Opinie: Onbe­dwelmd ritueel slachten valt niet te recht­vaar­digen


2 juni 2009


Pleidooi voor wettelijk verbod op onverdoofd slachten

Verenigbaar met de grondrechtelijke godsdienstvrijheid


Hiernavolgend een bijdrage van Marianne Thieme - fractievoorzitter Partij voor de Dieren en mr. dr. B.C. Labuschagne - universitair docent Rechtsfilosofie verbonden aan de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit Leiden.

Jaarlijks wordt bij 2 miljoen dieren, met name kalveren, schapen en kippen, zonder verdoving de keel doorgesneden. Hun vlees komt zonder waarschuwing op het etiket in veel gevallen ook in het reguliere vleesschap terecht.

Daardoor dupeert het onverdoofd ritueel slachten niet alleen grote groepen dieren, maar ook grote groepen mensen die nu tegen wil en dank vlees nuttigen van dieren die op zeer pijnlijke wijze geslacht zijn. Het ritueel slachten veroorzaakt onnodig veel stress, gebeurt vaak onoordeelkundig en zonder toezicht, aldus de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde (KNMvD). Daarom is er nu een initiatiefwet naar het parlement gestuurd om tot een wettelijk verbod te komen.

De kernvraag die aan de orde is, is of het onbedwelmd ritueel slachten, wettelijk verboden kan worden. Wanneer we naar rituele vleesproductie en – consumptie kijken, moeten we onderscheid maken tussen het ritueel van het slachten zelf en het consumeren van op deze wijze verkregen vlees. Het is duidelijk dat er een doel-middelverhouding in gezien moet worden, waarbij uiteindelijk het doel is het vlees te consumeren dat op een bijzondere wijze verkregen is.

Het Europese Hof voor de Rechten van de mens besliste in 2000 : “It is not contested that ritual slaughter […] constitutes a rite […] whose purpose is to provide Jews with meat from animals slaughtered in accordance with religious prescription, which is an essential aspect of practice of the Jewish religion.”
Om koosjer of halal vlees te kunnen consumeren (doel) is het nodig dat het dier waar het vlees afkomstig van is op een bepaalde wijze is geslacht (middel). Vanuit die gedachte is een verbod op onbedwelmd slachten geen belemmering aan het kunnen consumeren van dit vlees, aangezien het kan worden geïmporteerd.
Het kernrecht van consumptie van ritueel geslacht vlees wordt niet aangetast door een wettelijk verbod op onverdoofd slachten. Het moet in Nederland mogelijk zijn een diervriendelijk beleid te voeren, gebaseerd op eigen afwegingen.

Waar gelovigen aanvoeren dat ook het slachten zelf een vorm van godsdienstig belijden zou zijn, moet worden vastgesteld dat de staat niet voor de gelovige mag uitmaken wat hij of zij onder het belijden van godsdienst verstaat (de zogeheten ‘interpretatieve terughoudendheid’ die de overheid dient te betrachten), maar wel kan en mag de overheid een grens trekken bij handelingen die volgens het Europese Hof voor de Rechten van de Mens nog wel een “onontkoombare uiting” van godsdienst zijn.
In de loop van de tijd zijn bedwelmingstechnieken zodanig verbeterd, dat het dier niet als gevolg van de bedwelming sterft, maar door het slachten zelf.

Het vasthouden aan de noodzaak van onbedwelmd slachten, is geen ‘onontkoombare uiting’ van godsdienst, omdat er volop alternatieven beschikbaar zijn die dierenwelzijnbevorderend zijn en stroken met de diervriendelijke intentie achter de rite. Een verbod op onverdoofd slachten raakt de uitoefening van godsdienstig belijden marginaal en is daarom verenigbaar met de grondrechtelijke godsdienstvrijheid.

Andere landen (Zweden, Spanje, Luxemburg, Finland, Oostenrijk etc.) hebben al vastgesteld dat een verbod op onbedwelmd ritueel slachten noodzakelijk is in een democratische samenleving, waarbij impliciet toegestaan is dit middel te gebruiken bij een legitiem doel. Nederland kan net zoals andere landen deze rechtvaardigingsgrond gebruiken voor wettelijke beperking van onbedwelmd ritueel slachten.

Het kernrecht van consumptie blijft onaangetast. Het afgeleide recht, dat van ritueel slachten als middel voor het verkrijgen van ritueel geslacht vlees, kan daarom probleemloos beperkt worden, gelet op het afgeleide, niet-kernrechtelijke karakter ervan. De vereisten van openbare veiligheid en orde, gezondheid, goede zeden en rechten en vrijheden van anderen moeten in dit licht bezien worden.
Dierenbeschermers zouden geschokt kunnen worden in hun overtuiging door beoefenaars van het onverdoofd ritueel slachten, waardoor het criterium ‘rechten en vrijheden van anderen’ actueel wordt. Het verbod op ritueel slachten kan gerechtvaardigd worden uit oogpunt van bescherming van rechten en vrijheden van voorvechters van dierenwelzijn.

Immers, dierenwelzijn is geworteld en gefundeerd in een heel eigen Weltanschauung die ook zelf aanspraak maakt op bescherming van vrijheid van godsdienst en levensovertuiging. In een pluriforme, democratische samenleving dient ook rekening te worden gehouden met diegenen die het dierenwelzijn centraal in hun levensovertuiging stellen.

Het criterium van ‘goede zeden’ levert de meest overtuigende redenering op.
Ongetwijfeld kan gesteld worden dat – in een land waarin zelfs een Partij voor de Dieren in het parlement vertegenwoordigd is – het algemeen rechtsbewustzijn en wat als goede zeden geldt in toenemende mate gekleurd wordt door morele opvattingen omtrent dierenwelzijn. Naar de opvatting van velen weerspiegelt de behandeling van dieren het beschavingsniveau van een samenleving en van een cultuur. Wreedheid jegens dieren wordt beschouwd als barbaars en niet passend in een beschaafde samenleving.

Het ligt daarom voor de hand inbreuken op het dierenwelzijn te zien als dringende maatschappelijke behoefte waardoor een verbod op onverdoofd ritueel slachten gerechtvaardigd kan worden. Niemand kan volhouden dat dit geen maatschappelijke behoefte is, omdat draagvlak voor humanere behandeling van dieren snel groeit. Goede zeden zijn dynamisch van karakter, en dus zullen ze in de weging van de wetgever serieus genomen moeten worden.

Verschenen in Het Juridisch Dagblad dd. 03-06-2009

Blijf op de hoogte van het laatste nieuws

    Abonneer op de nieuwsbrief