Algemeen Overleg Biotech­no­logie


17 april 2007

Inbreng Partij voor de Dieren, Esther Ouwehand

Voorzitter, dit AO zal redelijk inhoudsloos blijven. Er lopen nog verschillende trajecten waarover het kabinet zich nog niet heeft uitgesproken, zoals de evaluatie van het Besluit biotechnologie bij dieren er komt nog een trendanalyse aan, we hebben te maken met brieven van het oude kabinet en de ministers van VWS en LNV zijn niet aanwezig. Ik verwacht vandaag dan ook geen heldere antwoorden op onze vragen te krijgen, en dat is jammer. Neemt niet weg dat we hier toch zitten met z'n allen, en dat we met elkaar spreken over biotechnologie. Ik maak graag van de gelegenheid gebruik om een beeld te schetsen van de gevolgen van biotechnologie wanneer het om dieren gaat. We hebben het hier tenslotte over een ethische kwestie.

Muizen zijn veelgebruikte dieren in biotechnologisch onderzoek. Van deze dieren wordt het DNA veranderd. Dat klinkt redelijk simpel, maar dit gaat natuurlijk niet vanzelf. Bij een van de gangbare technieken worden allereerst zeer jonge vrouwtjesmuizen van slechts 3 weken oud met behulp van hormonen ‘gesuperovuleerd’. Vervolgens moeten zij paren met volgroeide en vaak veel grotere mannetjes. 16 uur later worden de bevruchte eicellen ‘geoogst’, zoals dat eufemistisch wordt genoemd. We kunnen ook gewoon zeggen dat deze muisjes worden gedood, want dat is namelijk het geval. De eicellen worden gemuteerd en intussen wordt een tweede groep vrouwtjes pseudozwanger gemaakt door ze te laten paren met gesterilliseerde mannetjes. Deze dieren fungeren als fostermoeders en krijgen 10 tot 20 gemuteerde embryo's geïmplanteerd. Van de jongen die hieruit geboren worden, wordt veelal een teen of een stukje van het oor of de staart afgeknipt om te bekijken of ze de gewenste mutatie hebben opgelopen. De niet-transgene dieren zijn overbodig en worden gedood. En voor de gemuteerde dieren begint een leven van experimenten, waarbij zij op voorhand reeds te lijden hebben: er is immers een gerommeld aan hun genen met de bedoeling hen ziek te maken. Maar dat lijden noemen we voor het gemak maar even ‘ongerief’.
Laatste weetje in deze schets van biotechnologie bij dieren: voor het maken van één transgene lijn worden gemiddeld 150 dieren gebruikt. De overgrote meerderheid blijkt overbodig. Zo zijn in 2003 bijna 110.000 transgene muizen gedood, die geen deel uitmaakten van een experiment.

Goed, dan de brieven van de voormalige staatssecretaris van VROM. Wij constateren een tendens om het wetenschappers en bedrijven makkelijker te maken om biotechnologie bij dieren toe te passen. Men verzoekt om administratieve lastenverlichting en een terugtredende overheid. Als argument voor vereenvoudiging wordt gegeven dat er sprake is van “gestold beleid”, oftewel er zouden geen nieuwe inzichten meer worden aangedragen waardoor er geen vergunningplicht meer nodig is.

In 2003 werd er echter nog door de staatssecretaris gesproken over een dynamisch toetsingskader dat rekening houdt met voortschrijdende kennis en inzichten, en dat er daarom slechts sprake kon zijn van een momentopname. Hoe is het dan mogelijk dat er nu sprake is van “gestold beleid”? Het maakt op mij de indruk van gelegenheidsargumentatie, om te rechtvaardigen dat nu uit alle macht wordt geprobeerd om een vereenvoudiging van regelgeving te bereiken. Er kunnen nog steeds op elk moment nieuwe ontwikkelingen en inzichten ontstaan op het gebied van biotechnologie bij dieren, de onzekerheid op dit vlak is dusdanig dat er niet gesproken kan worden van “gestold beleid”.

Tenslotte stelt het rapport” “Vereenvoudiging regelgeving biotechnologie”: “De Europese regelgeving bevat geen expliciete verplichting tot een ethische toets. Ontwikkelingen op dit gebied wijzen er overigens op dat niet ondenkbaar is dat die verplichting er binnen afzienbare tijd zal komen”. Het lijkt er dus op dat een Europese ethische toets inzake biotechnologie in de maak is. In dat licht is het zeer merkwaardig dat het rapport aanbeveelt om de vergunningplicht af te schaffen en deze te vervangen door algemene regels, omdat bij invoering van een Europese toets de vergunningplicht weer ingevoerd zal moeten worden.

De Partij voor de Dieren is dan ook tegen een vrijstelling van de vergunningplicht voor biotechnologische handelingen bij dieren. In de genoemde brief meldt de voormalige staatssecretaris dat het toenmalige kabinet welwillend stond tegenover de aanbeveling om de vergunningplicht te vervangen door een meldingsplicht. Ik wil de huidige minister van VROM vragen wat op dit punt de positie is van het huidige kabinet? Ook schreef de toenmalige staatssecretaris dat het toenmalige kabinet zou nagaan of er aanleiding is om voor categorieën biotechnologische handelingen een voorstel tot vrijstelling te doen. Ik wil graag aan de huidige minister van VROM vragen of dit inmiddels is gebeurd? Zo ja, wat is hiervan de uitkomst geweest?

Verder luidt een aanbeveling uit het rapport “Vereenvoudiging regelgeving biotechnologie” dat er een afstemmingsregeling moet komen tussen de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren en de Wet op de Dierproeven, zodanig dat de eerste terugtreedt als de tweede van toepassing is. De Partij voor de Dieren is van mening dat deze twee wetten niet zonder meer inwisselbaar zijn, vooral wat betreft het niveau van toetsing en de openbaarheid van besluitvorming. De toetsing van deze wetten vindt niet op een vergelijkbare manier plaats. Het Besluit Biotechnologie bij Dieren bij de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren wordt getoetst door de Commissie Biotechnologie bij Dieren, terwijl de Wet op de Dierproeven wordt getoetst door Dieren Experimenten Commissies (DECs). De DECs opereren daarbij als geheime genootschappen waarbij het volstrekt onduidelijk is welke overwegingen zij meewegen bij de ethische toetsing.

Tenslotte stelt de voormalig staatssecretaris in zijn brief uit 2006 dat het toenmalige kabinet welwillend stond tegenover de aanbeveling om de aanvraag voor een vergunning op grond van de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren te vereenvoudigen. Hiertoe zou de openbare voorbereidingsprocedure moeten wijken voor de reguliere besluitvormingsprocedure. Dit zou betekenen dat de concept-besluitfase verdwijnt, waardoor een besluit niet langer als concept ter inzage zal worden gelegd om maatschappelijke organisaties de kans te geven erop te reageren voor het definitief wordt vastgelegd. Er zal dan geen inbreng van maatschappelijke organisaties meer mogelijk zijn, waarmee alle verworvenheden die sinds eind jaren ’90 op dit gebied zijn gewonnen ongedaan worden gemaakt. Ik wil graag van de minister horen wat het standpunt van het huidige kabinet is in deze kwestie.
In het rapport “Vereenvoudiging regelgeving biotechnologie” wordt bovendien gesteld dat “verdere toetsing”, oftewel de instandhouding van de vergunningplicht en de concept-besluitfase, geen nieuwe inzichten meer zal opleveren. Daarmee wordt impliciet gezegd dat de inbreng van maatschappelijke organisaties geen nieuwe inzichten meer zal opleveren. De vraag is in hoeverre er ooit iets is gedaan met de inbreng van maatschappelijke organisaties. Er is namelijk meer dan eens een gerechtelijke uitspraak voor nodig geweest om de Minister ertoe te bewegen die inbreng te accepteren. Het is dan wel heel makkelijk om te stellen dat er geen nieuwe inzichten meer van maatschappelijke organisaties te verwachten zijn. Het lijkt er eerder op dat de Minister van LNV niet openstaat voor eventuele nieuwe inzichten.
De Partij voor de Dieren vindt dat er optimale maatschappelijke inbreng nodig is bij de voorbereiding van besluiten die betrekking hebben op de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren. Het past daarom niet om de openbare voorbereidingsprocedure af te schaffen. Bovendien moet er rekening worden gehouden met toekomstige wetenschappelijke ontwikkelingen die maatschappelijke inbreng vereisen.