Inbreng Wet herin­voering basis­beurs hoger onderwijs


8 december 2022

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben met interesse kennisgenomen van de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs. Deze leden zijn te spreken over het feit dat er eindelijk een einde komt aan het schuldenstelsel, een stelsel dat, als het aan de Partij voor de Dieren had gelegen, nooit was geïntroduceerd. De voorliggende wet bevat interessante punten, maar kent ook tekortkomingen. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben vragen en opmerkingen over de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs.

2. Hoofdlijnen van het voorstel

2.1. Probleembeschrijving en doelstellingen

De regering geeft aan dat het nooit de filosofie is geweest dat studenten schuldenvrij kunnen afstuderen en dat lenen, werken of een combinatie hiervan een nadrukkelijk eigen keuze is van de student. Deze redenatie bevreemdt de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren. Volgens deze leden is onderwijs een investering van de Staat in de samenleving, waarbij ieder individu het recht heeft om zich te kunnen ontplooien naar eigen talenten en interesses. De eenzijdige focus op de financiële bijdrage van de student zelf doet wat deze leden betreft geen recht aan het feit dat investeren in onderwijs en studenten een investering in de maatschappij is.

2.1.1 Wet studievoorschot hoger onderwijs en de argumenten daarvoor

De regering geeft aan dat de noodzaak bestond om te investeren in de kwaliteit van het hoger onderwijs. Investeringen in de kwaliteit van het onderwijs zijn wat de fractie van de Partij voor de Dieren betreft noodzakelijk. Echter vragen de leden zich af of de beloofde investeringen bij invoering van het leenstelsel wel tot hun recht zijn gekomen? Hoeveel is er daadwerkelijk geïnvesteerd in de onderwijskwaliteit, wat zien we daarvan terug, en zijn de gedane beloftes nagekomen?

2.2. Inhoud wetsvoorstel t.a.v. studiefinancieringsstelsel

Veel vragen van de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben te maken met de invulling van het studiefinancieringsstelsel in het hoger onderwijs. De leden lezen enkele punten die zij onderschrijven, zoals de verruiming van de aanvullende beurs en het feit dat de regering deze verder onder de aandacht wil brengen zodat jongeren hun weg naar deze financieringsmogelijkheid beter kunnen vinden. Ook het idee van de regering dat studenten niet onnodig hoge schulden moeten aangaan onderschrijven deze leden. Echter zien zij ook problemen bij de uitwerking hiervan in het onderliggende voorstel.

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vinden het bevreemdend dat de basisbeurs niet permanent verhoogd wordt, of tenminste gelijk wordt gesteld aan de basisbeurs van vóór de invoering van het schuldenstelsel (daarbij rekening houdend met een correctie voor de inflatie). Deze leden zien hier in potentie een groot financieel probleem ontstaan. Het Nibud geeft namelijk aan dat een gemiddelde uitwonende student ongeveer €1041 uitgeeft en een thuiswonende student €533. De regering maakt het vervolgens mogelijk om voor een uitwonende student maximaal -het gecombineerde bedrag van basisbeurs, aanvullende beurs en basislening- €957,87 te ontvangen van DUO, en bij een thuiswonende student maximaal €793,27. Dat betekent dat een uitwonende student gemiddeld genomen te kort zal komen om rond te kunnen komen. Deze leden vragen zich af of de regering hiermee het signaal wil afgeven dat een student er maar een baan bij moet nemen of via familie aan geld moet zien te komen? Hoe verhoudt dit zich tot de maatschappelijk verwachting die we van studenten hebben waarbij zij een fulltime studie volgen, dat ze twaalf uur werken, sporten om gezond en fit te blijven, sociale contacten onderhouden, als het kan een bestuursjaar doen en vrijwilligerswerk verrichten om maatschappelijk bij te dragen? Kan de regering hierop reflecteren en daarbij de alsmaar stijgende prestatiedruk in onze maatschappij en de financiële onzekerheden meenemen?

Daarnaast vragen de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren zich af of de regering rekening gehouden heeft met de mogelijkheid dat studenten extra moeten gaan werken, waardoor zij studievertraging kunnen oplopen? Deze leden zouden hier graag een reflectie op zien. Komen studenten hierdoor juist niet in een schuldenspiraal terecht?

2.3. Inhoud wetsvoorstel t.a.v. tegemoetkoming

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vinden het meer dan terecht dat er compensatie komt voor de studenten uit de pechgeneratie. De compensatieregeling die nu is voorgesteld is wat deze leden betreft echter ontoereikend en roept vragen op.

De leden lezen dat het aantal studenten met (hoge) schulden is opgelopen, dat de gemiddelde schuld stijgt, dat studenten extra psychologische en financiële druk ervaren door het leenstelsel, en dat hypothecaire druk (vanwege het reële financiële effect van de studieschuld) is toegenomen. Hoe weegt de regering de magere compensatie in het licht van de psychologische en financiële druk die studenten ervaren?

De leden lezen dat alleen studenten die onder een substantieel deel onder het leenstelsel hebben gestudeerd voor de tegemoetkoming in aanmerking komen. De gestelde termijn van twaalf maanden roept wel de vraag op: heeft het kabinet er zicht op, of er studenten eerder zijn gestopt doordat zij de financiële lasten niet konden of wilden dragen? En daardoor dus geen compensatie kunnen krijgen? Daarnaast vragen deze leden hoe het bijvoorbeeld zit met studenten die tussen beide stelsels in vielen, en daardoor alleen in aanmerking zijn gekomen voor studiefinanciering gedurende de bachelor-fase van hun opleiding? Maken zij aanspraak op compensatie voor het wegvallen van de basisbeurs tijdens de masterfase van hun opleiding? Kan de regering dit verduidelijken?