Vragen over de afname van vleer­muizen


Indiendatum: nov. 2011

Vragen van het lid Ouwehand aan de staatssecretaris van Economie, Landbouw en Innovatie over de afname van vleermuizen onder invloed van wegen

1. Bent u op de hoogte van nieuw wetenschappelijk onderzoek[1] waaruit blijkt dat wegen voor een significante afname zorgen van de aantallen, activiteit en diversiteit van vleermuizen?

2. Onderschrijft u de conclusie in het PBL rapport ‘Natura 2000 in Nederland’, dat om de doelstellingen van de Habitatrichtlijn te verwezenlijken de bescherming van alleen de Natura 2000-gebieden onvoldoende is gezien populaties ook buiten de gebieden voorkomen? Zo ja, op welke wijze zijn de gevolgen van het rijkswegennet op de vleermuizen in het kader van Natura 2000 getoetst?

3. Wordt de verspreiding van vleermuizen op dit moment gemonitord? Zo ja, hoe, en wat zijn de laatste resultaten ervan? Zo neen, hoe kan dan invulling gegeven worden aan artikel 6 lid 2 van de Habitatrichtlijn, namelijk het nemen van passende maatregelen als er verslechtering optreedt?

4. Deelt u de mening dat met dit voortschrijdende inzicht het optreden van significante effecten op de vleermuizen als gevolg van het wegverkeer op de rijkswegen dus niet uitgesloten kan worden? Zo ja, bent u bereid hier een aanvullende passende beoordeling aan op te stellen? Zo neen, op basis van welke onafhankelijke gegevens heeft u de zekerheid dat er geen significante effecten optreden?

5. Bent u bereid aanvullend onderzoek in te stellen naar de effectiviteit van mitigerende maatregelen zoals de vleermuisbruggen, zodat die eventueel landelijk ingezet kunnen worden? Zo neen, waarom niet

[1]http://www.sciencenewsline.com/biology/2011110206500032.html

Indiendatum: nov. 2011
Antwoorddatum: 6 mrt. 2012

Antwoorden op vragen van het lid Ouwehand over de afname van vleermuizen onder invloed van wegen.

1. Bent u op de hoogte van nieuw wetenschappelijk onderzoek [1] waaruit blijkt dat wegen voor een significante afname zorgen van de aantallen, activiteit en diversiteit van vleermuizen?

Ja.

2. Onderschrijft u de conclusie in het rapport ‘Natura 2000 in Nederland’ van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), dat om de doelstellingen van de Habitatrichtlijn te verwezenlijken de bescherming van alleen de Natura 2000-gebieden onvoldoende is, omdat populaties ook buiten de gebieden voorkomen? Zo ja, op welke wijze zijn de gevolgen van het rijkswegennet op de vleermuizen in het kader van Natura 2000 getoetst?

De natuurwetgeving betreft de duurzame instandhouding van soorten. Deze verplichting geldt zowel binnen als buiten de specifiek beschermde gebieden. In het rapport ‘Ecologische effectiviteit van Natuurwetgeving’ (Veen, M.P. van, et al. 2011) wordt geconstateerd, dat voor de meeste vleermuissoorten geldt, dat het goed gaat met deze soorten en dat de aantallen toenemen. Dat is mede dankzij mitigerende maatregelen die genomen moeten worden bij de aanleg van infrastructuur.

3. Wordt de verspreiding van vleermuizen op dit moment gemonitord? Zo ja, hoe, en wat zijn de laatste resultaten ervan? Zo neen, hoe kan dan invulling gegeven worden aan artikel 6 lid 2 van de Habitatrichtlijn, namelijk het nemen van passende maatregelen als er verslechtering optreedt?

In het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM) wordt de verspreiding van vleermuissoorten onderzocht. In samenwerking met de Nederlandse Zoogdiervereniging (VZZ), de Gegevens Autoriteit Natuur (GAN) en het CBS zijn in de afgelopen jaren verschillende provinciale atlassen gereedgekomen over de verspreiding van vleermuizen. Deze ecologische monitoring vloeit voort uit onze verplichtingen vanuit de EU-Habitat Richtlijn en het EUROBATS verdrag.

In de brochure ‘Met vleermuizen overweg’ van de Dienst Weg- en Waterbouwkunde van het toenmalige Ministerie van Verkeer en Waterstaat staan aanwijzingen voor wegenontwerpers, bouwers en beheerders over hoe rekening gehouden moet worden met vleermuizen. Bij de bouw van wegen en andere infrastructurele ontwikkelingen wordt voor het verlenen van de benodigde vergunningen of ontheffingen de omgeving gemonitord op kwetsbare en beschermde soorten. Er wordt rekening gehouden met vliegroutes, jachtgebieden en verblijfplaatsen van vleermuizen, waarbij voor verschillende soorten soortspecifieke maatregelen worden getroffen. Indien daartoe aanleiding is worden mitigerende maatregelen getroffen. Een voorbeeld hiervan is het gereedkomen van de A74, waar op verschillende plaatsen zogenaamde hop-overs zijn ingericht. Ook zijn onderdoorgangen gemaakt waarbij speciale vleermuisvriendelijke verlichting is aangebracht.

4. Deelt u de mening dat met dit voortschrijdende inzicht het optreden van significante effecten op de vleermuizen als gevolg van het wegverkeer op de rijkswegen dus niet uitgesloten kan worden? Zo ja, bent u bereid hier een aanvullende passende beoordeling van op te stellen? Zo neen, op basis van welke onafhankelijke gegevens heeft u de zekerheid dat er geen significante effecten optreden?

De monitoringsverplichting blijft bestaan en indien er aanwijzingen zijn voor significante effecten, dan zullen er effectieve maatregelen getroffen worden. Tot nu toe zie ik daartoe, mee gelet op de uitkomsten van de atlasprojecten en de gegevens van het NEM, geen aanleiding.

5. Bent u bereid aanvullend onderzoek in te stellen naar de effectiviteit van mitigerende maatregelen zoals de vleermuisbruggen, zodat die eventueel landelijk ingezet kunnen worden? Zo neen, waarom niet?

Nee, in het verleden is daar al onderzoek naar gedaan. Daaruit bleek dat voorgestelde maatregelen vaak wel, maar soms niet effectief zijn.

Daar wordt lering uitgetrokken. Ook worden soortgerichte maatregelen die nu genomen worden bij infrastructurele projecten geëvalueerd.

dr. Henk Bleker
Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie

[1]http://www.sciencenewsline.com/biology/2011110206500032.html

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer