Bijdrage debat over import­verbod op zeehon­denbont


5 februari 2007

Voorzitter,

Ik beschouw het als een bijzonder voorrecht om vandaag een bijdrage te mogen leveren aan een mijlpaal in het werk dat ik bij stichting Bont voor Dieren begon, namelijk bewustwording van welke wreedheden mensen zeezoogdieren aandoen en het treffen van maatregelen daartegen.
Mijn eerste kennismaking met de strijd voor dierenrechten was toen ik als 11 jarige handtekeningen ophaalde tegen de barbaarse zeehondenjacht. En hoewel het 23 jaar geduurd heeft voor we tot een importverbod komen, beschouw ik het als een enorme overwinning voor iedereen die mededogen met dieren voelt dat we vandaag spreken over het wetsvoorstel van Kruijsen en Snijder-Hazelhoff om te komen tot een importverbod op producten van zadelrobben en klapmutsen.

De haat die bij sommige Canadezen bestaat jegens klapmutsen en zadelrobben wordt treffend verwoord door John Efford, liberaal lid van het Canadese parlement

“I would like to see the 6 million seals, or whatever number is out there,
killed and sold, or destroyed and burned. I do not care what happens to
them . . . the more they kill the better I will love it.”

Wij vinden het een overwinning dat in ons parlement brede steun lijkt te bestaan voor het paal en perk stellen van dit soort barbaarse praktijken.

Naast onze vreugde daarover zijn er echter ook een aantal kanttekeningen te plaatsen die ik aan de indieners van het wetsvoorstel wil voorleggen.

Allereerst is daar de vraag waarom het voorstel zich beperkt tot een importverbod op producten van zadelrobben en klapmutsen en waarom het voorstel met zoveel nadruk gericht lijkt te zijn op de handel in Canadese producten afkomstig van zeehondensoorten. Ik heb uw toelichting gelezen en ben met u eens dat het betere niet de tegenstander zou moeten zijn van het goede, maar nu we zover zijn met een voorstel dat paal en perk stelt aan de import van nutteloze producten uit wreedheid verkregen, wil ik u vragen naast de barbaarse jacht in Canada ook de zeehondenjacht in Namibië mee te willen nemen in uw voorstel.

Mag ik uw bijzondere aandacht vragen voor de vergeten moordpartijen op Kaapse pelsrobben in Namibië?

Momenteel is de Namibische jacht op Kaapse pelsrobben met de slachting van 60.000 babyzeehonden en 7.000 stieren na Canada één van de grootste zeehondenvangst ter wereld. De afgelopen jaren heeft Seal Alert Zuid Afrika intensief onderzoek gedaan waardoor stukje bij beetje meer zaken aan het licht kwamen over deze barbaarse jacht.

In 1972 trad de Amerikaanse Zeezoogdieren Beschermingswet in werking. Deze wet verbood de jacht op zogende zeehondenjongen. In 1977 besloot de Amerikaanse Hoge Raad het importverbod op Kaapse pelsrobhuiden te handhaven. Dit had een einde aan de pelsrobbenindustrie moeten maken in zuidelijk Afrika. Echter, het zou pas tot 1990 duren voordat Zuid-Afrika een einde maakte aan de zeehondenjacht.

In 1990 werd Namibië echter onafhankelijk met dramatische gevolgen voor de kaapse pelsrob. De zeehondenjacht in Namibië wordt uitgevoerd in natuurgebieden door slechts twee vergunninghouders. Minder dan 160 parttime ongeschoolde gastarbeiders worden voor een paar maanden tewerkgesteld. In 2000 brachten de 42.000 gedode jongen in totaal 85.000 dollar op, ofwel nog geen 3 dollar per gedood exemplaar.

Ik vertel u dit omdat ik vurig hoop dat u bereid bent in elk geval de Kaapse pelsrob in uw wetsvoorstel op te nemen. Er is geen enkel redelijk belang dat zich daartegen kan verzetten. Sterker nog, niet mag worden uitgesloten dat de handel en jacht na een importverbod op producten van zadelrobben en klapmutsen zich zouden kunnen verplaatsen naar Namibië en de populatie Kaapse pelsrobben nog verder zouden kunnen schaden.

Indien u daar onverhoopt niet voor mocht voelen, overweeg ik een amendement van deze strekking in te dienen.

Beter nog zou het zijn om een importverbod in te stellen op alle producten afkomstig van zeezoogdieren. Daartegen zou zich geen enkel redelijk belang verzetten en Nederland zou er een belangrijk signaal mee kunnen afgeven tegen de jacht op walvissen, dolfijnen, zeehonden en andere zeezoogdieren. Ook daarvan wil ik u vragen aan te geven welke reden er zou kunnen zijn het verbod niet uit te breiden tot andere zeezoogdieren.

Een andere vraag die ik heb aan de indieners van het wetsvoorstel heeft betrekking op de uitzonderingspositie voor producten van zeehonden die afkomstig zijn van de jacht door de Inuït.

Het is me duidelijk dat u geen inbreuk zou willen maken op de kleinschalige jacht voor eigen gebruik van deze inheemse bevolking. Wat ons echter niet duidelijk is, is welke reden aan te voeren is om binnen het importverbod een uitzondering te maken voor de Inuït indien hun uitzonderingspositie daadwerkelijk betrekking heeft op “jacht voor eigen gebruik”.

Hoe verhoudt zich dat eigen gebruik tot een exportpositie richting Nederland? Welke schade zou de kleinschalige jacht voor eigen gebruik van de Inuït oplopen van een algeheel Nederlandse importverbod voor zadelrobben,klapmutsen en kaapse pelsrobben? Bent u bereid op basis van deze overweging de uitzonderingsbepaling voor producten afkomstig van de jacht door de Inuït te laten vervallen, omdat het – indien de eigen gebruiksoverweging terecht blijkt- om een louter intern Canadese aangelegenheid zou gaan die los gezien moet worden van het hier en nu voorgestelde importverbod?

Tenslotte wil ik een woord van waardering uitspreken aan het adres van collega Snijder-Hazelhoff voor het samen met mevrouw Kruijsen indienen van dit voorstel. Als voorzitter van de Faunabeheer Eenheid Provincie Groningen, kent u de discussie over vermeende schadelijkheid van dieren als geen ander. Vanuit dat perspectief zult u ook begrip hebben voor de argumenten van Canadese jagers die de zadelrobben en klapmutsen vooral als schadelijke dieren zien. Ik vind het een geweldige overwinning dat u desondanks heeft gekozen voor de belangen van het dier en niet voor die van de mens, in dit geval.

Ik wil de hoop uitspreken dat deze stap een begin is van een diervriendelijke VVD die door zoveel kiezers van uw partij wordt gewenst. Op dit moment worden in ons land jonge vossenwelpjes geboren die in hun aaibaarheid, vermeende schadelijkheid én in de barbaarse wijze waarop ze bejaagd worden vergelijkbaar zijn met zadelrobben en klapmutsen. Sterker nog, waar zadelrobben en klapmutsen niet meteen na de geboorte mogen worden doodgeknuppeld, mogen vossenwelpjes dat wel en mogen ook zwangere en zogende moederdieren worden geschoten zonder aandacht voor de jongen.

Ik wil u vragen, beperk u niet tot uw zorgen om het welzijn voor zadelrobben en klapmutsen. Maar zie het als een eerste stap om de belangen van dieren niet langer standaard ondergeschikt te maken aan die van de mens. Niet het recht van de sterkste moet uitgangspunt zijn van ons handelen, maar de belangen van de zwaksten.

Ik hoop dat we elkaar op dat punt zullen kunnen vinden, zodat de morele blinde vlek van onze samenleving eindelijk kan worden weggenomen.

En voorts zijn wij van mening dat er een einde moet komen aan de bio-industrie, ik dank u wel.