Vragen over het afwijken van lande­lijke stan­knormen door een gemeente zodat melk­vee­hou­de­rijen kunnen uitbreiden


Vragen van Thieme en Ouwehand aan de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu over het afwijken van landelijke stanknormen door een gemeente zodat melkveehouderijen kunnen uitbreiden

1. Kent u het bericht ‘Soepele geurregels voor melkveehouderijen’?

2. Hoe beoordeelt u het feit dat de gemeente Kaag en Braassem wil afwijken van landelijke stankcirkels zodat melkveehouderijen meer ruimte krijgen om uit te breiden?

3. Deelt u de mening dat met het generiek verkleinen van de stankcirkels in een gemeente een goed woon- en verblijfklimaat niet kan worden gegarandeed?

4. Deelt u de mening dat omwonenden met het verkleinen van de stankcirkels onevenredig in hun belangen worden geschaad?

5. Deelt u de mening dat de omwonenden van melkveehouderijen recht hebben op een schone en gezonde leefomgeving, en dat dit recht aangetast wordt door het besluit van B&W van Kaag en
6. Braassem? Zo nee, waarom niet?

7. Bent u bereid de gemeente aan te schrijven over deze zaak en de gemeente op te roepen zich aan de landelijk bepaalde afstanden met betrekking tot stankhinder te houden? Zo nee, waarom niet?

[1]http://www.leidschdagblad.nl/nieuws/regionaal/rijnenveen/article11237781.ece/Soepele-geurregels-voor-melkveehouderijen

Antwoorddatum: 10 okt. 2011

1 Kent u het bericht “soepele geurregels voor melkveehouderijen”?

Ja.

2 Hoe beoordeelt u het feit dat de gemeente Kaag en Braassem wil afwijken van landelijke stankcirkels zodat melkveehouderijen meer ruimte krijgen om uit te breiden?

De Wet geurhinder en veehouderij opent uitdrukkelijk de mogelijkheid voor gemeenten om een eigen, op het gebied toegesneden geurbeleid te ontwikkelen. Daartoe is in de wet geregeld dat gemeenten - binnen bepaalde bandbreedtes en onder bepaalde voorwaarden – mogen afwijken van de landelijke normen. Of de verordening aan de wettelijke vereisten voldoet, kan door de bestuursrechter worden getoetst in het kader van een beroepsprocedure tegen de verlening van een vergunning voor de uitbreiding van een veehouderij.

3 en 4
Deelt u de mening dat met het generiek verkleinen van de stankcirkels in een gemeente een goed woon- en verblijfklimaat niet kan worden gegarandeerd?

Deelt u de mening dat omwonenden met het verkleinen van de stankcirkels onevenredig in hun belangen worden geschaad?

Nee, die mening deel ik niet. Bij het bepalen van een afwijkende afstand dient de gemeente op grond van de wet ook de gewenste ruimtelijke inrichting van het gebied te betrekken. Ik ga er vanuit dat de gemeente daarbij een zorgvuldige belangenafweging maakt en in aanmerking neemt of sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Of in een concreet geval sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat of van een evenredige belangenafweging kan overigens eveneens door de bestuursrechter worden getoetst, bijvoorbeeld in het kader van een beroep tegen de wijziging van een bestemmingsplan.

5 Deelt u de mening dat de omwonenden van melkveehouderijen recht hebben op een schone en gezonde leefomgeving, en dat dit recht aangetast wordt door het besluit van het College van Burgemeester en Wethouders (B&W) van Kaag en Braassem? Zo nee, waarom niet?

Uiteraard hebben ook omwonenden van melkveehouders recht op een schone en gezonde leefomgeving. Dat laat onverlet dat de gemeente in het kader van haar geurbeleid – binnen de bandbreedtes en de voorwaarden die de wet stelt - een eigen afweging mag maken tussen de verschillende betrokken belangen. Zoals ik heb aangegeven bij de beantwoording van vragen 3 en 4, is het uiteindelijk aan de bestuursrechter om in een concrete situatie te beoordelen of een belanghebbende al dan niet onevenredig in zijn belangen wordt geschaad.

6 Bent u bereid de gemeente aan te schrijven over deze zaak en de gemeente op te roepen zich aan de landelijk bepaalde afstanden met betrekking tot stankhinder te houden? Zo nee, waarom niet?

Nee, daartoe zie ik geen aanleiding. De gemeente is bevoegd een eigen geurbeleid te voeren binnen het kader dat de Wet geurhinder en veehouderij stelt. Of de verordening aan dit wettelijke kader voldoet, kan in concrete gevallen ter beoordeling aan de bestuursrechter worden voorgelegd. Voorts wil ik er op wijzen dat de verordening nog slechts in ontwerp is vastgesteld en dat er momenteel gelegenheid is tot inspraak, zodat belanghebbenden hun eventuele bezwaren aan het gemeentebestuur kenbaar kunnen maken.

Hoogachtend,

DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU
Joop Atsma