Inbreng PvdD SO informele L&V-raad


28 augustus 2017

De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda. Zij hebben enkele opmerkingen over het voorstel van het voorzitterschap voor risicobeheer in het toekomstige Gemeenschappelijke Landbouwbeleid (GLB).

De leden van de PvdD-fractie vinden dat het voorstel voor risicobeheer getuigt van een hoog gehalte wensdenken, namelijk dat de risico’s in de voedselketen zouden kunnen worden teruggebracht zonder de systeemfouten eruit te halen. De Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid (WRR) concludeerde reeds in 2014 in haar rapport “Naar een voedselbeleid” dat de vee- en vleesindustrie desastreuze gevolgen heeft voor natuur, milieu, dierenwelzijn en de volksgezondheid en dat beleid te eenzijdig gericht is op het verhogen van de productie van de landbouw en de export hiervan.[1] Lange voedselketens, de afhankelijkheid van schaarse bronnen (kunstmest) en input van buiten (veevoer), verlies van (agro)biodiversiteit en bodemvruchtbaarheid als gevolg van de intensieve landbouw die bol staat van de monoculturen, de genadeloze concurrentie op de wereldmarkt die in elk geval voor Nederlandse boeren niet vol te houden zal zijn en tot slot de klimaatverandering die vooralsnog door Europa nog helemaal niet met enige overtuiging wordt aangepakt, vormen het web waarin de Europese Commissie en de Nederlandse regering de boeren welbewust vast laat zitten.

De risico's moeten absoluut worden aangepakt vanuit de gedachte dat de voedselzekerheid moet worden zeker gesteld, de boeren daar op een gezonde manier aan moeten kunnen werken en daar bovendien op een normale manier voor worden beloond. Dat vraagt om diepgaande wijzigingen van het huidige productiesysteem, waarin niet de voedselzekerheid centraal staat, maar de gedachte dat voedsel een commercieel product is dat onderworpen kan worden aan de wetten van de markt. De leden van de PvdD-fractie wijzen erop dat de recht-op-voedsel-benadering van de VN-rapporteur voor het Recht op Voedsel een heel andere is dan de EU, Nederland en Wageningen Universiteit (WUR) hanteren. De recht-op-voedsel-benadering gaat uit van de daadwerkelijke behoefte aan en het recht op een gezond en voedzaam voedselpakket voor de wereldbevolking. De EU, Nederland en WUR blijven hangen in de marktbenadering van vraag en aanbod. De vraag naar voedsel is echter iets heel anders dan de behoefte aan een gezond en voedzaam voedselpakket. Is de staatssecretaris bereid dat tenminste te erkennen? De leden van de PvdD-fractie pleiten voor een omslag van een landbouwbeleid dat gericht is op de grillen van de markt naar een voedselbeleid waarin de voedselzekerheid, volgens de recht-op-voedsel-benadering, het uitgangspunt vormt. Is de staatssecretaris bereid die omslag te maken en daar ook hartstochtelijk voor te pleiten binnen de Raad nu de risico's binnen het huidige landbouwbeleid op de agenda staan in Europa? Zo nee, waarom niet?

[1] WRR-rapport ‘Naar een Voedselbeleid’ (Rapportnummer 93, 2014): https://www.wrr.nl/publicaties/rapporten/2014/10/02/naar-een-voedselbeleid