalde gevallen anti-, pre- en probiotisch. Zelfs honing! Als mevrouw Ouwehand een longontsteking krijgt, krijgt zij een antibacterieel middel, dus een antibioticum, wat ook de goede darmflora van mevrouw Ouwehand zal vernietigen. Het mag toch niet de maatstaf zijn dat we zomaar gaan zeggen: alles wat micro-organismen doodt, mag niet meer. Dat kan niet, anders kunnen geen mens en dier meer overleven op deze aarde.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Nee, zo bedoel ik het ook niet, maar in zes minuten spreektijd kan ik niet al die onderliggende onderbouwingen meegeven. Als de heer Graus het even wil verifiëren: zo zie ik het niet, maar we kunnen vaststellen dat van spul dat je uitvindt om organismen te bestrijden, chemische bestrijdingsmiddelen, niet alleen de organismen het loodje leggen wier bestrijding de middelen tot doel hebben, maar bijvoorbeeld ook bijen, zoals wij weten, vlinders, motten en allerlei andere organismen die we niet kunnen missen in ons ecosysteem. Zo heb ik het bedoeld.

Voorzitter. Dan kom ik te spreken over het Europees moratorium op neonicotinoïden. De staatssecretaris is, het moet gezegd, voortvarend aan de slag gegaan met de motie die hierover in de Kamer is aangenomen, maar we moeten ook zien dat het Europese spoor helaas is doodgelopen. De voorstellen die de Commissie nu heeft gedaan, betekenen dat het gebruik van ruim 80% van de gevaarlijke neonicotinoïden en fipronil buiten schot blijft. Dat laat zich toch niet rijmen met de houding die ik ook bij de staatssecretaris heb geproefd, dat de risico's voor de bijen en onze zorgen daarover onverminderd groot zijn. Die zorgen verdwijnen natuurlijk niet als Europa te weinig doet of als we in Europa te weinig voor elkaar krijgen. Ik roep de staatssecretaris op om stappen te zetten in de richting van het nationaal treffen van maatregelen. Ik hoop dat ze dat kan toezeggen. Het betekent dat er procedures moeten worden opgestart waarbij de bewijslast wordt omgekeerd, en als uit die procedure blijkt dat de genoemde middelen op geen enkele manier gevaarlijk zijn, is er niets aan de hand. Wordt dat echter niet aangetoond, dan moeten we vanuit het voorzorgsbeginsel die middelen ook in eigen land van de markt kunnen halen. Graag een reactie van de staatssecretaris op dat punt. We moeten die nationale stappen wel zetten. Anders zouden we met elkaar zeggen: jammer dan, dan hebben we straks maar geen appels meer en moeten we andere dingen gaan eten.

De Kamer heeft een motie aangenomen om de verkoop van neonicotinoïden aan particulieren te verbieden. Het moet me van het hart dat het de Partij voor de Dieren verbaast dat de staatssecretarissen een instituut als het Ctgb machtiger lijken te willen maken dan de Tweede Kamer. Natuurlijk kijken Ctgb en Kamer met elkaar naar risicobeoordelingen, toetsingen en noem maar op, maar aan het einde van de dag is er een politieke verantwoordelijkheid om de uitkomsten daarvan te wegen en daarnaar te handelen. Die politieke verantwoordelijkheid heeft erin geresulteerd dat de Kamer heeft gezegd: we willen niet dat die stoffen nog aan particulieren worden verkocht. De staatssecretarissen zeggen dat dit verbod niet hoeft, omdat het Ctgb het niet nodig vindt. Dat stadium waren we echter al voorbij. Daarom hebben wij de motie ingediend en daarom is de motie ook aangenomen. De Kamer heeft gezegd: wij vinden verkoop aan particulieren onvoldoende verantwoord. Ik snap dus niet waarom die motie niet kan worden uitgevoerd. Tegen de boeren zeggen we immers ook: we moeten het gebruik van die middelen aan banden leggen. Dan kun je het echt niet maken om ze aan particulieren wel te blijven verkopen. De hoeveelheid neonicotinoïden die we jaarlijks in Nederland verkopen, is voldoende om 200 miljoen bijenvolken te doden. Me dunkt dat het van belang is om dat terug te dringen.

Dan de motie die ik heb aangehouden om de verkoop van biociden en bestrijdingsmiddelen voortaan van achter een toonbank te doen, zodat mensen niet ondoordacht hun karretje in het tuincentrum volladen met stoffen waarvan ze nauwelijks weten wat ze allemaal doen. In Duitsland werkt dit al erg lang. Daar is zelfs de Duitse tuinbranche volledig voorstander van. Ik stel dus voor dat we dat alsnog gaan doen, ook al heeft de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu allerlei belemmeringen in haar brief geschetst.

Tot slot kom ik te spreken over schimmelresistentie. Ook daarover is in de Kamer een motie aangenomen. Binnen zes maanden vanaf december 2013 moet er een actieplan liggen. Dat is dus voor de zomer. Nu heeft het kabinet aan Royal Haskoning gevraagd om een studie te doen naar schimmelresistentie. Ik was daar niet erg van onder de indruk. De eerste bron die genoemd wordt, is Wikipedia. Dat kan een 16-jarige vwo-scholier ook. Wat heeft dat onderzoek gekost? Zou het niet verstandig zijn om te spreken met de onderzoekers van de Radboud Universiteit, die er nu juist op wijzen dat die resistente schimmels erg lijken op vijf soorten fungiciden die we hebben toegelaten in de landbouw? Ik verwacht een serieus actieplan, dus ik vind dat het kabinet meer moet doen dan alleen Royal Haskoning een rapportje laten schrijven. Kan ik een toezegging krijgen dat het kabinet inderdaad met Radboud in gesprek gaat om dit probleem serieus aan te pakken?

Mevrouw Lodders (VVD): Ik moet een keuze maken, nu ik maar één interruptie heb. Het is niet heel erg gebruikelijk dat ik die pleeg aan het adres van mevrouw Ouwehand, maar ik wil graag de reactie van mevrouw Ouwehand horen. Ik vind dat zij heel erg op de stoel van de deskundige gaat zitten. Waar hebben wij gerenommeerde bureaus als het Ctgb voor?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Dat is een goede vraag. In ieder geval niet om de volksgezondheid te beschermen, als je de resultaten van de afgelopen jaren zo beziet. Er is veel kritiek op de toetsingsmodellen die worden gebruikt om te beoordelen of een stof enigszins veilig op de markt kan worden gebracht. Dat weet mevrouw Lodders ook. Er is kritiek op de modellen die de European Food Safety Authority (EFSA) heeft gebruikt en er is kritiek op de manier waarop het Ctgb werkt. We horen van onafhankelijke wetenschappers dat die toetsingsmodellen tien jaar achterlopen op de stand van zaken in de wetenschap. Ik ben er dus niet gerust op als het Ctgb zegt: er is helemaal geen probleem met neonicotinoïden in middelen die je aan particulieren verkoopt, zeker niet als ik van andere wetenschappers hoor wat de hoeveelheden zijn. Als je daar 200 miljoen bijenvolken mee kunt omleggen, dan denk ik dat het Ctgb zijn werk niet goed doet. Gelukkig hebben we hier een eigen zelfstandige verantwoordelijkheid om de risico's nog eens te wegen.

Mevrouw Lodders (VVD): De Kamer heeft inderdaad een verantwoordelijkheid, maar wij zijn afhankelijk van deskundigen. We hebben daarvoor het Ctgb in Nederland. In een van de stukken staat dat een internationale commissie het werk van het Ctgb heeft onderzocht. Dan vraag ik mij toch oprecht af of het verstandig is -- en dan druk ik me nog zwak uit -- dat Kamerleden op de stoel van een deskundig bureau zoals het Ctgb gaan zitten.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Als mevrouw Lodders het niet erg vindt, houdt de PvdD wel degelijk rekening met rapporten die verschijnen uit onafhankelijke en onomstreden bron, namelijk de zelfstandig functionerende wetenschap, waarbij ook geen sprake is van belangenverstrengeling in de zin dat studies, die met geld van de aanvrager zijn uitgevoerd, niet te controleren zijn in hoe ze gewogen zijn door het Ctgb. Als de VVD het goed vindt, houdt de Partij voor de Dieren een open blik en hanteert ze het voorzorgbeginsel bij het toelaten van gevaarlijke middelen op de Nederlandse markt.

Interrupties bij andere partijen:

Mevrouw Jacobi (PvdA): Voorzitter. Een mooie avond om in Nederland verdere stappen te zetten naar een gifvrijere wereld. Mijn buurvrouw gebruikte andere woorden, maar ik gebruik "een gifvrije wereld". De PvdA staat voor een bijenvriendelijk en gifvrij groenbeheer dat goed is voor het milieu, voor de gezondheid van de mensen en voor de waterkwaliteit.

(…)

Ik ga door met het onderwerp biociden en de verkoop aan particulieren. Er liggen twee moties van collega Ouwehand van de Partij voor de Dieren. In een motie wordt gevraagd om een verbod van het particulier gebruik van middelen met neonicotinoïden, en in de andere wordt erom gevraagd, bestrijdingsmiddelen en biociden alleen nog maar vanachter een toonbank te verkopen. Ten aanzien van het verbod op neonicotinoïden heeft het Ctgb gesteld dat de risico's voor bijen en kinderen verwaarloosbaar zijn. Volgens deze trajecten en deze feiten van het Ctgb is het juridisch onmogelijk om de motie op die manier uit te voeren. Ik vind het wel weer heel goed dat de staatssecretaris zegt: in de geest van deze moties probeer ik wel de doelen te halen. Ik ga dan toch aansluiten op de kritiek die er is, zowel op EFSA als op het Ctgb. Kijkt u naar de procedures. Wat wij willen, is: groener, groener, groener.

(…)

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Over het verbod op de verkoop van neonicotinoïden aan particulieren zegt het kabinet: dat gaan we niet uitvoeren, want het Ctgb vindt het niet nodig. Ik hoor mevrouw Jacobi gelukkig zeggen dat zij vindt dat die motie gewoon moet worden uitgevoerd, of dat er in elk geval in de geest van de motie moet worden gehandeld. Nu zijn er ook nog andere routes die het kabinet kan bewandelen. Als het Ctgb zegt: we vinden het niet nodig, dan is het inderdaad wat lastiger, maar we kunnen een procedure opstarten om de bewijslast om te draaien. Voelt mevrouw Jacobi ervoor dat het kabinet die stappen gaat zetten? Dan is het niet morgen uit de winkel, maar blijven we wel werken aan een totaalverbod op de verkoop van deze middelen aan particulieren.

Mevrouw Jacobi (PvdA): De inzet van de PvdA is dat het verboden wordt. Daar hebben we ook altijd voor gestaan. Nu hebben we weleens vaker de discussie gehad dat je voor de bühne kunt gaan voor een totaalverbod, maar ik ben altijd in die zin consistent dat ik zeg: als het juridisch niet haalbaar blijkt, zoek dan naar een slimme oplossing om het toch voor elkaar te krijgen. Soms hebben we er discussie over dat het eigenlijk geen zin heeft om iets als lidstaat van de EU te regelen, als Europa het nog niet geregeld heeft. Dat soort spanningsvelden krijg je dan. Ik ben het altijd met de Partij voor de Dieren eens -- en zij hopelijk ook met mij -- dat we het willen verbieden, maar ik zie ook wel in dat het Ctgb ons dat heel erg lastig heeft gemaakt. We kunnen hier blijven roepen dat we vinden dat het verboden moet worden, maar we hebben nu wel een juridisch probleem op te lossen. Ik hoor straks graag van de staatssecretaris volgens welke routes dat verder nog zou kunnen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Dat is fijn, want ik vraag de staatssecretaris om die route, nu het Ctgb zegt: wij zien daar geen grond voor. Om alternatieve routen te bewandelen, duurt langer, maar geeft wel de juridische basis om alsnog tot een verbod te komen. Ik begrijp dat mevrouw Jacobi me wel steunt in mijn vraag aan het kabinet om dat te gaan doen.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Ik verval in herhaling. Ik wacht het af.

Beantwoording door de staatssecretarissen van Economische Zaken en van Infrastructuur en Milieu

Staatssecretaris Dijksma: Mijn tweede blokje gaat over het onderwerp metam-natrium. Dat onderwerp houdt veel leden bezig, en dan druk ik me nog voorzichtig uit. De Kamer heeft daar uiteraard ook eerder uitspraken over gedaan. Ik heb een poging gedaan om haar met een uitgebreide brief op de hoogte te stellen van de feitelijke situatie, maar ik maak nu ook heel graag van de gelegenheid gebruik om daar nog het een en ander over te zeggen. In 2010 is door de Europese Commissie metam-natrium verboden vanwege de onvolledigheid van de gegevens in het toelatingsdossier. Er was een uitzondering -- dat heet in vaktermen een essential use --voor landen die konden aantonen dat het gebruik van de stof onmisbaar was. Ook in Nederland mag de stof nog gebruikt worden, overigens onder strikte voorwaarden. Dat betekent maximaal een maal per vijf jaar. Deze zogenaamde essential use eindigt in 2014. De afgelopen jaren -- 2008 tot en met 2012 -- werd jaarlijks gemiddeld 5.500 ha grond ontsmet. In 2012 is metam-natrium in Europa opnieuw goedgekeurd. Daarbij zijn strenge toelatingsvoorwaarden geformuleerd, namelijk maximaal een keer per drie jaar toepassen en slechts een bepaalde dosering. Er zijn vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld wanneer het gaat om het zogenaamde stengelaaltje. Dat is een heel naar beestje, een quarantaineaaltje dat volgens de Europese fytosanitaire wetgeving niet verspreid mag worden en ook bestreden moet worden. Wij zijn dus gewoon verplicht om dat te doen.

De Kamer heeft in een motie verzocht om metam-natrium gewoon te verbieden. In 2012 is metam-natrium in Europa onder bepaalde strengere toelatingsvoorwaarden opnieuw goedgekeurd. Dit betekent dat als er weer een aanvraag komt voor toelating in Nederland of in de beoordelingszone, het Ctgb of een andere autoriteit deze aanvraag moet beoordelen. Daarvoor is een dossier nodig op basis waarvan kan worden vastgesteld dat er geen onaanvaardbaar risico is voor mens, dier en milieu. Ik ben het met de Kamer eens -- en zo heb ik ook de motie gezien -- dat er een beperking van de blootstelling van omwonenden aan deze stof moet komen. Dat kan ook met beperkende maatregelen ten aanzien van de toelating worden bereikt. Het is echter nog belangrijker om gezamenlijk te kijken naar alternatieven. Een aantal Kamerleden heeft daar vandaag ook aandacht voor gevraagd. Er heeft al een eerste overleg plaatsgevonden over de vraag, welke opties er zijn voor de korte termijn. Dat is niet eenvoudig, zoals ook een aantal leden al heeft aangegeven. Je kunt daarbij denken aan opties als een teeltvrije zone en verplichtingen met betrekking tot de weersomstandigheid. Dat zijn opties die een beperkende werking zouden kunnen hebben. Ik zou graag verder met de betrokken organisaties willen spreken over de mogelijke alternatieven. Ik doe de Kamer het voorstel dat wij dat gesprek voeren -- we waren er al mee begonnen -- en dat we bekijken hoe het gebruik verder gereguleerd kan worden en hoe het middel zo min mogelijk toegepast kan worden. We kunnen dan tegelijkertijd ook bezien welke alternatieven er zijn en hoe die gestimuleerd zouden kunnen worden. Ik wil de Kamer daarover in april een voorstel sturen.

De heer Graus en mevrouw Dik-Faber hebben gevraagd hoe wordt omgegaan met metam-natrium in de bollenteelt en hoe het zit met vanggewassen. Die vanggewassen vormen inderdaad een goed alternatief voor metam-natrium, maar ze zijn op dit moment nog niet grootschalig aanwezig. Dat zijn nu precies de opties die we ook zouden willen bespreken. Ik heb de Kamer een voorstel gedaan. Ik ben in overleg. De Kamer kent de Europese situatie en weet wat mijn voornemen is. Ik wil met betrokkenen in overleg treden en de Kamer in april een voorstel doen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): De staatssecretaris zegt dat ze de motie leest als een verzoek om de blootstelling te verminderen. Het waren Kamervragen waar een meerderheid van de fracties zich achter had geschaard. We hebben gevraagd of de staatssecretaris bereid is geen nieuwe vrijstelling meer te verlenen voor metam-natrium. Ik begrijp wel dat de staatssecretaris in overleg wil treden met de sector. Dat is de zachte aanpak. Maar waar wil ze dan heen als we in april een brief krijgen? Is het ook haar streven om in 2015 geen metam-natrium meer te gebruiken in de Nederlandse landbouw?

Staatssecretaris Dijksma: Het punt is dat het niet zo eenvoudig is om dat meteen helemaal uit te sluiten. Ik probeer nu via overleg te bekijken hoe een agenda kan worden uitgerold waarbij we het gebruik terugdringen door ook te kijken naar alternatieven. Daar waar het middel nog gebruikt zou worden, moet het op een zodanige wijze gebeuren dat we de risico's zo veel mogelijk terugdringen. Dat overleg voer ik overigens niet alleen met de mensen die het middel nu gebruiken, maar ook met natuur- en milieuorganisaties. Ik heb de Kamer dat voorstel gedaan. Zo heb ik de vragen ook gezien. Volgens mij zouden wij dat op basis van de huidige gegevens kunnen doen. Ik wijs erop dat er natuurlijk door de EFSA wel een nieuwe goedkeuring is verleend. Dat moet wel worden meegenomen. Dat betekent dat er dus wel druk op dit dossier komt. Volgens mij is die druk maximaal. De heer Schouw sprak over de term "stap voor stap". Daar voel ik mij door aangesproken. Maar het moeten wel realistische en haalbare stappen zijn.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Dat kan allemaal wel, en ik snap de politieke move van de staatssecretaris, maar het middel is gevaarlijk en mensen worden er hartstikke ziek van. De incidenten die ermee gepaard zijn gegaan, vonden plaats terwijl de betreffende boer alle voorschriften gewoon keurig had opgevolgd. En toch zijn mensen ziek geworden. Waar legt de staatssecretaris dan de grens in die balans tussen de export van onze leliebollen en het belang van de volksgezondheid? We hoeven niet te exporteren. Als we exporteren, moeten die fytosanitaire eisen worden ingewilligd. Maar het hoeft niet, we kunnen ook zeggen dat we het niet meer doen.

Staatssecretaris Dijksma: Nee, maar uiteindelijk is het wel de door ons ingestelde groep van experts, de EFSA en het Ctgb die bepalen wat wel en niet gevaarlijk is en op welke wijze middelen gebruikt kunnen worden. Daar hangt het natuurlijk wel van af. Daarover zullen we later tijdens dit debat ook nog met elkaar spreken. Mevrouw Ouwehand en ik nemen inderdaad een andere positie in. Ik laat mijn werkwijze ook afhangen van datgene wat de experts op dit terrein zeggen. Ik zie tegelijkertijd ook dat er mogelijkheden zijn om samen te werken aan alternatieven. Ik ervaar datgene wat mevrouw Ouwehand met verschillende fracties heeft uitgesproken als een heel goede aansporing om dat te doen. De Kamer ontvangt in april het resultaat daarvan. Als het haar bevalt, is dat mooi. Als het haar niet bevalt, hoor ik dat wel.

(…)

Staatssecretaris Dijksma: Mijn derde blokje gaat over de neonicotinoïden en het Actieprogramma Bijengezondheid. (…) Mevrouw Ouwehand heeft gevraagd waarom ik de motie inzake het verbod van verkoop van neonicotinoïden aan particulieren niet uitvoer. Ik wil allereerst een misverstand wegnemen. In mijn brief van 1 juli heb ik namelijk aangegeven hoe ik deze motie zal uitvoeren. Bedrijven mogen sinds 30 september 2013 producten met imidacloprid voor het particuliere gebruik niet meer verkopen. Voor thiametoxam, clothianidine, fipronil en acetamiprid zijn geen middelen voor niet-professioneel gebruik toegelaten in Nederland. Er zijn op dit moment nog drie toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen op basis van thiacloprid voor niet-professioneel gebruik in Nederland toegelaten. Met de herbeoordeling van thiacloprid zal in 2014 door EFSA worden gestart. Als deze herbeoordeling daartoe aanleiding geeft en de Europese Commissie een voorstel indient voor een verbod op middelen op basis van thiacloprid, dan zal ik uiteraard de Europese Commissie daarin steunen en ook het EU-verbod zo spoedig mogelijk in Nederland implementeren. Ik heb al eerder aangegeven dat ik het van belang vind om het Europese spoor te volgen. Nederland heeft daarin overigens een aanjagende rol gespeeld. Dat weet mevrouw Ouwehand ook. Ik heb dit onderwerp zelf ook in de Landbouwraad geagendeerd. Ik heb ook de commissaris nog op een aantal momenten aangespoord om bepaalde acties te ondernemen.

Mevrouw Ouwehand heeft verder gezegd dat zij het nationale verbod op de neonics eigenlijk te weinig vindt. Het verbod op voor bijen aantrekkelijke gewassen is er. Het gaat om drie neonics en om fipronil. Daarmee zijn voor bijen de risico's zo veel mogelijk beperkt. Ik kies dus voor het Europese spoor. Dat heb ik zojuist al gezegd en dat heb ik ook gezegd toen de motie werd ingediend en aangenomen. Daar is nooit onhelderheid over geweest. Dat heb ik al vanaf het moment van indiening van de motie gezegd. Ik heb ook aangegeven onder welke condities ik de motie zou uitvoeren.

(…)

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik raak de staatssecretaris een beetje kwijt. Ik heb haar met veel passie naar Europa zien gaan. Ik ben ervan overtuigd dat die bijensterfte haar echt aan het hart gaat. Zij is er ook van overtuigd dat die neonicotinoïden gevaarlijk zijn en dat we daarvan af moeten. Hulde daarvoor! En vervolgens lukt het in Europa niet helemaal zoals we hadden gewild en dan hoeven we niks meer te doen? Is dan het probleem van de bijensterfte opgelost, zijn onze zorgen dan weg? Dat is toch raar! Ik heb allerlei aangehouden moties. Ik weet nog goed dat de Kamer het wat irritant vond dat ik die indiende, want we zouden toch dat spoor afwachten. Al die moties gaan over het nemen van nationale stappen. Dat betekent inderdaad dat je een procedure moet volgen. Waarom wil de staatssecretaris dat niet? Waarom herhaalt zij hier de riedel over de verkoop van die neonicotinoïden aan particulieren die we destijds bij de motie ook hoorden? De Kamer heeft na het aanhoren en wegen daarvan gezegd dat zij toch iets verder wilde gaan dan de drie stoffen die in Europa verboden zijn, dat zij alle neonicotinoïden niet meer in de winkel wilde hebben voor particulieren. Nu zegt de staatssecretaris: zo heb ik die motie gezien. Nee, die motie kwam na afloop van haar betoog en die motie was bedoeld om haar bij te sturen. Ze voert de motie dus niet uit.

Staatssecretaris Dijksma: Er worden nu een paar dingen gezegd waarvan ik denk dat ik er iets tegenin moet brengen. Ik bedank mevrouw Ouwehand voor de erkenning dat ik met veel enthousiasme en overtuiging aan de slag ben gegaan binnen de Europese Landbouwraad om het een en ander te doen aan neonicotinoïden, maar ik had niet het idee dat we daarna achterover konden gaan leunen. Het Actieplan Bijengezondheid is daar een voorbeeld van. Ik noem voorts het feit dat ik commissaris Borg gevraagd heb om een aantal stoffen die nog niet herbeoordeeld zouden worden, sneller te gaan herbeoordelen. Ik vind het met mevrouw Ouwehand heel vervelend dat vervolgens het antwoord komt dat dat toch pas in de loop van dit jaar wordt opgepakt. Dat betekent echter niet dat ik niet datgene doe wat in mijn vermogen ligt om druk uit te oefenen om dat voor elkaar te krijgen.

Waarover verschillen wij nu van mening? Dat verschil van mening is overigens ook helemaal niet nieuw, dat is er altijd geweest, ondanks alle acties. Ik zeg dat ik pas dingen ga verbieden op het moment dat ik daarvoor ook een Europese basis heb. Ik denk namelijk dat dat het meest effectief is. De discussie is steeds op deze wijze verlopen. Ondertussen kan niet gezegd worden dat er niets is gebeurd op het terrein van een verkoopverbod aan particulieren. Die suggestie wordt wel de hele tijd gewekt. Ik heb namelijk zojuist al gezegd dat we vanaf 30 september een heel aantal zaken verboden hebben. Daar ligt inderdaad een Europese basis onder. En waar die basis er nog niet ligt, heb ik de EFSA via de Commissie aangespoord en heb ik in sommige gevallen het Ctgb gevraagd om alvast een beoordeling te geven of we op basis van de daar aanwezige kennis misschien wel vooruit zouden moeten lopen. Het antwoord op die vraag was negatief. Dat betekent echter niet dat ik niets gedaan heb, het betekent alleen dat er een uitkomst is waarmee mevrouw Ouwehand niet tevreden is.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Dat is een "ja" en een "nee". Ik weet dat de staatssecretaris via het Europese spoor wel degelijk aan de gang blijft, maar ze laat een ander spoor welbewust liggen. Daar was deze motie voor bedoeld. Er zijn ook nog andere moties waarvan ik nu vind dat het tijd is om ze in stemming te brengen. We hebben afgewacht wat de Europese aanpak heeft opgeleverd. We moeten op basis van de Europese maatregelen vaststellen dat 80% van het gebruik gewoon buiten schot blijft. Dat kan de bij niet hebben. Dat kunnen wij niet hebben, tenzij je net als Louise Fresco van mening bent dat je gewoon andere dingen moet eten, terwijl het grootste deel van onze voedselgewassen afhankelijk is van bestuivers zoals de bij. Ik vraag de staatssecretaris om nu niet met al haar geld op de Europese route te gokken, maar alvast de procedures op te starten die het mogelijk maken om op nationaal niveau maatregelen te nemen. De bewijslast kan gewoon omgedraaid worden. Waarom wil zij die route niet bewandelen, terwijl zij nu ook weet dat de kans dat de Europese aanpak voor een echte terugdringing van al deze gifstoffen zal zorgen, niet heel waarschijnlijk is?

Staatssecretaris Dijksma: Ik denk in alle eerlijkheid dat wij ook een ander oordeel hebben over de kansrijkheid van het Europese spoor. Het is zeker waar dat ik niet alleen maar daarop inzet. Anders had ik niet ook een nationaal plan voor de bijengezondheid willen bevorderen. Anders zou ik niet het Ctgb alvast hebben gevraagd om naar een bepaalde stof te kijken omdat ik vind dat het lang duurt voor de EFSA die gaat herbeoordelen. Ik heb steeds vastgesteld dat het in mijn opinie verstandig is om op deze manier, stap voor stap, de goede stappen te zetten en tegelijkertijd niet achterover te leunen. Ik heb de heer Schouw toegezegd dat ik nog eens uit de doeken zal doen wat de nationale mogelijkheden zijn, wat het betekent als je het op die manier zou doen. Die informatie kan ik geven in de brief over metam-natrium die in april naar de Kamer wordt gezonden. Ik zeg in alle oprechtheid dat ik het jammer vind dat mevrouw Ouwehand suggereert dat we niet heel veel bereikt hebben. Dat is namelijk wel het geval, terwijl heel veel mensen dat niet verwacht hadden.

(…)

Staatssecretaris Mansveld: Mijn volgende blokje betreft de azolen. Mevrouw Ouwehand sprak over de onderzoekers van de Radboud Universiteit. Het RIVM zal gevraagd worden om invulling te geven aan de onderzoekaanbevelingen uit het rapport. Daar zullen eerdere onderzoeken bij betrokken worden, ook van de Radboud Universiteit. Gezien de specifieke vraag zal ik het RIVM verzoeken om zeker specifiek met de Radboud Universiteit contact op te nemen over de initiatieven van de Radboud Universiteit.

(…)

Ik kom te spreken over de verkoop achter de toonbank. Ik wil eerst iets rechtzetten. Er is eerder gezegd dat dit al gebeurt in Denemarken. Wij hebben dat gecheckt en dat blijkt niet zo te zijn. In Denemarken wordt dat niet gedaan. Zojuist suggereerde mevrouw Ouwehand dat het ook al in Duitsland gebeurt. Dat klopt voor gewasbeschermingsmiddelen maar niet voor biociden; ook daar vindt een kassacheck plaats. Omdat ik dit een heel belangrijk punt vind, hebben wij dit heel specifiek nagezocht. Ik heb direct al gezegd dat ik het een zeer interessante gedachte vond om te kijken of het mogelijk was om achter de toonbank te verkopen. Ik heb daar uitgebreid naar gekeken, want ik deel de zorgen over het effect van chemische bestrijdingsmiddelen. Ik heb ook gezegd dat ik het doel van de motie volledig onderschrijf. Ik ben echter ook op zoek gegaan naar welke informatie er is en hoe het in andere landen gaat. Afdwingen is juridisch moeilijk. Als je het af wilt dwingen, moet er een alternatief zijn, want de rechter toetst op proportionaliteit. Het gaat daarnaast ook om kosten. Ik vind het belangrijk dat, nu deze weg zeer slecht begaanbaar lijkt, wij zoeken naar een ander pad.

Ik heb dit ook geschetst in de brief. Ik omarm de zorg die er leeft. We zullen het algemeen bewustzijn moeten vergroten. Ik denk dat heel veel mensen niet nadenken bij de aankoop van een mierenlokdoosje. Iemand had het zojuist over paracetamol. Ik had als voorbeeld de ibuprofen. Als je paracetamol koopt, wordt er iedere keer opnieuw bij de kassa gevraagd of je bekend bent met het gebruik, of je weet wat je koopt, of het wel verstandig is om drie doosjes te kopen etc. Ik vind het belangrijk dat er een bewustwording bij mensen optreedt. Immers, uiteindelijk kunnen we nog zo veel maatregelen nemen, maar het individu moet het anders gaan doen. Dat doel van de motie onderschrijf ik. We moeten het algemeen bewustzijn vergroten, door voorlichting en door de kassacheck bij de verkoop. Ook moeten er slimmere verpakkingen komen. Het middel moet niet meer onverdund worden verkocht maar moet zodanig aangeleverd worden dat mensen niet het geconcentreerde product in handen hebben. Ik omarm dus de zorg van mevrouw Ouwehand. Zij kan echter wel zeggen dat zij wil dat de motie blind wordt uitgevoerd, maar ik heb al beschreven waar de beperkingen zitten. Op dit moment moeten we dus zoeken naar andere oplossingsrichtingen. Die stel ik ook voor in deze brief.

De heer Van Gerven en mevrouw Ouwehand hebben gevraagd of biociden toch niet achter de toonbank verkocht kunnen worden, ondanks de nadelen, want in Duitsland gebeurt het al. Ik heb zojuist al aangegeven dat ik de weg wil gaan die ik in de brief heb geschetst. Ik wil niet een zeer slecht begaanbare weg proberen, maar ben liever realistisch, om zo stappen vooruit te zetten.

Tweede Termijn:

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Wat de PvdD betreft, ronden we dit debat af met een VAO, want ik zie hier een kabinet met twee gezichten. Dank voor de stappen die zijn gezet in Europees verband om te komen tot een Europese aanpak van de middelen die gevaarlijk zijn voor bijen. Dat is harstikke goed. Dank ook voor het antwoord dat de Radboud Universiteit betrokken zal zijn bij het verdere onderzoek naar de fungiciden en schimmelresistentie. Dank ook voor de kabinetsreactie op het rapport van de Gezondheidsraad.

Er is echter ook een andere kant. Ik hoor de bewindspersonen zeggen dat het kabinet het allemaal heel serieus neemt. Ik haal er één voorbeeld uit. Het is niet voor het eerst dat het kabinet geconfronteerd wordt met het feit dat metam-natrium echt een gevaarlijk middel is. Toch zegt de staatssecretaris van EZ, in strijd met het advies van het Ctgb, terwijl zij zojuist heeft geprobeerd te verdedigen dat het Ctgb goed beoordeelt, dat er vrijstelling wordt gegeven voor gebruik vaker dan eenmaal per vijf jaar. Als de staatssecretaris in april met een brief komt, betekent dat dat er alweer velden zijn ontsmet voor de bollenteelt, want dat begint in maart.

Ik kan dit niet rijmen. De staatssecretaris zegt dat de gezondheid van mensen, kinderen, en de natuur haar aan het hart gaat en dat ze daaraan werkt. Ik vind dat het kabinet meer de daad bij die woorden moet voegen. We willen daarom met een aantal moties het kabinet tot meer actie aanzetten.

Staatssecretaris Dijksma: Voorzitter. In dat kader had mevrouw Ouwehand eerder opvattingen dan vragen. Daarover spreken wij dan nog met elkaar. We zijn het niet altijd helemaal met elkaar eens, maar ik probeer iedere keer ook recht te doen aan haar opvattingen.