Vragen Vestering over de meest giftige pesti­ciden die nog op de Europese markt zijn toege­laten


Indiendatum: 6 mei 2021

Schriftelijke vragen van het lid Vestering (Partij voor de Dieren) aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over de meest giftige pesticiden die nog op de Europese markt zijn toegelaten

  1. Kunt u bevestigen dat de Europese Commissie in 2015 een lijst van 84 actieve stoffen in landbouwgif heeft gepresenteerd waarvan bekend is dat ze (ten minste) twee van de volgende eigenschappen hebben: slecht afbreekbaar (persistent), ophopend in het milieu, planten, dieren of mensen (bioaccumulerend) en/of zeer giftig voor de mens?[1],[2]
  2. Hoeveel van deze meest giftige stoffen zijn sinds 2015 na de Europese herbeoordeling van de markt gehaald en hoeveel zijn er dus nog toegelaten?
  3. Kunt u bevestigen dat DDT een voorbeeld is van een stof die slecht afbreekt en zich ophoopt in het milieu en dat we daar momenteel – vijftig jaar nadat het in Europa verboden werd – nog steeds de effecten zien, zoals met de recente vondst van DDT in de eieren van grutto’s?[3]
  4. Deelt u de mening dat het onacceptabel is stoffen die slecht afbreken of zich ophopen in het milieu, dieren of mensen ook vandaag de dag nog gebruikt mogen worden? Zo nee, waarom niet?
  5. Kunt u bevestigen dat lidstaten volgens de Europese verordening (EC) 1107/2009 geen landbouwgif op basis van één van deze stoffen op de ‘lijst ter vervanging’ toe mag laten, tenzij het met een vergelijkende analyse (waarbij gekeken moet worden op welke manier deze giftige stoffen vervangen kunnen worden in de landbouwpraktijk) heeft aangetoond dat er landbouwkundig geen alternatief is?
  6. Heeft Nederland sinds de inwerkingtreding van de verordening (EU) 2015/408, zoals voorgeschreven, bij alle aanvragen voor goedkeuring van landbouwgif met stoffen die op de ‘lijst ter vervanging’ staan een vergelijkende analyse uitgevoerd? Zo nee, waarom niet en hoeveel van dergelijke analyses heeft Nederland sinds 2015 wel uitgevoerd?
  7. Hoeveel middelen zijn als gevolg daarvan niet toegelaten op de Nederlandse markt?
  8. Indien u niet alle middelen heeft verboden, kunt u uitleggen waarom u middelen met stoffen die slecht afbreekbaar, ophopend in het milieu, planten, dieren of mensen en/of zeer giftig voor de mens zijn, niet heeft verboden om de volksgezondheid, dierenwelzijn en het milieu te beschermen?
  9. Heeft Nederland bij deze vergelijkende analyses ook gekeken naar niet-chemische alternatieven en preventiemethodes, zoals verplicht onder de richtlijn (EC) 1107/2009?[4]
  10. Zijn opties als mechanische onkruidbestrijding, weerbare teeltsystemen (zoals strokenteelt) en bloemrijke akkerranden ten behoeve van natuurlijk plaagbestrijding hierin ook meegenomen? Zo nee, waarom vormde dit geen onderdeel van de analyses?
  11. Kunt u bevestigen dat één van de stoffen op de ‘lijst ter vervanging’ difenoconazool is, dat niet alleen slecht afbreekbaar in het milieu is en zeer giftig voor mensen, maar ook nog eens resistentie bij ziekmakende schimmels kan veroorzaken en dat de Tweede Kamer al sinds 2014 van de markt af wil hebben?[5]
  12. Kunt u bevestigen dat het Ctgb momenteel een vergelijkende analyse laat uitvoeren voor difenoconazool? Kunt u bevestigen dat niet-chemische alternatieven en preventiemethodes zoals alternatieve teeltsystemen hierin meegenomen worden? Zo nee, waarom niet?
  13. Kunt u bevestigen dat uw Toekomstvisie gewasbescherming 2030 stelt: “in 2030 bestaat de land- en tuinbouw in Nederland uit een duurzame productie met weerbare planten en teeltsystemen, waardoor ziekten en plagen veel minder kansen krijgen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zo veel mogelijk kan worden voorkomen”?
  14. Deelt u het inzicht dat de omschakeling naar weerbare teeltsystemen om het gebruik van de stoffen op de ‘lijst ter vervanging’ zo snel mogelijk te stoppen dus goed binnen uw toekomstvisie past?
  15. Deelt u de mening dat er in het licht van de biodiversiteitscrisis en ten behoeve van de volksgezondheid zo snel mogelijk een verbod moet komen op alle soorten landbouwgif met stoffen die op de Europese ‘lijst ter vervanging’ staan? Deelt u de mening dat zo’n verbod de transitie naar duurzame en weerbare teeltsystemen zal versnellen? Zo ja, welke actie gaat u daartoe ondernemen? Zo nee, waarom niet?


[1] UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/408 VAN DE COMMISSIE van 11 maart 2015 inzake uitvoering van artikel 80, lid 7, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot vaststelling van een lijst van stoffen die in aanmerking komen om te worden vervangen, https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=CELEX%3A32015R0408

[2] EUR-Lex - 02015R0408-20201007 - EN - EUR-Lex (europa.eu)

[3] https://nos.nl/artikel/2378864-al-jaren-verboden-insectenverdelger-nog-steeds-gevonden-in-grutto-s

[4] https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=celex%3A32009R1107

[5] Motie Ouwehand, Kamernummer 27858-222

Indiendatum: 6 mei 2021
Antwoorddatum: 21 jun. 2021

1

Kunt u bevestigen dat de Europese Commissie in 2015 een lijst van 84 actieve stoffen in landbouwgif heeft gepresenteerd waarvan bekend is dat ze (ten minste) twee van de volgende eigenschappen hebben: slecht afbreekbaar (persistent), ophopend in het milieu, planten, dieren of mensen (bioaccumulerend) en/of zeer giftig voor de mens?,

2

Hoeveel van deze meest giftige stoffen zijn sinds 2015 na de Europese herbeoordeling van de markt gehaald en hoeveel zijn er dus nog toegelaten?

Antwoord 1 en 2

De Europese Commissie heeft in 2015 een lijst gepubliceerd met daarop 81 werkzame stoffen die in aanmerking komen om te worden vervangen. Werkzame stoffen worden ingedeeld in deze categorie als ze voldoen aan de criteria die zijn opgenomen in bijlage II, punt 4 van Verordening (EG) 1107/2009. Hierbij kunt u denken aan: stoffen die aanzienlijk toxischer zijn dan de meerderheid van goedgekeurde werkzame stoffen of stoffen die persistent zijn en ophopen in mens of dier. Deze lijst is echter niet statisch. Zo kan bij de hernieuwing van de goedkeuring nieuwe informatie beschikbaar zijn, waardoor een stof niet meer of alsnog in deze categorie wordt ingedeeld. De meest actuele informatie hierover staat in de “EU Pesticides Database”. Hieruit blijkt dat er op dit moment 98 werkzame stoffen zijn die in aanmerking komen om te worden vervangen. Hiervan zijn er 26 inmiddels niet meer goedgekeurd.

Werkzame stoffen die in aanmerking komen om te worden vervangen, kunnen volgens de voorschriften veilig gebruikt worden. Anders zouden deze werkzame stoffen uiteraard niet goedgekeurd worden.

3

Kunt u bevestigen dat Dichloordifenyltrichloorethaan (DDT) een voorbeeld is van een stof die slecht afbreekt en zich ophoopt in het milieu en dat we daar momenteel – vijftig jaar nadat het in Europa verboden werd – nog steeds de effecten zien, zoals met de recente vondst van DDT in de eieren van grutto’s?

Antwoord

Het is bekend dat DDT en de metabolieten van DDT erg langzaam afbreken in het milieu.

4

Deelt u de mening dat het onacceptabel is stoffen die slecht afbreken of zich ophopen in het milieu, dieren of mensen ook vandaag de dag nog gebruikt mogen worden? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

Verordening (EG) 1107/2009 voorziet in het beoordelen van werkzame stoffen op vele aspecten. Een van deze aspecten is persistentie. Zo’n beoordeling leidt ertoe dat werkzame stoffen, die persistent zijn en waardoor het gebruik leidt tot onacceptabele risico’s voor mens, dier en milieu, niet worden goedgekeurd. Zo’n beoordeling leidt er ook toe dat werkzame toxische stoffen, die persistent zijn én ophopen in mens of dier, niet worden goedgekeurd (zie Verordening (EG) 1107/2009, bijlage II, punt 3).

5

Kunt u bevestigen dat lidstaten volgens de Europese verordening (EC) 1107/2009 geen landbouwgif op basis van één van deze stoffen op de ‘lijst ter vervanging’ toe mag laten, tenzij het met een vergelijkende analyse (waarbij gekeken moet worden op welke manier deze giftige stoffen vervangen kunnen worden in de landbouwpraktijk) heeft aangetoond dat er landbouwkundig geen alternatief is?

6

Heeft Nederland sinds de inwerkingtreding van de verordening (EU) 2015/408, zoals voorgeschreven, bij alle aanvragen voor goedkeuring van landbouwgif met stoffen die op de ‘lijst ter vervanging’ staan een vergelijkende analyse uitgevoerd? Zo nee, waarom niet en hoeveel van dergelijke analyses heeft Nederland sinds 2015 wel uitgevoerd?

Antwoord 5 en 6

Verordening (EG) 1107/2009 bevat regels voor een vergelijkende evaluatie van gewasbeschermingsmiddelen die werkzame stoffen bevatten die in aanmerking komen om te worden vervangen (artikel 50 en bijlage IV).

Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (hierna: Ctgb) voert een vergelijkende beoordeling uit op het moment dat er een aanvraag wordt ingediend voor de toelating van een gewasbeschermingsmiddel dat een werkzame stof bevat die in aanmerking komt om te worden vervangen. Er zijn tot nu toe 33 vergelijkende beoordelingen gestart.

Zo’n vergelijkende beoordeling kan twee uitkomsten hebben, nl.

er zijn geen geschikte alternatieven, waardoor het gewasbeschermingsmiddel wordt toegelaten;

er zijn wel geschikte alternatieven, waardoor het gewasbeschermingsmiddel niet wordt toegelaten.

Onder bepaalde voorwaarden kan de vergelijkende beoordeling op grond van artikel 50, lid 3 van Verordening (EG) 1107/2009 worden uitgesteld en een gewasbeschermingsmiddel eenmalig worden toegelaten voor maximaal 5 jaar.

7

Hoeveel middelen zijn als gevolg daarvan niet toegelaten op de Nederlandse markt?

Antwoord

De afgeronde vergelijkende beoordelingen – in totaal 8 – hebben tot nu toe niet geleid tot het niet meer toelaten van gewasbeschermingsmiddelen in Nederland. Er bleken voor deze gewasbeschermingsmiddelen geen alternatieven te zijn, die voldeden aan de criteria zoals gespecificeerd in artikel 50 en bijlage IV van Verordening (EG) 1107/2009.

8

Indien u niet alle middelen heeft verboden, kunt u uitleggen waarom u middelen met stoffen die slecht afbreekbaar, ophopend in het milieu, planten, dieren of mensen en/of zeer giftig voor de mens zijn, niet heeft verboden om de volksgezondheid, dierenwelzijn en het milieu te beschermen?

Antwoord

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 6 en 7.

9

Heeft Nederland bij deze vergelijkende analyses ook gekeken naar niet-chemische alternatieven en preventiemethodes, zoals verplicht onder de richtlijn (EC) 1107/2009?

10

Zijn opties als mechanische onkruidbestrijding, weerbare teeltsystemen (zoals strokenteelt) en bloemrijke akkerranden ten behoeve van natuurlijk plaagbestrijding hierin ook meegenomen? Zo nee, waarom vormde dit geen onderdeel van de analyses?

Antwoord 9 en 10

Ja, het Ctgb voert de vergelijkende beoordeling uit conform Verordening (EG) 1107/2009. Dit betekent dat bij de landbouwkundige beoordeling getoetst dient te worden of een chemisch of niet-chemisch alternatief (zoals mechanische onkruidbestrijding) beschikbaar is en of dit alternatief geen significante economische en praktische nadelen heeft. Ook wordt getoetst of het risico op resistentieontwikkeling zo klein mogelijk wordt gehouden en rekening wordt gehouden met de gevolgen voor kleine toepassingen. Dit kan alleen als deze effecten van het alternatief bekend zijn. Veel alternatieven, zoals de strokenteelt, zijn nog in ontwikkeling en kunnen dus nog niet dienen als geschikt alternatief.

11

Kunt u bevestigen dat één van de stoffen op de ‘lijst ter vervanging’ difenoconazool is, dat niet alleen slecht afbreekbaar in het milieu is en zeer giftig voor mensen, maar ook nog eens resistentie bij ziekmakende schimmels kan veroorzaken en dat de Tweede Kamer al sinds 2014 van de markt af wil hebben?

Antwoord

Het klopt dat difenoconazool een van de werkzame stoffen is die in aanmerking komen om te worden vervangen op grond van het criterium voor persistentie en toxiciteit voor waterorganismen.

12

Kunt u bevestigen dat het Ctgb momenteel een vergelijkende analyse laat uitvoeren voor difenoconazool? Kunt u bevestigen dat niet-chemische alternatieven en preventiemethodes zoals alternatieve teeltsystemen hierin meegenomen worden? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

Nee, want het Ctgb verstrekt geen informatie over lopende aanvragen, omdat dit bedrijfsvertrouwelijke informatie betreft.

Ik heb in de antwoorden op vraag 9 en 10 aangegeven dat het Ctgb alternatieven meeneemt in een vergelijkende beoordeling als de effecten hiervan bekend zijn.

13

Kunt u bevestigen dat uw Toekomstvisie gewasbescherming 2030 stelt: “in 2030 bestaat de land- en tuinbouw in Nederland uit een duurzame productie met weerbare planten en teeltsystemen, waardoor ziekten en plagen veel minder kansen krijgen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zo veel mogelijk kan worden voorkomen”?

Antwoord

Dit is inderdaad een citaat uit de “Toekomstvisie gewasbescherming 2030”.

14

Deelt u het inzicht dat de omschakeling naar weerbare teeltsystemen om het gebruik van de stoffen op de ‘lijst ter vervanging’ zo snel mogelijk te stoppen dus goed binnen uw toekomstvisie past?

15

Deelt u de mening dat er in het licht van de biodiversiteitscrisis en ten behoeve van de volksgezondheid zo snel mogelijk een verbod moet komen op alle soorten landbouwgif met stoffen die op de Europese ‘lijst ter vervanging’ staan? Deelt u de mening dat zo’n verbod de transitie naar duurzame en weerbare teeltsystemen zal versnellen? Zo ja, welke actie gaat u daartoe ondernemen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 14 en 15

De “Toekomstvisie gewasbescherming 2030” richt zich op het realiseren van weerbare planten en teeltsystemen en het verbinden van land- en tuinbouw met natuur. Dit leidt tot een drastische afname van de behoefte aan gewasbeschermingsmiddelen. Als er dan toch gewasbeschermingsmiddelen nodig zijn om ziekten, plagen en onkruiden te bestrijden dan worden er bij voorkeur laag-risicomiddelen gebruikt met nagenoeg geen emissie naar het milieu en nagenoeg geen residuen op voedselproducten.

Het Uitvoeringsprogramma bij de Toekomstvisie gewasbescherming 2030 richt zich op het ontwikkelen van nieuwe handelingsperspectieven en het inzichtelijk maken van beschikbare handelingsperspectieven voor de agrarische ondernemer, waardoor het mogelijk wordt om de genoemde ambities te realiseren. Ik ga er vanuit dat een deel van deze handelingsperspectieven gebruikt zal kunnen gaan worden in de vergelijkende beoordeling.

Ik heb uw Kamer geïnformeerd dat de Europese Commissie heeft aangekondigd de regels rondom de vergelijkende beoordeling te willen vereenvoudigen. Volgens de Commissie zijn de huidige regels complex en niet voldoende effectief. Ik ben in afwachting van een voorstel van de Europese Commissie (Kamerstuk 27858, nr. 515).