Waarom Land­bouw­mi­nister Cees Veerman zich niet zo druk maakt over dieren­welzijn


20 november 2006

Dit journalistieke, onafhankelijke artikel namen wij over uit Intermediair. We hebben toestemming van auteur Jeroen Siebelink en van de redactie van Intermediair om het op onze website te publiceren


In drie jaar tijd schrapte de minister van Landbouw Cees Veerman meer dan honderd dierenwelzijnsregels. Hoe een ministerie de laagwaardige, krimpende vleessector in stand houdt ten koste van honderden miljoenen dieren per jaar.

Vijf onwaarheden

  1. ‘Nederland loopt al voorop met dierenwelzijn.’
  2. ‘Economie is belangrijker dan dierenwelzijn.’
    Berengeur
  3. ‘De industrie regelt dierenwelzijn zelf wel.’
    Moreel appèl
  4. ‘Dierenwelzijn is lastig te handhaven.’
  5. ‘Meer dierenwelzijn mag niet van Europa en Tweede Kamer.’

Jaarlijks vierhonderd miljoen Nederlandse kippen, kalkoenen en eenden hangen ondersteboven aan de lopende band met hun koppen in een waterbak onder stroom. Hoewel de regels voorschrijven dat ze onmiddellijk bewusteloos moeten zijn, viel het Anton Breunis, keurmeester van de Rijksdienst keuring Vee en Vlees (RVV) op dat sommige slachterijen de stroom vier keer zo laag houden als de wettelijke vastgestelde 100 milliampère. Dat scheelt bloedingen in de kipfilet, en een paar procent minder afval.

Opdat wij er extra grote kipfilets van kunnen eten, worden de kippen gefokt met sterk ontwikkelde borstspieren. Van de stroomstoot klapt hun borst zo hard samen dat ze hun eigen botten breken. Na het bad fladderen ze nog, zodat het mes hun keel half insnijdt. Net niet ‘geëlektroduceerd’, geradbraakt en half geslacht, maar nog altijd levend, gaan ze tot slot een broeibak van vijftig graden in om half te worden gekookt en uiteindelijk te verdrinken.

Breunis en de RVV (tegenwoordig onderdeel van de Voedsel- en Warenautoriteit) verzochten het ministerie van Landbouw, Natuur en Visserij om landelijk onderzoek, maar die wees het af. ‘Daar gaan wij niet over.’
Omdat de industrie de naleving van dierenwelzijnsregels zelf mag controleren, bemoeit Landbouw zich er niet mee. Daar voelt ze ook geen politieke druk toe, want dierenwelzijn staat niet hoog op de Haagse agenda. En als er toch politieke onrust ontstaat over dierenwelzijn, hanteert minister, en boer, Cees Veerman van het CDA een vast rijtje verklaringen. Economie is belangrijker dan dierenwelzijn. Meer dierenwelzijn mag niet van de Tweede Kamer en Europa. Lastig te handhaven, ook. Trouwens: Nederland loopt al voorop met dierenwelzijn.

Vijf onwaarheden

Fotografie: Jeroen Siebelink

Dat laatste klopt een klein beetje: de Nederlandse
slachterijsector heeft een reputatie, wat betreft efficiency én diervriendelijkheid. Dat hebben we volgens insiders niet te danken aan Landbouw ­ wel aan de particuliere initiatieven als die van dierenarts en bedwelmingsexpert Reinder Hoenderken en machinefabrikant Stork. Zijn onderzoek naar optimale bedwelming van varkens met gas leidde tot wereldwijde toepassing in apparatuur. Op die plekken komen varkens meestal op een nette manier aan hun einde.
Zijn compassie met dieren is een andere dan die van dierenbeschermers ­ liever werkt hij van binnenuit de bio-industrie aan wetenschappelijke oplossingen voor de ellende van dieren. Toch is zelfs bij hem nu het geduld op.

Voordat hij laatst met pensioen ging, werkte hij als inspecteur van de Wet op de Dierproeven bij de Voedsel- en Waren Autoriteit (VWA), een uitvoerende dienst van het ministerie van LNV. Hij bewaart gemengde gevoelens. ‘Hoe anders Landbouw het ook doet voorkomen, voor dierenleed hebben ze geen aandacht. Als een van de allerlaatste landen toonden ze interesse voor mijn werk. Landbouw is een huichelachtige organisatie.’

Hoenderken en andere klokkenluiders schetsen een onthutsend beeld van een ministerie ­ laverend tussen windowdressing, lethargie en het moedwillig frustreren van alternatieven voor beter dierenwelzijn. De vijf onwaarheden van minister Veerman.

1 ‘Nederland loopt al voorop met dierenwelzijn.’

(Lett.: ‘We moeten streven naar een Europees level playing field, waarbij eerder in Nederland gestelde, strengere normen worden teruggebracht tot Europese minimumnormen’ ­ Kamerstukken II, 2004/05, 30 078)
Nee, Nederland líep voorop in dierenwelzijn. ‘Ooit was Landbouw een voorbeeld voor de wereld’, zegt etholoog dr. Gerrit van Putten. Vijfendertig jaar geleden trad hij in dienst bij het toenmalige Instituut Veeteeltkundig Onderzoek (IVO) van Landbouw. Varkens die op roosters moesten leven, koeien die vrachtwagens in werden gejaagd: landbouw begon die beginjaren van de bio-industrie te vermoeden dat dingen mis gingen, en gaf het IVO opdracht onderzoek te doen.

Dat bereikte wel wat. Het stelde als eerste ter wereld vast dat biggen pijn en stress ervaren bij castratie. Het leverde het bewijs dat kalveren geen bloedarmoede hoeven te lijden om wit vlees te produceren. En het toonde de noodzaak aan dat zeugen een eigen kraamnest maken ­ in plaats van ze vast te binden met een korte ketting.
Al gauw kreeg Den Haag de zenuwen van Van Putten en consorten. Twee maal legden ze hem een spreekverbod op. ‘Eerst vanwege een film die ik maakte over misstanden in de industrie, voor intern gebruik. Ik werd ontboden in Den Haag. De secretaris-generaal sprak vermanende woorden: dit komt de minister niet uit.’ Een tweede spreekverbod kreeg hij na zijn voorstel stallen te toetsen met een keurmerk. ‘Zwitserland deed dat al, maar Den Haag concludeerde snel dat het te veel geld kost en verbood mij er over te spreken.’
De tijd brak aan waarin Landbouw het toezicht op dierenwelzijn uitbesteedde aan de sector, en de regelgeving aan Brussel. Een land als Engeland volgde van meet af aan die Europese welzijnseisen, maar Nederland haakte af. Lange tijd bediende Nederland daarom vooral Zuid-Europese markten, waar prijs belangrijker is dan kwaliteit. Inmiddels gaat het concurreren op prijs ons zo goed af dat zelfs kritische Britse vleeseters hun principes opzij zetten. ‘Spotgoedkoop Hollands vlees voldoet niet aan onze eisen’, klaagde brancheorganisatie British Pigs Executive onlangs.
Toch loopt Nederland weer aardig in de maat met Europa, blijkt uit onderzoek dat de niet onafhankelijke Animal Science Group (ASG) van Wageningen UR uitvoerde in opdracht van de vleessector. Huisvestingsrichtlijnen worden netjes nageleefd. ‘Geen reden om genoegzaam te navelstaren’, vindt dierenwelzijnsspecialist dr. Hans Hopster van ASG, dat voor veertig procent door Landbouw wordt gefinancierd. ‘Bijvoorbeeld als het gaat om afleidingsmateriaal komt Nederland slecht uit de bus. Regels stellen dat varkens voldoende speelgoed krijgen om mee te wroeten, maar onze varkenshouders hangen in een kale stal een stukje fietsketting om op te kauwen.’ Kosten: twee euro per stal van tien biggen. Zoals minister Veerman het uitdrukt:

2 ‘Economie is belangrijker dan dierenwelzijn.’

(Lett.: ‘Het eenzijdig stoppen met onverdoofd castreren van varkens is niet mogelijk gezien de internationale afzetmarkt’ ­ Kamerstukken II, 2006-2007, 28 286, 4 juli 2006)
Nee, de Nederlandse vleeseconomie is onbelangrijk. ‘De agrosector is een wereldmacht’, ronkt een brochure van het ministerie, ‘die een belangrijke bijdrage levert aan de handelsbalans.’ In feite is de landbouw op sierteelt na gemarginaliseerd. ‘Onze landbouwproducten zijn economisch van geen betekenis’, schrijft het onafhankelijke Centraal Planbureau. In een halve eeuw nam het aandeel van de totale landbouw in het bruto binnenlands product af van vijftien procent tot nog geen procent. Varkensvlees werd in die tijd vier maal zo goedkoop.

Vreemd genoeg is onze dierlijke export in volumes, hoewel sterk tanende, nog altijd onwaarschijnlijk hoog voor zo’n klein landje. Op de top tien van producten met het grootste aandeel in de wereldhandel, staan vlak na de snijbloemen en bollen: eieren, varkens en melkroom.

Deze posities zijn ontstaan in de jaren zeventig en tachtig. Terwijl de intensieve veehouderij in de landen om ons heen al in belang afnam, kende die van ons juist een hogere groei dan de gehele Nederlandse economie. Hoogst bijzonder ­ CPB heeft er dan ook geen goede verklaring voor.
Gerrit van Putten wel. In die tijd stond de landbouw voor de keuze massaproductie of kleinschalig, zegt hij. ‘Veel boeren neigden naar het laatste, want dat vergde minder investering: geen grote mestkelders, speciale roostervloeren, complexe voederstations.’ Maar volgens Van Putten werden werkloze bouwvakkers in Brabant en Twente met hypotheken verleid tot kapitaalintensieve productie. Zonder ervaring met varkens en kippen begonnen die als gekken te investeren.

Berengeur

Het masterplan van banken en ambtenaren was volgens Van Putten de sector te overladen met particulier én publiek geld. ‘Al decennia lang subsidieert Landbouw met de Denen een vruchteloos onderzoeksproject naar een machine die de zogeheten berengeur bij biggen kan detecteren. Eén procent draagt die geur en het levert onverkoopbaar vlees op, het ruikt inderdaad vreselijk. Daarom worden nu álle biggen gecastreerd ­ economisch gezien bizar. Nog altijd onverdoofd.’
Hij kreeg een idee: berengeur lijkt op die van truffels. ‘Sommige hondenrassen zijn daar ook gevoelig voor. Aan mijn directeur stelde ik voor dat we varkens gewoon over een lopende band langs een hond in ploegendienst moeten leiden. Hij vond het bespottelijk. Dat is niet hygiënisch, een hond in een varkensslachterij! Toen kwam een gedachte bij me op, die ik meteen verdrong. Het moet geld kosten, anders is het niks. Ik merkte het bij elk voorstel dat ik deed. Ik zag een open front-stal in België. Kost niks: geen elektriciteit, stapelbare mest. Andere landen voerden het ook al in. Landbouw wilde er niks van weten.’

Nu is de Nederlandse landbouw ‘achterblijver onder de Europese achterblijvers’, aldus het CPB. ‘Er is geen enkel perspectief op groei.’ Duurzame productie lijkt een weg uit de malaise ­ de biologische markt groeit met vijftien procent per jaar. Toch kiest de vleesindustrie juist voor schaalvergroting en automatisering.

Varkens worden nu zo gefokt dat zeugen geen zes maar vijftien biggen krijgen.

Biggensterfte is in Nederland namelijk zeer hoog: vijftien procent. Varkenshouders zien natuurlijke vormen van houderij niet als oplossing. Wel zijn ze al in staat de baarmoeder met inhoud en al uit een af te maken zeug te halen en de biggen zonder hun moeder in een soort reuze couveuse groot te brengen, in de hoop ze zo ziektevrij te houden tot aan de slacht.
Waarom stimuleert Landbouw niet tot duurzaamheid? ‘Landbouw is vanouds geen echt ministerie van algemeen belang, dat belangen evenwichtig afweegt’, zegt Niels Dorland van de door Landbouw gesubsidieerde Dierenbescherming. ‘Het komt eenzijdig op voor boerenbelangen. Onder niet-CDA ministers Van Aartsen, Apotheker en Brinkhorst was even meer aandacht voor maatschappelijke aspecten als dierenwelzijn. Onder Veerman worden de economische belangen weer ondubbelzinnig voorop gezet.’

Zoals het ministerie van Onderwijs lange tijd een PvdA-bolwerk was, staat Landbouw bekend als CDA-bolwerk. ‘Veel ambtenaren stemmen christelijk of komen van het platteland’, zegt Van Putten. Hoewel de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid al eerder pleitte voor opheffing van het ministerie, opperde zelfs CDA-prominent Eelco Brinkman laatst dat het moet opgaan in de ministeries van Volksgezondheid en Economische Zaken.
Hopster van ASG denkt dat Landbouw door zulke druk wat ‘pragmatischer’ is geworden.

Zo legt ze de verantwoordelijkheid voor dierenwelzijn bij de sector. ‘De boerenachtergrond van Veerman en zijn korte lijnen naar de sector spelen hierin een grote rol. Hij kiest voor “realisme”. Ik word daar wel eens ongeduldig van.’ Zoals minister Veerman het uitdrukt:

3 ‘De industrie regelt dierenwelzijn zelf wel.’

Fotografie: Jeroen Siebelink

(Lett.: ‘Ik heb vertrouwen in uw vermogen om zelf kwaliteitssystemen te ontwikkelen’ ­ speech tijdens ledenvergadering van Saveetra, Samenwerkende Veetransporteurs, 18 mei 2006.)
Nee, dat doet de industrie niet. In de grootste varkensslachterij van Europa, VION te Boxtel, worden elke week 55 duizend varkens met kooldioxide verdoofd en daarna geslacht. De regels schrijven weinig voor over vergassing, maar Hoenderken toonde wetenschappelijk aan dat varkens rustig in slaap vallen als je het kooldioxide mengt met wat zuurstof. ‘In plaats van een nare dood van benauwdheid sterven ze een iets langzamere, maar aangename dood. De kosten zijn hoger, maar die verdien je terug omdat ze door afwezigheid van stress geen botbreuken en bloedingen oplopen.’
Met Stork ontwikkelde hij een machine met kijkramen waarvan er wereldwijd achttien in bedrijf zijn, maar niet in Nederland. VION mengt geen zuurstof door het gas. Hoenderken en Hans Baaij van de stichting Varkens in Nood vermoeden dat daardoor de varkens onredelijk lijden. Hoenderken werd laatst de toegang geweigerd, maar drie jaar geleden mocht hij een kijkje nemen. ‘Varkens worden een kooi ingedreven, die door een luik in een put zakt met mist ­ kooldioxide is zwaarder dan lucht, met zuurstof zou het meteen opstijgen.

Na twee minuten komt de kooi met kadavers weer omhoog.’ Volgens woordvoerder Marc van der Lee van VION bestaan er geen ideale dodingsmethodes. ‘Gasmengels zijn onvoldoende getest op varkens. We volgen de laatste inzichten, zoals die van het wetenschappelijk bureau van de EU.’ Hoenderken: ‘Meer dan op VION heb ik kritiek op het toezicht. Die leggen zich erbij neer dat de gasboxen geen kijkraam hebben, zodat niemand weet wat daar beneden gebeurt.’

Misdrijf
Mag dat? Nee, de overheid moet toezien op naleving van artikel 5 uit het Besluit Doden Dieren: dieren mogen geen onaanvaardbare opwinding of pijn ondergaan. ‘Landbouw is huichelachtig’, zegt Hoenderken. ‘De VWA is aanwezig, maar die controleert op hygiëne en gezondheid van het vlees. Vorig jaar kregen ze van de minister de opdracht: “niet zo strak handhaven, maar uitleggend en meedenkend”.’ Van der Lee van VION: ‘De EU en afnemers controleren ons ook. Volgens hen borgen wij dierenwelzijn op hoog niveau.’

Door toezicht aan anderen over te laten, maakt Landbouw misstanden in de bio-industrie mogelijk, zegt Hoenderken. ‘Erger: er hangt een cultuur van niet willen weten, niet willen leren. Ook als Landbouw wel m-et ingrijpen, zoals bij massadodingen bij dierziekten. Ik zag het zo vaak: ambtenaren reizen af naar een hal met kippen: gasslang erin, deuren dicht en dan maar koffie drinken. Ik zei: hang nou een camera binnen, dan weet je ten minste wat daarbinnen gebeurt.’

Zo overtrad Landbouw moedwillig zélf eens de wet op de dierproeven. Toen er vogelpest heerste, experimenteerden ambtenaren ­ zonder het voor te leggen aan een Commissie Dierexperimenten of een deskundige te informeren ­ met een schurftmiddel voor schapen in kippenvoer. ‘Dat werd een fiasco en veroorzaakte nodeloos dierenleed. De ernstigste overtreding die ik ooit vaststelde, een misdrijf. Ik schreef een waarschuwingsbrief aan Landbouw, kreeg geen reactie.’

Moreel appèl

In lijn met de kabinetten-Balkenende beperkt Veerman regels tot een minimum. De enige wet die de ‘intrinsieke waarde’ van dieren beschrijft, wil hij vervangen door een wet die meer uitgaat van de belangen van de industrie. ‘Omdat dit deze regeringsperiode niet meer lukte, maakt Landbouw misbruik van de Wet op de Dierproeven’, zegt Hoenderken. ‘Die wet staat dingen toe die door andere wetten verboden zijn. Zo verlenen ze ontheffingen aan veevoederproducenten die huisvestingsregels voor kalveren omzeilen.’
Geen toezicht, geen wetten, geen regels dus. Subsidies dan? Ja: Landbouw stimuleerde de Comfort Class-stal voor varkens. ‘Maar andere ministeries proberen ook het publíek bewust te maken, zoals over roken en broeikaseffect’, zegt Hopster van ASG. ‘Landbouw doet geen poging tot zulk moreel leiderschap. Begrijpelijk, daarmee zou ze een legale sector diskwalificeren.’

Een moreel appèl laat landbouw over aan dierenbeschermers. ‘En die worden niet door iedereen vertrouwd, waarmee ze mensen een extra argument geven de kop in het zand te steken.’ Publieksvoorlichting is al wel ontdekt door de vleesindustrie. Als reactie op Varkens in Nood kwam Varkens in Zicht, met Bennie Jolink als ambassadeur. Baaij van Varkens in Nood is al wezen kijken: ‘Ze verbouwden een aantal boerderijen. In showrooms liggen varkens in veel te veel stro en ruimte. Onzichtbaar daarachter, de realiteit: duizenden varkens in kale stallen zonder stro.’

Verhullend

Is de terughoudendheid van Landbouw te wijten aan de minister of aan zijn ambtenaren? ‘Ik doe geen uitspraak over mijn opvolger, maar mijn ervaring is dat de wil van ambtenaren om actief dierenwelzijn te bevorderen erg afhangt van de minister’, zegt Laurens-Jan Brinkhorst van D66, een van de weinige niet CDA-ministers op Landbouw.

‘Ik maakte vier dierziektes mee: MKZ, gekke koeien, dioxine en varkenspest. Ik zei toen al dat dit natuurlijk samenhangt met de bio-industrie. Van hen kreeg ik daarna moeizaam medewerking, maar door ambtenaren ben ik niet gesaboteerd. Ze stonden op hun achterste benen toen ik begon aan mijn nota ‘Dierenwelzijn’, maar uiteindelijk schreven ze er loyaal aan mee. Nadat ik vertrok, is met die ideeën echter niets meer gedaan.’
De industrie regelt dierenwelzijn níet, is zijn overtuiging. ‘Begrijp me goed, ik vind mensen belangrijker dan dieren. En zoals u weet ben ik voor marktwerking. Maar wél met streng overheidstoezicht.’ minister Veerman ziet het anders:

4 ‘Dierenwelzijn is lastig te handhaven.’

(Lett.: ‘Ik ben geen sterke voorstander van strikte regelgeving en snoerstrakke handhaving op dit vlak.’ (Kamerstukken II, 2006-2007, 28 286, nr. 36, p. 6, 14 september 2006.)
Ja, als je bezuinigt op de Algemene Inspectiedienst (AID). Samen met de Landelijke Inspectiedienst van de Dierenbescherming (LID) en het Openbaar Ministerie handhaaft zij dierenwelzijn. De AID ziet vooral toe op productiedieren, de LID op gezelschapsdieren. De AID kampt al jaren met onderbezetting. Ook dit jaar haalt ze geen van de handhavingsdoelen in pluimveehouderij, varkenshouderij en rundveehouderij. Wat ze wel doet, is onduidelijk. In haar jaarverslagen vat ze overtredingen samen, zodat niet is na te gaan of ze ooit een proces-verbaal schrijft op grond van artikel 36 lid 3: ‘een ieder is verplicht hulpbehoevende dieren de nodige zorg te verlenen’.

Opsporing van diermishandeling heeft niet de prioriteit, zo bleek onlangs uit beelden van mishandeling van koeien en schapen op de veemarkten van Leeuwarden en Utrecht. Wel stelde de AID met bureau Interview/NSS iets anders vast: haar controleurs hebben een goed imago onder gecontroleerden. Veehouders zijn het meest positief -­ zij krijgen dan ook de minste waarschuwingen en boetes (twee keer minder dan vissers, bij wie de AID het minst populair is). Wat ook meehelpt: de AID kondigt elke controle van tevoren aan.
‘AID’ers zijn geen kritische dierenartsen’, zo verklaart Hoenderken de sympathie van veehouders. ‘Het zijn vaak werkloze boerenzonen.’

Dorland van de Dierenbescherming: ‘Die affiniteit van huis uit kan makkelijk leiden tot te veel begrip voor overtredingen.’ De AID voert de controle uit op eigen landbouwbeleid. ‘Het is beter als ze onder Justitie zou vallen’, zegt David van Gennep van Stichting Aap. ‘De politie heeft al tot taak te zorgen voor dieren en is overal aanwezig.’ Als alle argumenten op zijn, zegt minister Veerman:

5 ‘Meer dierenwelzijn mag niet van Europa en Tweede Kamer.’

(Lett.: ‘Het doden van vis behoeft Europese normstelling. Ik neem alleen welzijnsmaatregelen buiten Europa om als het specifiek Nederlandse problemen betreft’)
Veerman boekte één succes in Brussel: hobbydieren mogen worden gevaccineerd. Verder hebben zijn beloftes om dingen aan de orde te stellen het tegendeel opgeleverd, analyseerde het juristencollectief Law And Roar, dat zich bezighoudt met dierenrecht: minder ruimte voor vleeskuikens, geen verbod op het onverdoofd castreren van varkens, geen richtlijnen voor de palingrokerij. ‘Als Nederland de eisen opschroeft, haalt Europees recht het weer neer’, zegt Hopster van ASG. ‘Je kunt het welwillende ambtenaren niet verwijten dat de top dierenwelzijn te onbelangrijk vindt om politieke risico’s te nemen.’

Veerman had de afgelopen drie jaar in de Tweede Kamer te maken met een meerderheid van CDA, VVD en LPF waarvan de landbouwwoordvoerders een boerenachtergrond hebben. Gert-Jan Oplaat van de VVD groeide op in de kippenveredeling, algemeen bekend als de hardste vorm van bio-industrie. Annie Schreijer-Pierik van het CDA wuifde eens tijdens een symposium de problematiek van verdoving van biggen bij castratie weg met de opmerking: ‘Ik kan wel honderd biggen per uur onverdoofd castreren!’

Van een symbolische kracht, haar uitroep. In drie jaar stemde Pierik met Oplaat meer dan honderd welzijnsregels weg.

Wetenschappelijk tegenbewijs negerend, schrapten zij onder meer verboden op de legbatterij, de nertsenfok, de vossenjacht, de kraaienjacht, kleine varkenshokken, het onverdoofd afsnijden van snavels, staarten, kammen, tenen, tanden en balletjes. Ze besloten zelfs komende kabinetten bevoegdheden te ontnemen om betere regels voor veetransport te stellen.

Voor andere dossiers vraagt Veerman om ‘meer onderzoek’. Zo kruipen palingen nog altijd een uur in pekelbaden, waarna ze levend worden gestript en gerookt bij volle bewustzijn. De wetenschap leverde al pijnarme alternatieven, maar hij wil eerst meer onderzoek. Verder moet Europa zich hier maar over buigen, vindt hij. Toch zijn welzijnsproblemen bij het doden van meerval en paling juist specifiek Nederlands: we zijn verantwoordelijk voor negentig en zestig procent van de Europese productie. ‘Landbouw is een bijzonder eigenzinnig ministerie dat haar standpunten nauwelijks laat beïnvloeden door Europa, Den Haag, wetenschap’, zegt Van Gennep van Stichting Aap. ‘Zelfs niet door haar minister.’

Zoals de minister het in beleidsstukken benadrukt: ‘Ik ben opgegroeid tussen de dieren en mijn liefde voor dieren is onverminderd. De reden om de vele bepleite maatregelen niet, nog niet of anders door te voeren, ligt dan ook niet in de passie voor dieren maar in de bestuurlijke invalshoek.’

Reactie ministerie van Landbouw

Minister Veerman wil niet op de vele beschuldigingen aan zijn adres ingaan. Van een van zijn voorlichters ontvingen we deze mail: ‘Wie dieren houdt, heeft de morele plicht er goed voor te zorgen. En niet alleen een morele plicht. In de wet staat heel duidelijk dat het verboden is een dier onnodig pijn of letsel te veroorzaken. Het is ook verboden zijn gezondheid of welzijn aan te tasten en om het dier de nodige verzorging te onthouden.

Daarnaast zijn er duidelijke voorschriften voor verzorging, huisvesting en ook voor het bedwelmen en doden van dieren. Wie zo slecht omgaat met dieren, zoals beschreven in dit artikel, is dus simpelweg in overtreding.

De controle hierop is een taak van de overheid. Landbouw controleert daarom wel degelijk of houders of bedrijven zich aan de regels houden. Dat doen de uitvoerende diensten VWA en AID. De sector controleert ook, maar dit doet niets af aan de overheidscontroles. De consument heeft ook een verantwoordelijkheid. Want consumeren is een morele daad. Mensen spreken zich uit voor hogere normen van dierenwelzijn, maar in de supermarkt kiezen ze voor goedkoop kipfilet. Als de consument daadwerkelijk een welzijnsvriendelijk stukje vlees wil, dan zal de sector dat op zijn bord leggen.
Landbouw wil mensen er bewust van maken dat een hoog niveau van dierenwelzijn past bij onze hoog ontwikkelde maatschappij, maar dat het ook een prijskaartje heeft. Sector en overheid moeten transparantie bevorderen, laten zien hoe het vlees wordt geproduceerd. Want alleen dan kan de consument zijn keuze maken. Landbouw zal een fiscale regeling instellen voor investeringen in dierenwelzijn in de intensieve veehouderij. Ook zijn er plannen voor een vorm van investeringssubsidie voor boeren die nog meer aan dierenwelzijn willen doen dan de wet voorschrijft. Landbouw spant zich in om het onderwerp in Europa bespreekbaar te maken. Castratie van biggen staat nu prominent op de EU-agenda.’



Door Jeroen Siebelink / dinsdag 21 november 2006

Bron: Intermediar

Blijf op de hoogte van het laatste nieuws

    Abonneer op de nieuwsbrief