Inbreng PvdD verslag (wets­voorstel): Klimaatwet


2 november 2018

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel gericht op het terugbrengen van de Nederlandse broeikasuitstoot. De leden van de PvdD-fractie waarderen het dat de initiatiefnemers met dit wetsvoorstel een stap zetten om te komen tot een broeikasgasreductie van 95% in 2050. Zij danken de initiatiefnemers voor de geleverde inspanning om deze initiatiefwet tot stand te brengen.

De leden van de PvdD-fractie zetten zich al jaren in voor stevig klimaatbeleid. Op 17 september 2015 kwam de motie Thieme/Klaver in stemming waarin de regering gevraagd werd met een Klimaatwet te komen (KS 34300 nr. 31). De motie werd verworpen doordat CDA, VVD, PVV, PvdA, 50-plus en SGP tegen stemden. Drie maanden later kondigden GroenLinks en PvdA alsnog een gezamenlijke initiatiefwet aan. Doordat het wetsvoorstel inmiddels zoveel mogelijk is ontdaan van afrekenbare doelstellingen, hebben zelfs meerdere partijen zich erachter geschaard. Hoe langer VVD en CDA aan tafel zaten, des te langer werd de nota van wijziging.

De leden van de PvdD-fractie constateren dat de klimaatwet helaas is gesmolten tot een boterzacht compromis. Het mag dan wel rekenen op brede steun van links tot rechts, maar stuurt onvoldoende aan op het nemen van stappen die noodzakelijk zijn om de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5°C. Stok noch wortel zijn aanwezig om de internationaal afgesproken klimaatdoelen dichterbij te brengen. Essentiële onderdelen uit het Parijsakkoord zijn afgezwakt of totaal genegeerd.

Het IPCC waarschuwde inmiddels dat de 3°C-wereld op de loer ligt. De tijd van heilige huisjes is voorbij. Op korte termijn zijn radicale maatregelen nodig. Deze urgentie zien de leden helaas niet terug in de wet. Per direct moet er een maximale inspanning worden geleverd om de CO2-uitstoot te beperken. De initiatiefnemers van de wet kiezen er echter voor om te werken met een puntdoel in 2050, waardoor de juridische ruimte wordt geschept om moeilijke of minder populaire maatregelen nog 30 jaar uit te stellen. De politieke verantwoordelijkheid om nu te handelen lijkt te worden afgeschoven op toekomstige generaties.

Het oorspronkelijke, afrekenbare, doel van 55% minder CO2-uitstoot in 2030 is gereduceerd tot een ‘streven’ van 49%. Oftewel, een niet afdwingbaar doel, wat tevens onvoldoende is om de aarde niet verder te laten opwarmen dan 1,5°C.

Waarom wordt er in deze wet niet gewerkt met een koolstofbufget?
Wat is de reden om de Klimaatcommissie te schrappen?
Waar komt de regie- en coördinatiefunctie dan wel te liggen?
Waarom zien de initiatiefnemers geen aanleiding om een tussendoel voor het jaar 2040 op te nemen in de wet?
Wat zijn, behalve de enorme schade aan het klimaat, de juridische gevolgen van het missen van het puntdoel in 2050?
Klopt het dat de angst voor een nieuwe Urgenda-zaak de inspiratie was om afrekenbaarheid uit deze wet te halen?

De focus van de initiatiefnemers op CO2-reductie geeft een excuus om niet te investeren in energiebesparing en duurzame energie, terwijl Nederland op beide onderdelen slecht scoort. Nederland hoort bij de hekkensluiters van Europa; alleen Luxemburg scoort slechter. Hoe meer energie we kunnen besparen, hoe gemakkelijker het wordt om de energie die we wel gebruiken duurzaam op te wekken, aldus deze leden. Zolang we niet drastisch gaan besparen is de kans groot dat we afhankelijk blijven van vuile energie.

De leden van de PvdD-fractie wijzen erop dat de overstap naar écht duurzame energiebronnen, zoals wind en zon, zo snel mogelijk moet worden gerealiseerd.

Het wetsvoorstel geeft daar echter geen enkele prikkel voor, doordat creatief gebruik is gemaakt van definities. De initiatiefnemers hebben de gebruikelijke definitie “hernieuwbare energie” vervangen voor de ruimere definitie “CO2-neutrale elektriciteitsproductie”, waardoor het wetsvoorstel de deur wagenwijd open houdt voor fossiele brandstoffen en schadelijke biomassa’s.

Door te spelen met definities en verantwoordelijkheden ontbreekt in de initiatiefwet een energiebesparingsdoelstelling en werd het oorspronkelijke doel voor 100% hernieuwbare energie in zijn geheel geschrapt.

Wat was de reden om deze doelen te schrappen?

Niet alleen komt bij het gebruik van fossiele energie CO2 vrij en draagt het daarmee bij aan de opwarming van de aarde, ook gaat de winning ervan vaak gepaard met grote milieuproblemen en de vernietiging van hele ecosystemen. Daarnaast maakt het gebruik van fossiele brandstoffen ons nog veel te vaak afhankelijk van foute regimes en ondemocratische landen. De leden van de PvdD-fractie hadden daarom verwacht dat het wetsvoorstel zou worden benut door de initiatiefnemers om het gebruik van fossiele brandstoffen uit te faseren.

In het wetsvoorstel wordt gesuggereerd dat biomassa, zoals houtstook, CO2-neutraal is. De initiatiefnemers erkennen dat er wel degelijk CO2 vrijkomt bij de verbranding, maar suggereren dat de CO2 weer wordt opgenomen wanneer planten terug groeien. Dit laatste is omstreden; biomassa wordt sneller verstookt dan het kan bijgroeien en jonge bomen houden minder CO2 vast dan volwassen bomen. Aan biomassa kleven serieuze risico’s zoals ontbossing, biodiversiteitsverlies en voedselconcurrentie. Het is daarnaast zeer schaars en wordt snel overvraagd door de uiteenlopende toepassingen. Biomassa dient allereerst als bodemvoeding en voedsel. Het valt te betwijfelen of er vervolgens nog duurzame biomassa beschikbaar is als brandstof of energiebron.

Ook energie uit mest zou volgens de initiatiefnemers duurzaam zijn, maar voor het gemak wordt daarbij vergeten dat de dieren die de mest produceren gevoed worden met soja uit Zuid-Amerika. Voor die sojaproductie wordt op grote schaal regenwoud gekapt.

Bovendien is de opkomst van mestvergisters zeer onwenselijk. Mestvergisters zijn niet diervriendelijk omdat de dieren moeten worden opgehokt om de mest op te kunnen vangen. Mestvergisters zijn niet duurzaam en zorgen voor (gezondheids)risico’s en grote stankoverlast voor omwonenden, die soms dagenlang last hebben van hoofdpijn en misselijkheid. De vele vrachtwagens die deze mest moeten aanvoeren hebben eveneens een grote impact op de omgeving. En na al deze kosten en overlast, blijven we kampen met een enorm mineralenoverschot in de vorm van fosfaat en stikstof, die onze natuur en waterkwaliteit letterlijk verstikt. Het moet afgelopen zijn met de enorme subsidies voor mestvergisters.

Waarom hebben de initiatiefnemers van de wet geen rekening gehouden met deze bezwaren tegen mestvergisters?