Vragen over het pensioen van prinses Beatrix en belas­tingen voor de Konink­lijke familie


Vragen van het lid Thieme (Partij voor de Dieren) aan de minister van Algemene Zaken over het pensioen van prinses Beatrix en belastingen voor de Koninklijke familie

  1. Kent u het bericht ‘Vorstelijk pensioen voor Prinses Beatrix’?[1]
  2. Is het waar dat prinses Beatrix een bedrag van 7,2 maal de Balkenendenorm zal ontvangen als pensioen? Zo ja, hoe beoordeelt u dit royale bedrag in relatie tot de afwaardering van de pensioenen van heel veel burgers?
  3. Is het waar dat leden van de Koninklijke familie op dit moment zijn vrijgesteld van persoonlijke belastingen? Zo ja, hoe verhoudt zich dit tot het tweede lid van artikel 40 van de grondwet dat stelt dat slechts 'de door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, vrij zijn persoonlijke belastingen'. Zo nee, welke persoonlijke belastingen worden wel betaald door leden van het Koninklijk huis?
  4. Deelt u de mening dat een groot deel van het vermogen van leden van het Koninklijk huis niet dienstbaar is aan de uitoefening van hun functie en dus als privévermogen dient te worden aangemerkt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welk deel van het vermogen ziet u als dienstbaar aan het uitoefenen van de publieke functies en welk deel als privévermogen?
  5. Deelt u de mening van prof Herman Matthijs dat er sprake is van een te beperkte budgettaire transparantie rond de uitgaven en privileges aan/van leden van ons koningshuis?[2] Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze bent u bereid initiatieven te ontplooien om tot grotere transparantie te komen op dit dossier?
  6. Kunt u aangeven hoe de belastingheffing voor leden van het koninklijk huis geregeld is in andere Europese monarchieën? Kunt u specifiek zijn en per monarchie aangeven of en hoeveel procent belasting de leden van betreffende koningshuizen betalen over bezit en inkomen? Zo nee, waarom niet?
  7. Kunt u aangeven of er substantiële versoberingen zijn doorgevoerd in de honorering en privileges van leden van Europese koningshuizen in de afgelopen 5 jaar? Zo nee, waarom niet en bent u bereid daar vergelijkend onderzoek naar in te stellen? Zo ja, kunt u specifiek zijn in uw beantwoording en kunt u een vergelijking maken met de doorgevoerde versoberingen voor leden van het Nederlandse koningshuis?

[1] http://weblogs.nos.nl/evenementen/2013/03/28/vorstelijk-pensioen-voor-prinses-beatrix/

[2] http://vorige.nrc.nl/multimedia/archive/00269/Document1_269368a.pdf

Antwoorddatum: 24 apr. 2013

Hierbij bied ik u antwoorden aan op de vragen van het lid Thieme (PvdD) d.d. 2 april 2013, kenmerk 2013Z06471.

DE MINISTER-PRESIDENT,

Minister van Algemene Zaken,

Mark Rutte

Antwoorden

1. Ja

2-7. Op 1 januari 2009 trad de Wet van 20 november 2008, houdende technische aanpassing en actualisering van de Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis, in werking nadat het wetsvoorstel in beide Kamers der Staten-Generaal met algemene stemmen was aangenomen.

Deze wet bevat in artikel I onder a een regeling van de grondwettelijke uitkering voor de afgetreden Koning. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel gaat in op de achtergronden hiervan (Kamerstukken II 2007/8, 31505, nr. 3, p. 2, 5-6). Tijdens de mondelinge behandeling van het wetsvoorstel heeft de minister-president toegelicht dat leden van de koninklijke familie belastingplichtig zijn en dat de Grondwet een beperkt aantal leden van het koninklijk huis hiervan ten dele vrijstelt voor enkele afgebakende onderwerpen die de Grondwet aanduidt en mede door de wetgever nader zijn uitgewerkt (Handelingen II 2007/8, 7412-7413). Artikel 3 van de wet staat, evenals de herziene inrichting van hoofdstuk I van de rijksbegroting, in het teken van een verruimde transparantie met betrekking tot de kosten en uitgaven die samenhangen met het koningschap (Kamerstukken II 2007/8, 31505, nr. 3, p. 7). Leden van de PvdD-fractie in de Eerste Kamer toonden zich hierover verheugd (Kamerstukken I 2008/9, 31505, B, p. 2). Bij de behandeling van het wetsvoorstel is toegelicht dat een vergelijking met andere Europese monarchiën niet goed mogelijk is (Kamerstukken II 2007/8, 31505, nr. 7, p. 2-3, Handelingen II 2007/8, 7410).