Inbreng PvdD SO Ener­gieraad 18 december 2017


8 december 2017

Inbreng PvdD SO Energieraad 18 december 2017

De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda. Zij constateren dat er twee richtlijnen op de agenda staan die de potentie hebben om de Europese energiemarkt ingrijpend te veranderen, namelijk de richtlijn hernieuwbare energie (RED) en het voorstel voor de governance van de Energie Unie. Deze richtlijnen kunnen, mits de juiste keuzes worden gemaakt, schone energie voor alle Europeanen binnen een generatie binnen handbereik brengen. De leden zijn van mening dat we deze kans niet voorbij mogen laten gaan en hebben daarom de volgende vragen en opmerkingen.

Hernieuwbare energie en energiebesparing

De leden van de PvdD-fractie constateren dat de ambities voor hernieuwbare energie in 2030 van zowel de Europese Commissie (27%) als de industriecommissie van het Europees Parlement (35%) onvoldoende zijn voor de klimaatambitie van Parijs (45%). De leden verzoeken de minister daarom om in de Raad te pleiten voor een substantieel hogere doelstelling dan 27% hernieuwbare energie in 2030. Kan de minister uitleggen waarom hij tegen de verplichte openstelling van nationale subsidiemechanismen voor hernieuwbare energie is? Wat zou dit betekenen voor de SDE+-regeling?

Ook vragen de leden de minister te pleiten een hogere ambitie voor energiebesparing, in lijn met de ambitie van de industriecommissie (40%). Energiebesparing is de goedkoopste en eerst in aanmerking komende stap naar een duurzaam energiebeleid. Graag een reactie.

Zelfstandig energie opwekken

De leden van de PvdD-fractie vinden het van belang dat burgers in staat zijn om in hun eigen energievoorziening te voorzien. In de huidige voorstellen van de Raad wordt dat minder vanzelfsprekend. De leden vinden dat de minister zich daar onvoldoende tegen verzet. De minister is zelfs voornemens het principe af te schaffen waarmee schone stroom voorrang krijgt op het net. Ook stelt de minister kleine energie-opwekkers gelijk aan grote bedrijven, waardoor onredelijke eisen aan hen gesteld worden. De leden van de PvdD-fractie willen dat de minister volle steun geeft aan voorstellen waarmee Europese burgers de mogelijkheid krijgen zelf energie op te wekken en die burgers en energie coöperaties beschermen. Graag een reactie.

Biobrandstoffen

De leden van de PvdD-fractie staan zeer kritisch tegenover biobrandstoffen. Het bijmengen van voedselbrandstoffen leidt niet tot vergroening van transport, maar tot opoffering van landbouwgrond en natuurgebieden zoals regenwouden, savannen en natuurlijke graslanden. Ook leiden voedselbrandstoffen in de tank tot een aanzienlijke verhoging van CO2-emmissies, in plaats van een verlaging. De uitdaging is om minder brandstoffen te gebruiken, niet om voedsel als brandstof te gebruiken en per saldo méér CO2 uit te stoten en het klimaat verder te ontwrichten. De leden verzoeken de minister aan te dringen op een zo snel mogelijke uitfasering van alle voedselbrandstoffen. Graag een reactie.

Biomassa

De leden van de PvdD-fractie zijn tegen de bijstook van biomassa in kolencentrales. Hout verbranden is op korte termijn nog viezer dan steenkool. De leden vinden het onwenselijk dat, zolang het bijstoken van biomassa niet verboden is, lidstaten geen strengere duurzaamheidscriteria mogen stellen voor deze biomassa.

Beantwoording bewindspersoon

De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de geanno-teerde agenda. Zij constateren dat er twee richtlijnen op de agenda staan die de potentie hebben om de Europese energiemarkt ingrijpend te veranderen, namelijk de richtlijn hernieuwbare energie en het voorstel voor de governance van de Energie Unie. Deze richtlijnen kunnen, mits de juiste keuzes worden gemaakt, schone energie voor alle Europeanen binnen een generatie binnen handbereik brengen. Deze leden zijn van mening dat we deze kans niet voorbij mogen laten gaan en hebben daarom de volgende vragen en opmerkingen. De leden van de PvdD-fractie constateren dat de ambities voor hernieuwbare energie in 2030 van zowel de Europese Commissie (27%) als de industriecommissie van het Europees Parlement (35%) onvoldoende zijn voor de klimaatam-bitie van Parijs (45%). Deze leden verzoeken de Minister daarom om in de Raad te pleiten voor een substantieel hogere doelstelling dan 27% hernieuwbare energie in 2030.

Het kabinet is gecommitteerd om in 2050 een CO2-arme energievoor-ziening te realiseren om de doelstellingen uit het Parijsakkoord te halen. Zoals aangegeven in het regeerakkoord, neemt Nederland daarom in de EU het voortouw om het reductiedoel voor 2030 te verhogen van 40% naar 55% ten opzichte van 1990. Nederland wil een integrale discussie over een verhoging van het Europese CO2-reductiedoel in 2030 naar aanleiding van de Faciliterende Dialoog in 2018. De insteek daarbij is om uiterlijk in 2020 – als onderdeel van de mondiale ambitiecyclus – te komen tot een meer ambitieuze bijdrage vanuit de EU aan de doelen van het Klimaatakkoord van Parijs. Ik acht het niet wenselijk hierop vooruitlopend nieuwe afspraken te maken over doelstellingen voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie omdat het afleidt en ruimte biedt aan eenieder om weg te bewegen van de hoofdvraag: «hoe realiseert de EU haar aandeel voor CO2-emissiereductie in de afspraken van Parijs?».

Kan de Minister uitleggen waarom hij tegen de verplichte openstelling van nationale subsidiemechanismen voor hernieuwbare energie is? Wat zou dit betekenen voor de SDE+-regeling?

Het kabinet vindt dat de keuze om een nationaal subsidiemechanisme open te stellen geen verplichting zou moeten zijn, maar een eigen afweging van de lidstaten. Het kabinet is tegen deze verplichting omdat de potentiele kostenvoordelen hoogstwaarschijnlijk niet gerealiseerd worden vanwege de verschillen in regelgeving (voorwaarden aan projecten, verschil in subsidieregimes, benodigde vergunningen) tussen de lidstaten. Daarnaast verliest Nederland hiermee ook een belangrijk sturingsmecha-nisme voor de uitrol van hernieuwbare energie in Nederland en zal de stimulering van internationale projecten niet bijdragen aan de reductie van CO2-uitstoot in Nederland. Ten slotte leidt deze verplichting tot een grote extra administratieve last omdat gedetailleerde verdragen met elke andere lidstaat moeten worden afgesloten waarin bijvoorbeeld wordt afgesproken hoe de productie van energie bemeterd wordt. Mogelijk zullen veel van die verdragen onnodig zijn omdat er geen projecten in die landen worden ontwikkeld. Voor de SDE+-regeling zou de verplichte openstelling voor buitenlandse projecten betekenen dat bij elke openstelling 10% van het budget ook beschikbaar moet zijn voor projecten in het buitenland. Minimaal 90% van het budget blijft beschikbaar voor projecten in Nederland. Dit percentage van 10% zou in 2025 worden verhoogd naar 15%.

Ook vragen de leden van de PvdD-fractie de Minister te pleiten een hogere ambitie voor energiebesparing, in lijn met de ambitie van de industrie-commissie (40%). Energiebesparing is de goedkoopste en eerst in aanmerking komende stap naar een duurzaam energiebeleid. Graag een reactie.

De hoogte van doel voor energie-efficiëntie staat niet ter discussie in de onderhandelingen over de governance-richtlijn. In juni dit jaar heeft de Energieraad een Algemene Oriëntatie aangenomen over de herziening van de richtlijn energie-efficiëntie (EED), met een energie-efficiëntiedoel van 30%. Nederland steunt deze Algemene Oriëntatie.

Zoals aangegeven in het regeerakkoord, neemt Nederland in de EU het voortouw om het CO2-reductiedoel voor 2030 te verhogen van ten minste 40% naar 55% ten opzichte van 1990. Ondertussen nemen we in Nederland maatregelen die ons voorbereiden op een reductie van 49 procent in 2030. Om dit te realiseren, moet fors worden ingezet op energiebesparing en zijn grote investeringen nodig om het aandeel hernieuwbare energie in de energiemix te vergroten. Vanwege de grote maatschappelijke, econo-mische en technologische onzekerheden is het echter niet wenselijk om nadere doelen voor energiebesparing en hernieuwbare energie vast te stellen. Door te sturen op CO2-reductie komt namelijk de meest optimale en kosteneffectieve mix van energiebesparing, hernieuwbare energie en andere CO2-arme opties in de markt tot stand.

Deze leden vinden het van belang dat burgers in staat zijn om in hun eigen energievoorziening te voorzien. In de huidige voorstellen van de Raad wordt dat minder vanzelfsprekend. Zij vinden dat de Minister zich daar onvoldoende tegen verzet. De Minister is zelfs voornemens het principe af te schaffen waarmee schone stroom voorrang krijgt op het net. Ook stelt de Minister kleine energie-opwekkers gelijk aan grote bedrijven, waardoor onredelijke eisen aan hen gesteld worden. De leden van de PvdD-fractie willen dat de Minister volle steun geeft aan voorstellen waarmee Europese burgers de mogelijkheid krijgen zelf energie op te wekken en die burgers en energie-coöperaties beschermen. Graag een reactie.

Voor Nederland staat voorop dat de stabiliteit van het systeem niet in gevaar komt en dat marktpartijen gelijk behandeld worden. Met de groei van het aandeel duurzame energie door de grote toestroom van kleine en grotere opwekkers zal het handhaven van de stabiliteit op het net meer en meer een uitdaging worden. De betreffende bepalingen voor voorrang op het net zijn voor Nederland niet relevant omdat Nederland geen centraal aangestuurde productie en afname-systeem («central dispatching system») heeft, maar een systeem waarin de marktpartijen zelf op basis van prijzen bepalen waar en wanneer er geproduceerd en ingevoed wordt. Daarnaast wijs ik er op dat bij het ontstaan van congestie op het Nederlandse elektriciteitsnet, hernieuwbare elektriciteitsproducenten in de praktijk altijd als laatste worden afgeregeld. Daarbij wordt namelijk gebruik gemaakt van marktconforme procedures, en het is per definitie goedkoper voor conventionele centrales om af te regelen dan hernieuwbare elektriciteitsproducenten. Conventionele centrales zijn vaak bereid geld toe te leggen, omdat zij bij het afregelen brandstofkosten besparen, terwijl hernieuwbare elektriciteitsproducenten daarentegen juist altijd een vergoeding nodig hebben, omdat zij bij het afregelen vaak het recht op subsidie verliezen en bovendien geen brandstofkosten besparen.

Wat betreft het geven van steun aan burgers en energie coöperaties verwijs ik naar het antwoord op een soortgelijke vraag van de CDA-fractie: De leden van de fractie doelen waarschijnlijk met name op de artikelen 15 (actieve consumenten) en 16 (energie gemeenschappen) van de Richtlijn voor gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit. In de onderhandelingen heeft Nederland deze artikelen op hoofdlijnen ondersteund. Als consumenten meer dan nu actief worden op de energiemarkten is het belangrijk dat zij ook gelijkwaardig behandeld (non-discriminatie-beginsel) worden, zowel wat betreft hun rechten als hun plichten. Met betrekking tot de rechten, kan het gaan om het slechten van eventuele toetredingsdrempels en met betrekking tot de plichten gaat het bijvoorbeeld om netwerktarieven die de juiste kosten reflecteren. Op dit moment voldoen de voorstellen in de ogen van Nederland aan deze vereisten. Ten aanzien van de energiegemeenschappen vindt Nederland het onder meer van belang dat consumenten die geen lid van een dergelijke gemeenschap willen zijn, hun keuzevrijheid behouden. Tevens steunt Nederland het voornemen om energie gemeenschappen direct of via derden toegang te geven tot energiemarkten.

De leden van de PvdD-fractie staan zeer kritisch tegenover biobrandstoffen. Het bijmengen van voedselbrandstoffen leidt niet tot vergroening van transport, maar tot opoffering van landbouwgrond en natuurgebieden zoals regenwouden, savannen en natuurlijke graslanden. Ook leiden voedselbrandstoffen in de tank tot een aanzienlijke verhoging van CO2-emmissies, in plaats van een verlaging. De uitdaging is om minder brandstoffen te gebruiken, niet om voedsel als brandstof te gebruiken en per saldo méér CO2 uit te stoten en het klimaat verder te ontwrichten. Deze leden verzoeken de Minister aan te dringen op een zo snel mogelijke uitfasering van alle voedselbrandstoffen. Graag een reactie.

Nederland heeft zich in Europees verband ingezet om de limiet op conventionele biobrandstoffen lager te stellen. Dit kon niet op voldoende steun rekenen. Nederland vindt het belangrijk dat de conventionele biobrandstoffen die mee mogen tellen binnen de 7%, wel aan goede ILUC en CO2-eisen voldoen. Nederland heeft zich daarom ingezet om vanaf 2021 conventionele biobrandstoffen met een hoog risico op indirect landgebruik en slechte CO2-emissiereductieprestaties uit te faseren en zal dit tijdens de Energieraad nogmaals inbrengen. Hier heeft Nederland eerder al voor gepleit, maar dit vond onvoldoende draagvlak onder de andere lidstaten. Binnen het voorstel blijft er ruimte voor lidstaten om een lagere limiet te stellen en onderscheid te maken tussen welke grond-stoffen mogen meetellen voor deze limiet. Bij de implementatie van deze richtlijn zal in overleg met de Tweede Kamer besloten worden onder welke voorwaarden en tot welke hoogte conventionele biobrandstoffen mee mogen tellen in Nederland.