Inbreng Partij voor de Dieren Schrif­telijk Overleg over de toelating van thiram en diquat


27 juni 2018

De leden van de Partij voor de Dieren hebben de brief van de minister gelezen waarin zij de stand van zaken schetst rond de Europese besluitvorming over de herbeoordeling van de werkzame stoffen thiram en diquat in bestrijdingsmiddelen (al dan niet via zaadcoating). Deze leden hebben daarover enkele vragen en opmerkingen.

Steun voor verbod
Eerder heeft de minister laten weten dat zowel de Efsa als het Ctgb, naar aanleiding van de herregistratie die aan de orde was voor dit middel, tot de conclusie zijn gekomen dat diquat niet meer aan de toelatingseisen voldoet. Diquat heeft onacceptabele risico’s voor omwonenden, omstanders en vogels. De minister steunt daarom het voorstel van de Europese Commissie om niet tot een nieuwe goedkeuring over te gaan. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben eerder al laten weten deze positie van de minister te ondersteunen.

Ook voor thiram, een systemische fungicide die momenteel breed wordt toegepast in de EU, geldt dat de herbeoordeling de conclusie oplevert dat zaadtoepassing van thiram onacceptabele risico’s oplevert voor vogels en zoogdieren, bij geringe blootstelling al. Dat is zowel het oordeel van Efsa als van Ctgb. Ook hier steunt de minister het voorstel om de toelating van thiram niet te vernieuwen, en de leden van de Partij voor de Dieren-fractie spreken opnieuw hun steun uit voor deze positie.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie gaan ervan uit dat de minister ook nu er geen gekwalicificeerde meerderheid was voor het voorstel, op haar standpunt blijft staan, kan de minister dat bevestigen? Zij gaan er tevens vanuit dat de voorstellen, die nu in het zogeheten beroepscomité worden voorgelegd, ongewijzigd zijn, kan de minister dat bevestigen? Zo nee, wat is er veranderd aan de voorstellen? Wat gebeurt er als de voorstellen opnieuw niet worden aangenomen?

Reflectie
De leden van de Partij voor de Dieren merken op dat waar toepassingen van thiram en diquat eerder als verantwoord werden gezien, de conclusie nu is dat zij onacceptabele risico’s met zich meebrengen voor vogels en zoogdieren (thiram) en omwonenden, omstanders en vogels (diquat). Dat roept de vraag op om te reflecteren op toelating in relatie tot voortschrijdende inzichten over de gevaren van landbouwgif. Zeker gelet op de nijpende biodiversiteitscrisis, onder meer tot uitdrukking komend in het dramatische verlies van het aantal insecten, kunnen we ons niet meer veroorloven om middelen op de markt (toe te) laten waarvan we later moeten concluderen dat zij onacceptabele risico’s met zich meebrachten. Onderschrijft de minister dat?

De leden van de Partij voor de Dieren wijzen erop dat ook aan thiram eerst minder vergaande beperkingen waren gesteld, zoals een verbod in de buitenteelt (onbedekt uitgezaaide gewassen), maar dat nu, 5 jaar later, de toepassing voor zaden die bedekt worden uitgezaaid toch óók onverantwoord blijkt. Ook voor de drie neonicotinoïden die recent aan strengere beperkingen zijn onderworpen is dat het patroon geweest: eerst toelaten, pas later concluderen dat beperkingen nodig zijn, en dan wéér later concluderen dat die beperkingen onvoldoende waren en dat er toch nog verdere beperkingen nodig zijn – waarbij toepassing in kassen nog altijd is uitgezonderd. In het belang van de bescherming van water, bodem, biodiversiteit, dieren en mensen zou toepassing van het voorzorgsbeginsel veel verstandiger zijn dan toepassing van (systemische) bestrijdingsmiddelen. Graag een reflectie van de minister. Is zij de bereid in haar plannen om de biodiversiteitscrisis een halt toe te roepen het voorzorgbeginsel als uitgangspunt te nemen?