Vragen Ouwehand over de bloot­stelling van omwo­nenden aan land­bouwgif en de gifstoffen die bewo­ners­or­ga­ni­satie Meten=Weten heeft aange­troffen in Westerveld


Vragen Partij voor de Dieren over de blootstelling van omwonenden aan landbouwgif en de gifstoffen die bewonersorganisatie Meten=Weten heeft aangetroffen in Westerveld

1. Kunt u bevestigen dat in de bollen- en bloementeelt relatief veel pesticiden worden gebruikt, waarbij de lelieteelt de kroon spant?

2. Kunt u uiteenzetten welke pesticiden allemaal (mogen) worden gebruikt bij de bollen- en bloementeelt?

3. Kunt u uiteenzetten welke rotatieschema’s al dan niet verplicht worden aangehouden bij de teelt van bollen en bloemen? Kunt u daarbij nadrukkelijk ingaan op de afwisseling tussen voedselgewassen en bollen of bloemen?

4. Wat vindt u ervan dat Drenthse burgers zich gedwongen voelden zelf geld in te zamelen om onderzoek te laten doen door een gecertificeerd laboratorium, om te weten te komen hoeveel pesticiden er in hun leefomgeving terechtkomen?

5. Waarom heeft u zelf zulk onderzoek niet laten uitvoeren?

6. Wat vindt u van de resultaten van het onderzoek, dat u uitwees dat op tien plekken bij velden met lelieteelt in Drenthe in groenten en in de bodem opgeteld 57 verschillende bestrijdingsmiddelen gevonden, soms in flinke concentraties? Deelt u de mening dat

7. Deelt u de zorgen van toxicoloog Martin van den Berg, die wijst op de vermenging van deze stoffen in de bodem en de mogelijke risico’s van opstapeling van de bestrijdingsmiddelen? Zo nee, waarom niet?

8. Deelt u de mening dat het hoog tijd wordt voor milieunormen voor pesticiden in de bodem? Zo ja, op welke wijze gaat u daadwerkelijk grenzen stellen aan de vervuiling van de bodem met landbouwgif? Zo nee, waarom niet?

9. Kunt u uiteenzetten hoe de huidige beoordelingssystematiek van EFSA en Ctgb zich verhouden tot het pleidooi van Violette Geissen, hoogleraar bodemdegradatie en landbeheer aan de Wageningen Universiteit, die pleit voor het vaststellen van grenzen aan mengsels van pesticiden en hun afbraakproducten in de bodem?

10. Heeft u al gesproken met bewonersorganisatie Bollenboos, zoals u eerder na vragen van de Partij voor de Dieren-fractie hebt beloofd? Zo nee, waarom niet?

11. Waarom heeft het blootstellingsonderzoek zoals destijds aanbevolen door de Gezondheidsraad vertraging opgelopen?

12. Heeft u de resultaten van het onderzoek zelf al wel?

13. Deelt u de mening dat na het rapport van de Gezondheidsraad uit januari 2014, waarin de relatie tussen landbouwgif en diverse ernstige ziekten zoals kanker en parkinson al werd gelegd, de uitgelekte uitkomsten van het blootstellingsonderzoek zeer ernstig zijn, omdat nu is aangetoond dat mensen die in de buurt wonen van landbouwgebieden waar pesticiden worden gebruikt in veel hogere mate worden blootgesteld aan landbouwgif dan tot nu toe werd aangenomen? Zo nee, waarom niet?

14. Erkent u dat het rapport van de Gezondheidsraad dd 29 januari 2014 al meer dan genoeg aanleiding gaf tot het nemen van voorzorgsmaatregelen om de volksgezondheid te beschermen, zoals het instellen van afstandsnormen en een veel striktere beperking van het gebruik van landbouwgif?

15. Bent u bereid per direct voorzorgsmaatregelen te treffen, zoals een moratorium op het gebruik van pesticiden, om geen verdere risico’s te lopen met de volksgezondheid? Zo nee, waarom niet?

16. Bent u bereid beperkingen te stellen aan de bollen- en bloementeelt vanwege het hoge gifgebruik en de gevaren voor bodem, water, natuur en volksgezondheid? Zo nee, waarom niet?

17. Bent u bereid een verbod in te stellen op de meest vervuilende bollenteelt, te weten de lelieteelt? Zo nee, waarom niet?

Antwoorddatum: 13 apr. 2019

Vragen Partij voor de Dieren over de blootstelling van omwonenden aan landbouwgif en de gifstoffen die bewonersorganisatie Meten=Weten heeft aangetroffen in Westerveld

1. Kunt u bevestigen dat in de bollen- en bloementeelt relatief veel pesticiden worden gebruikt, waarbij de lelieteelt de kroon spant?

Antwoord: Het CBS rapporteert eens in de vier jaar over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Volgens het CBS werd in 2016 in de lelieteelt per hectare 125 kilogram chemische gewasbeschermingsmiddelen gebruikt, waarvan 93 kilogram minerale olie.

2. Kunt u uiteenzetten welke pesticiden allemaal (mogen) worden gebruikt bij de bollen- en bloementeelt?

Antwoord: Het Ctgb heeft een overzicht met daarin alle toegelaten en vervallen gewasbeschermingsmiddelen, de zogenoemde toelatingendatabank (https://toelatingen.ctgb.nl/). Kortheidshalve verwijs ik hiernaar.

3. Kunt u uiteenzetten welke rotatieschema’s al dan niet verplicht worden aangehouden bij de teelt van bollen en bloemen? Kunt u daarbij nadrukkelijk ingaan op de afwisseling tussen voedselgewassen en bollen of bloemen?

Antwoord: Er zijn geen verplichte rotatieschema’s voor de bollenteelt. Er zijn verschillende vrijwillige rotatieschema’s voor de bollenteelt. Deze zijn afhankelijk van de teelt en van de grondsoort. Bijvoorbeeld in Flevoland is het gewas tulp opgenomen in een akkerbouwmatige vruchtwisseling en kan variëren van eens in de vier tot acht jaar.

4. Wat vindt u ervan dat Drenthse burgers zich gedwongen voelden zelf geld in te zamelen om onderzoek te laten doen door een gecertificeerd laboratorium, om te weten te komen hoeveel pesticiden er in hun leefomgeving terechtkomen?

5. Waarom heeft u zelf zulk onderzoek niet laten uitvoeren?

Antwoord: op vraag 4 en 5 Van bewoners wordt niet verwacht dat zij zelf dienen te zorgen voor onderzoek naar chemische stoffen in de bodem en gewassen in de buurt. Er geldt een Europees systeem van voorzorg waarbij gewasbescher-mingsmiddelen pas op de markt mogen komen en worden gebruikt als na uitgebreid wetenschappelijk onderzoek is aangetoond dat er geen onaanvaardbare risico’s zijn voor mens, dier en milieu. De overheid evalueert en monitort (naleving van) wet- en regelgeving en reageert op nieuwe signalen. Zo worden voedingsmiddelen, oppervlaktewater en grondwater onderzocht op het voorkomen van resten van gewasbescher-mingsmiddelen en is een uitgebreid onderzoek gestart (blootstellingson-derzoek gewasbeschermingsmiddelen, OBO) naar blootstelling via lucht en (huis)stof van omwonenden, naar aanleiding van een advies van de Gezondheidsraad (2014). Het rapport is op 10 april jl. aan uw Kamer aangeboden.

6. Wat vindt u van de resultaten van het onderzoek, dat u uitwees dat op tien plekken bij velden met lelieteelt in Drenthe in groenten en in de bodem opgeteld 57 verschillende bestrijdingsmiddelen gevonden, soms in flinke concentraties?

Antwoord: Niet alle gevonden stoffen zijn te relateren aan de lelieteelt. Er zijn 15 stoffen gevonden die niet meer zijn toegelaten, blootstelling aan deze stoffen zal dus gaan afnemen. Het CBS rapporteert eens in de vier jaar over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de landbouw, gebaseerd op opgaven van agrariërs. Uit de gegevens uit 2016 blijkt dat 18 van de 57 stoffen die zijn gevonden in bodem- en gewasmonsters ook worden gebruikt in de lelieteelt. Er zijn ook stoffen gevonden die in andere landbouwgewassen mogen worden gebruikt en enkele ook in of om het huis (gazon, kamerplanten, insecten werend). (zie tabel 1 in bijlage 3 van deze brief). Het Ctgb heeft het onderzoek geanalyseerd (zie bijlage bij brief over blootstellingsonderzoek gewasbeschermingsmiddelen «Ctgb advies onderzoek naar bestrijdingsmiddelen en omwonenden»). De in de monsters aangetroffen gehaltes zijn vergeleken met veilige grenswaarden die gebruikt worden bij de toelating van de betreffende middelen. Uit deze vergelijking blijkt dat van alle 57 stoffen de veilige grenswaarden niet worden overschreden.

7. Deelt u de zorgen van toxicoloog Martin van den Berg, die wijst op de vermenging van deze stoffen in de bodem en de mogelijke risico’s van opstapeling van de bestrijdingsmiddelen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord: In het huidige toelatingsbeleid wordt een risicobeoordeling per aanvraag (per middel of tankmix) uitgevoerd. Stapeling van verschillende stoffen is mogelijk relevant als deze stoffen eenzelfde werking hebben op een organisme. In de huidige beoordelingsmethoden zijn volgens het Ctgb ruime veiligheidsmarges ingebouwd. (Kamerstuk 27 858, nr. 433). Tegelijkertijd is het wenselijk dat preciezer wordt gekeken naar effecten van een cumulatieve blootstelling via alle blootstellingsroutes. De Europese Voedselveiligheidsautoriteit (EFSA) werkt aan een richtsnoer om gecombineerde blootstelling aan verschillende stoffen te kunnen beoordelen. Nederland (RIVM en WUR) is actief betrokken bij de totstand-koming van dit richtsnoer en zal het recente RIVM-rapport daarbij ook inbrengen.

8. Deelt u de mening dat het hoog tijd wordt voor milieunormen voor pesticiden in de bodem? Zo ja, op welke wijze gaat u daadwerkelijk grenzen stellen aan de vervuiling van de bodem met landbouwgif? Zo nee, waarom niet?

Antwoord: Vanzelfsprekend is dit heel belangrijk en daarom is dit ook staande praktijk. In het toelatingsbeleid worden reeds grenswaarden gehanteerd voor de bodem.

9. Kunt u uiteenzetten hoe de huidige beoordelingssystematiek van EFSA en Ctgb zich verhouden tot het pleidooi van Violette Geissen, hoogleraar bodemdegradatie en landbeheer aan de Wageningen Universiteit, die pleit voor het vaststellen van grenzen aan mengsels van pesticiden en hun afbraakproducten in de bodem?

Antwoord: Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 5 van de leden Moorlag en Ploumen (Aanhangsel Handelingen II 2018/19, nr. 2397).

10. Heeft u al gesproken met bewonersorganisatie Bollenboos, zoals u eerder na vragen van de Partij voor de Dieren-fractie hebt beloofd? Zo nee, waarom niet?

Antwoord: Ja. Dit gesprek heeft plaatsgevonden op 8 april jl.

11. Waarom heeft het blootstellingsonderzoek zoals destijds aanbevolen door de Gezondheidsraad vertraging opgelopen?

12. Heeft u de resultaten van het onderzoek zelf al wel?

13. Deelt u de mening dat na het rapport van de Gezondheidsraad uit januari 2014, waarin de relatie tussen landbouwgif en diverse ernstige ziekten zoals kanker en parkinson al werd gelegd, de uitgelekte uitkomsten van het blootstellingsonderzoek zeer ernstig zijn, omdat nu is aangetoond dat mensen die in de buurt wonen van landbouwgebieden waar pesticiden worden gebruikt in veel hogere mate worden blootgesteld aan landbouwgif dan tot nu toe werd aangenomen? Zo nee, waarom niet?

14. Erkent u dat het rapport van de Gezondheidsraad dd 29 januari 2014 al meer dan genoeg aanleiding gaf tot het nemen van voorzorgsmaatregelen om de volksgezondheid te beschermen, zoals het instellen van afstandsnormen en een veel striktere beperking van het gebruik van landbouwgif?

Antwoord op vragen 11, 12 en 13: Het onderzoek «Bestrijdingsmiddelen en Omwonenden» onder coördi-natie van het RIVM is enigszins vertraagd doordat de geplande analyses meer tijd kostten dan aanvankelijk ingeschat. Op 10 april jl. is uw Kamer over het onderzoek geïnformeerd. Zoals in de voornoemde Brief van 10 april jl. beschreven, heeft het kabinet de Gezondheidsraad opdracht gegeven om nader te onderzoeken of er gezondheidsrisico’s zijn en hierover te adviseren. Tot op heden hebben de verschillende studies geen duidelijke verbanden aangetoond tussen blootstelling aan gewasbescher-mingsmiddelen en het optreden van gezondheidseffecten. Het recente RIVM-rapport Bestrijdingsmiddelen en Omwonenden (RIVM 2019-0052) laat zien dat er geen grenswaarden zijn overschreden en dat in de huidige toelatingsmethodiek de blootstelling volgens het Ctgb ook niet wordt onderschat.

15. Bent u bereid per direct voorzorgsmaatregelen te treffen, zoals een moratorium op het gebruik van pesticiden, om geen verdere risico’s te lopen met de volksgezondheid? Zo nee, waarom niet?

Antwoord: Het advies van de Gezondheidsraad heeft ertoe geleid dat het Ctgb sinds 2014 het risico voor omwonenden bepaalt op basis van modelbereke-ningen van de blootstelling. Sinds 2016 wordt daartoe gebruik maakt van het EFSA-model OPEX. Hiermee wordt de blootstelling van omwonenden beoordeeld op basis van een «worst case» benadering. In de brief van 18 mei 2014 (Kamerstuk 27 858, nr. 311) bent u geïnfor-meerd over het antwoord van de Landsadvocaat op de vraag of het advies van de Gezondheidsraad voldoende basis biedt om een spuitvrije zone in te voeren. De conclusie van de landsadvocaat was dat het destijds niet mogelijk was om teeltvrije zones wettelijk afdwingbaar te maken, omdat daarvoor onvoldoende wetenschappelijk onderzoek beschikbaar was. Het advies luidde om de resultaten van het blootstellingsonderzoek af te wachten. Ik heb u 10 april geïnformeerd over de resultaten van dat onderzoek en de vervolgstappen die in gang worden gezet. Zie ook het antwoord op vraag 11, 12 en 13 van de leden van de PvdD-fractie.

16. Bent u bereid beperkingen te stellen aan de bollen- en bloementeelt vanwege het hoge gifgebruik en de gevaren voor bodem, water, natuur en volksgezondheid? Zo nee, waarom niet?

Antwoord: Verordening (EG) 1107/2009 gaat uit van het voorzorgsbeginsel en biedt de mogelijkheid om waar nodig in te grijpen op basis van nieuwe wetenschappelijke inzichten. Gelet op de uitkomsten van het Onderzoek Bestrijdingsmiddelen en Omwonenden onder coördinatie van het RIVM is een moratorium op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de landbouw niet aan de orde. Mijn ambities richten zich op weerbare planten en teeltsystemen, het verbinden van landbouw en natuur en als er dan toch behoefte is aan gewasbeschermingsmiddelen, dan nagenoeg zonder emissies naar de leefomgeving en nagenoeg zonder residuen op producten. Dat is de kern van de «Toekomstvisie gewasbescherming 2030» die recent aan uw Kamer is aangeboden.

17. Bent u bereid een verbod in te stellen op de meest vervuilende bollenteelt, te weten de lelieteelt? Zo nee, waarom niet?

Antwoord op vragen 16 en 17: Uit de beoordeling van het Ctgb van de gevonden gehaltes van gewasbe-schermingsmiddelen in de bodem en op gewassen bij de inwoners in Westerveld, blijkt dat er geen grenswaarden zijn overschreden. Bovendien blijkt ook uit het OBO-blootstellingsonderzoek dat alle meetresultaten beneden de veilige grenswaarden zijn gebleven. Daarnaast richtte het OBO-blootstellingsonderzoek zich op de vraag in welke mate omwonenden van specifieke velden blootgesteld werden aan gewasbeschermingsmiddelen. Ook hier bleek dat er geen grenswaarden overschreden werden. Het kabinet zal de Gezondheidsraad vragen om dit vraagstuk te betrekken in hun advies, zoals aangekondigd in de brief aan uw Kamer van 10 april jl. (Kamerstuk 27 858, nr. 450). Zolang de teelt beneden de veilige grenswaarden blijft, is er geen aanleiding de teelt te beperken. Verder wil ik in het kader van de Toekomstvisie Gewasbescherming die ik u 16 april jl. heb toegestuurd, de afhankelijkheid van gewasbeschermings-middelen en de emissies naar de leefomgeving terugdringen.